Aëri: Proloog, Compleet hoofdstuk 1, Intermezzo

Proloog: Bewustwording

Het is donker om me heen. Langzaam word ik me bewust van mijn omgeving. Ik zweef in het luchtledige. Ik ben me bewust van een zwarte leegte, van manen, sterren. In de verte een helder stralende zon, die zijn warmte over me heen laat stromen. Ik word me bewust van…. Ik word me bewust. Het dringt nu pas tot me door. Ik word me bewust. Was ik voorheen dan niet bewust? Was ik slapende? Was ik bewusteloos? Wat was ik? En als ik dat weet, hoe ben ik in die staat gekomen en wat heeft me weer bewust gemaakt? Was ik voorheen wel iemand, of iets? Wie ben ik nu dan? Met mijn bewustzijn komen vragen, zoveel vragen. Te veel op dit moment. Ik kan ze niet aan, ik moet schreeuwen. Ik schreeuw, maar ik hoor geen geluid. Hoort iemand mij wel, als ik mijzelf niet eens hoor? Schreeuw ik eigenlijk wel, als niemand mij hoort, als ik mijzelf niet eens hoor? Zo vol zijn mijn gedachten, vol existentiële vragen, vol vragen over mijn zijn, vol vragen over mijzelf. Ik sluit me af van alles om me heen. Ik moet me focussen op één vraag, op de belangrijkste vraag. Wie ben ik? Van daar uit komen de andere vragen wel, maar dat is nu de belangrijkste. Ook de moeilijkste denk ik.

Wie ben ik? Ik heb herinneringen merk ik. Nog vaag en van een afstand, maar ze zijn er. Het zijn er zo veel. Ik kan ze niet vastgrijpen en bij de enkele waar ik wel grip op kan krijgen zeggen de beelden me niks, de beelden hebben geen persoonlijke betekenis, het is alsof ik naar andermans leven kijk. Het zou me moeten frustreren, maar dat doet het niet. Er is een reden waarom ik bewust wordt, hoewel nog onbekend aan mij, en ook een reden waarom dat langzaam gebeurd. Ik vermoed dat ik gek zou worden wanneer mijn volledige geheugen, nee, mijn volledige leven direct naar mij terug zou keren. Het gebeurd in gradaties. De eerste gradatie is het bewust worden, het weten dat ik besta en wakker ben en dat er meer is wat zich zal openbaren. Naast mijn bewustzijn keert mijn gevoel terug. De volgende gradatie. Ik merk dat ik naast een geest ook een lichaam bezit. Het lichaam voelt broos en kwetsbaar. Ik moet oud zijn. Mijn huid is gepokt, gemazeld, verbrand, gerimpeld… in verval. Het lichaam die door deze huid omspant wordt doet pijn. Ja, ik moet heel oud zijn. Ik concentreer me op mijn lichaam, probeer elk onderdeel er van te voelen. Het gevoel keert langzaam terug, ik voel de verschillende plekken die me pijn doen. De meeste pijn is oppervlakkig, op mijn huid, scheurend, brandend, kriebelend. Een enkele pijnscheut gaat dieper en dringt door tot diep in mijn ingewanden. De pijn is allesomvattend, verdrijft al het andere. Ik kreun onwillekeurig, weer een niet gehoord geluid. Nee, stop, ik wil dit niet, ik wil niet bewust worden als dat gepaard gaat met deze pijn! Laat me dan maar weer sluimeren, in de droomwereld die ik beter ken dan de wereld waarin ik nu ben wakker geworden. De pijn ebt weg, ik voel alleen nog maar de last van mijn oude gepijnigde lichaam. Ik probeer iets te bewegen. Blijkbaar is het nog te vroeg daarvoor, ik mag alleen voelen, het is nog geen tijd om de controle over mijn lichaam terug te krijgen. Niet als ik nog niet de controle over mijn leven of zelf maar mijn gedachten heb.

Herinneringen schieten me voorbij, ik hoor woorden, namen… Ze zeggen me niks. Zijn het namen van plaatsen, vrienden, gebeurtenissen of misschien willekeurige woorden die mijn wakker wordende brein willekeurig loslaat? Misschien is een van die woorden wel mijn naam, of mijn namen.

Plotseling merk ik hoe moe ik ben. Alle nieuwe indrukken vragen hun tol. Maar ik durf niet te slapen, ik ben bang dat als ik dat doe ik weet verdwijn naar de coma waarin ik net uit ben wakker geworden. Dat wil ik niet. Zelfs met de pijn, die ook nu nog af en toe opvlamt, wil ik bewust blijven. Ik ben bewust, dus ik ben. Ik ben met een reden wakker geworden, ik moet actie ondernemen. Ik wil weten wie ik ben en wie ik ben geweest. Dat moet, mijn leven en het leven van anderen hangt daar vanaf. Ik voel dat heel sterk. Maar ik ben nu zo moe, zo moe… Mijn gedachten worden onsamenhangend, voor zover ze dat nog niet waren. Zo moe dat de angst om niet meer wakker te worden niet meer belangrijk lijkt. Ik voel dat er haast bij is, dat ik snel moet weten wie ik ben, maar door de vermoeidheid lijkt dat niet belangrijk meer. Later… wanneer ik weer kan nadenken… Later… Maar eerst… rust….


Hoofdstuk 1: Ilia

Ilia draaide zich om in bed. Het was nog vroeg, nog voor zonsopgang. Ze kon niet slapen; ze kon niet goed op haar rug liggen, het jeukte tussen haar schouders en daarnaast was ze zowel opgewonden als gefrustreerd. Opgewonden dat ze nu eindelijk volwassen werd, gefrustreerd dat het zo lang duurde. Ze probeerde nogmaals een comfortabele houding te vinden, maar aangezien ze niet op haar rug kon liggen, viel dat niet mee. Met een ergerlijke zucht ging ze rechtop zitten. Die irritante kriebel ook! Ze deed geen oog dicht.
Ze wist dat elke Aëri dit door moest maken, dat iedereen in zijn of haar pubertijd een periode had waarbij ze eigenlijk niet meer goed in een bed konden liggen, maar nog niet volgroeid genoeg waren om samen met de echte volwassen in de nissen te slapen. Maar een echte troost was het niet. Ze reikte naar haar rug. Op de plekken waar de jeuk het ergste was, voelden haar vingers haar schubben uiteenwijken tot uitstulpsels die nu al zo’n vijftig centimeter waren. Ze voelden glad, sterk, en reageerden al goed op de spierbewegingen die Ilia instinctief beheerste. Haar moeder had, zodra Ilia de kenmerkende jeuk op voelde komen, geschat dat het ongeveer vier weken zou duren voordat haar vleugels volledig volgroeid zouden zijn. Ze groeiden echter sneller dan gemiddeld en nu werd verwacht dat ze over een week misschien al haar eigen nis kon opzoeken. Normaal gesproken was het Groeien van de vleugels een heugelijke gebeurtenis: een echte overgang naar volwassenheid, waarbij de ongemakken en slapeloosheid in de weken van de Groei als overgangsritueel werden gezien. Ilia was echter laat, al zestien, en al haar vrienden hadden al hun Eerste Vlucht gehad voordat Ilia de eerste tekenen van de Groei merkte. Het viel haar moeilijk nu niet meer bij haar vriendengroep te horen, maar in hun volwassen ogen nog bij de kinderen.
Ze liet zich uit bed glijden en liep naar de gezamenlijke baadruimte. Ze liep zachtjes om niemand wakker te maken, alleen haar geklauwde voeten krasten zachtjes over de lichte steen. Langs de gang waar ze doorheen liep, lagen de kamers waar de andere kinderen sliepen. Haar kamer lag bijna aan het einde van de rondlopende gang, diep in het uitgeholde, rotsachtige eiland wat door haar gemeenschap bewoond werd. Het was er donker, zelfs als de ruimte ramen had gehad, zou er nu –midden in de nacht- nog weinig licht zijn geweest.

Voor Ilia en haar volk maakte dat weinig uit. Hun ogen hadden aan het kleinste straaltje licht nog voldoende om zich goed voort te bewegen. Ilia bewoog zich dan ook soepel voort door de lange gang en schoof zachtjes de zware deur naar de gemeenschappelijke leefruimte open. Het was leeg, de jagers waren nog niet teruggekeerd. Ze vermoedde dat dat nog wel een aantal uur zou duren, ze zou nog even de tijd voor zichzelf hebben.
Nadat ze de leefruimte had doorkruist, liep ze de baadruimte in. Het was er warm en vochtig en deed bijna meteen wonderen voor haar pijnlijke, jeukende schouders. Ze kwam hier de laatste paar dagen meerdere keren per dag. Niet alleen omdat het haar ongemakken verlichtte, maar ook omdat de warme stoom en de warme en koude baden haar ontspanden. En als ze midden in de nacht kwam, zoals nu, was ze helemaal alleen. Ze plofte neer op de rugloze stenen verhoging in het midden van de ruimte. Deze liep in een onderbroken cirkel rond de opening in het midden, waar de stoom vanuit het binnenste van het eiland omhoog kwam. Dit was ook de reden dat deze gemeenschap zich hier eeuwen geleden had gevestigd; de hete bronnen onder het eiland verwarmden de rotswanden en maakten het eiland een uitstekende woonplaats in het ijzige klimaat. Juist op momenten zoals deze kon Ilia dat zeer waarderen. Na drie kwartier sloot ze het baadritueel af door in een van de koude dompelbaden te springen. Proestend sprong ze er snel weer uit. In tegenstelling tot de andere baden, die verwarmd werden door de ondergrondse bronnen, was het water in dit bad afkomstig uit de zee die het eiland omringde en daardoor extreem koud. Zelfs haar harde schubben, die haar in de lucht zouden beschermen tegen de koude wind en neerslag, hielpen niet om deze kou volledig buiten te sluiten. Door de volledige onderdompeling sijpelde het water tussen haar schubben door en doorweekte de zachte, kwetsbare huid daaronder. Omdat de schubben anders de warmte van de stoomkamer zelfs in de koude buitenlucht te lang zou vasthouden, was dat ook het doel van het bad.
Ilia begreep het belang ervan –nu tenminste, toen ze kleiner was had ze deze stap eens overgeslagen, waarna ze dagenlang ziek was geweest- maar had er nog steeds een hekel aan. Toch voelde ze zich beter, verkwikt, toen ze het ritueel had afgerond. Ze plukte een dikke, verwarmde doek uit een nis en wreef haar lichaam met stevige bewegingen droog. Voor de huid van haar gezicht, hals en de bovenkant van haar decolleté die niet door schubben werd bedekt gebruikte ze een zachtere doek. Daarna rolde ze beide doeken tot een strakke bal, die ze naar de daarvoor bestemde mand gooide. Ze miste met ruim een meter. Meteen werd de ontspanning van het baden weer teniet gedaan en stak de frustratie de kop op. “Aaarg!!! Stom ding!” foeterde ze, terwijl ze de opgerolde bal een schop gaf. Hij stuiterde tegen de muur en rolde langs haar verder weg de ruimte in. Ze liet een diepe zucht. Ze wilde net omdraaien om de doeken op de rapen, toen ze achter zich hoorde: “Nog steeds een donderwolkje zie ik?” Ze herkende de rommelende, lachende stem van haar vader uit duizenden. Ze zag de knot doeken met een keurige boog langs haar vliegen en in de mand verdwijnen. Nog geen seconde later stond haar vader naast haar en drukte een kus op haar wang. “Kom Golfje,” noemde hij haar bij haar koosnaam, “als je toch niet kan slapen, kan je vast wel met die eenzame ouwe van je een warme mok hallas drinken.” Hij trok haar de leefruimte in. “Als jij nou eens het water opzet, ga ik deze rommel opruimen, dan zijn we tegelijkertijd klaar.” Met rommel bedoelde hij het volle net bleke, ronde vissen dat nog voor de ingang van de grot lag. Blijkbaar had hij tijdens de afgelopen twee nachten durende nachtjacht een goede vangst maanduikers binnengehaald. Ze schokschouderde onverschillig, onwillig om toe te geven dat ze nu best behoefte had aan de altijd nuchtere kijk van haar vader. Ze liep naar het achterste gedeelte waar de privéruimtes op uitkwamen en liep de kamer in die gereserveerd was voor haar familie. Ze pookte in de nog smeulende kolen tot het vuur weer goed brandde en hing er een pannetje water boven. Toen het kookte, gooide ze de wortels van de hall, een in laag water groeiende soort zeewier, in de pan. Omdat haar vader zijn hallas graag zoet dronk, deed ze er nog wat bloemen van de rotsklaver bij.
Na een tijdje doorkoken was het water veranderd in een donkergroene, kruidig ruikende substantie. Ilia viste de hallwortels en klaverbloemen eruit en goot de drank in twee mokken. Net op tijd, haar vader kwam de ruimte al binnen. Voordat hij ging zitten, rekt hij zich even stevig uit; zijn vleugels -ieder meer dan anderhalve meter lang- strekten zich over hun hele lengte uit, de dikke huid tussen de dunne, flexibele baleinen strak gespannen. Hij schudde nog even zijn vleugels na, vouwde ze netjes achter op zijn rug en ging naast zijn dochter zitten. “Dat ruikt goed.” Ilia drukte een mok in zijn handen. “Je bent vroeg terug, pa. Goede jacht gehad?” “Ja, zeker. Ik ben wat verder van het eiland vandaan gegaan, ik had vorige week in de verte iets zien schitteren. Stukje vliegen van de overnachtingsplek, maar overduidelijk de moeite waard! Als die school hier rond blijft zwemmen, hebben we het makkelijk tijdens de volgende nachtjacht. Misschien dat we dan maar een dag weg hoeven te blijven.” Hij liet even een stilte vallen terwijl hij genietend een slok nam. Toen keek hij Ilia zijdelings aan. “Dan kunnen we samen een grote vangst binnenhalen.” Ze lachte en draaide met haar ogen. Haar vader wilde graag dat zijn dochter ook een jager werd, zoals hij en haar moeder. Als Ilia eerlijk was, was dat ook een van haar grootste wensen.
Jagers hadden een goede positie binnen de gemeenschap, hoewel minder goed dan de handelaars. Dit was echter geen populaire roeping, handelaars ontwikkelden soms nogal vreemde ideeën door hun contacten met andere volken en stonden daarom wat buiten de gemeenschap, ondanks dat ze door de onmisbaarheid van hun handel vol eerbied behandeld werden. Ach, dacht ze, met beide ouders als succesvol jager kon het toch niet anders dan dat zij daar ook toe geroepen zou worden? Haar vader grinnikte toen ze hem dat zei en beaamde dat hartgrondig. Hij pakte haar schouders vast. “Kom, laat eens zien die vleugels. Toen ik net aankwam zag ik Laus nog even, hij vertelde me dat ze in recordsnelheid gegroeid zijn.” Laus was een van de oudste bewoners van de gemeenschap, zo oud dat hij nauwelijks nog kon vliegen en last had van slapeloosheid, maar altijd volledig op de hoogte van alle nieuwtjes. “Ja, mama denkt dat ze over een week volgroeid zijn. Zie je dat,” gebaarde ze naar de flexibele verdikking langs de uitsteeksels, “de huid begint zich al uit te spreiden.” Zodra de baleinen uit de vleugelarm vertakten, zou de huid zich gaan spannen en het draagoppervlak van de vleugel vormen. “Ziet er goed uit ja. Doe je elke dag je oefeningen?” Ze knikte. Ze was eigenlijk al maanden voor de start van de Groei begonnen met het doen van de schouder- en rugversterkende oefeningen, in de hoop het groeiproces te versnellen. Ze vermoedde dat haar spieren ondertussen zo sterk geworden waren dat ze naar het vasteland en terug zou kunnen vliegen zonder de minste spierpijn. En als ze eindelijk volwassen was zou ze dat ook doen ook! beloofde ze zichzelf.
“Heb je er veel last van?” Ze trok haar schouders op. “Valt wel mee, ik word soms gek van de jeuk en ik heb regelmatig steken. Volgens mama komt dat doordat ze zo snel groeien. Het kan mij niet snel genoeg gaan.” Bekende ze bokkig. In tegenstelling tot wat ze verwacht had, grinnikte haar vader niet op de laatste opmerking, zoals hij meestal deed wanneer ze zich ongeduldig toonde. Hij keek haar aan met een meelevende blik. “Dat begrijp ik. Het gebeurt wel vaker dat de Groei wat later begint, zo rond het 14e jaar. Je moeder was ook zo’n latertje, heeft ze me verteld. Maar 16… ik kan me voorstellen dat dat helemaal moeilijk moet zijn.” Hij liet even een stilte vallen. Toen bekende hij schoorvoetend: “De laatste paar maanden waren je moeder en ik bang… nou ja… dat het niet meer zou komen. Je hebt geen idee hoe opgelucht we waren toen je de eerste kriebels voelde.” Ilia keek verbaasd, dat hadden ze haar nooit verteld; ze waren altijd optimistisch geweest. Zo optimistisch zelfs dat ze af en toe echt de behoefte had om ze door elkaar te schudden.
Zelf was ze natuurlijk ook bang geweest om nooit vleugels te krijgen. Dat gebeurde zelden, maar er gingen verhalen de ronde over Aëri met zo’n misvorming. Ze rilde, voor iemand van het luchtvolk was het vreselijk om de open lucht te moeten missen. Bovendien, bedacht haar jonge geest, zou ze dan nooit als volwassene worden gezien. En dat was voor haar nog veel erger! Ze kon niet wachten tot ze weer met haar oude vrienden kon omgaan en lachen, zonder dat het nog niet doormaken van de Groei tussen hun in stond.
Ze had gemerkt dat nu de Groei was begonnen, ook haar positie langzaam aan het veranderen was. Ze kreeg het idee dat ze nu meer voor vol werd aangezien en, natuurlijk niet op de laatste plaats, de jonge mannetjes van haar gemeenschap begonnen –niet altijd even subtiel- interesse te tonen in het bijna volwassen vrouwtje. Zolang ze haar eerste vlucht niet had gehad, zouden er geen openlijke toespelingen gemaakt worden, maar in de tussentijd kon het geen kwaad om alvast te kijken. Dat deed ze zelf in ieder geval ook.
Haar vaders stem haalde haar uit gedachten: “Kom meid, je kan waarschijnlijk toch niet slapen, maar je zou in ieder geval een beetje rust moeten krijgen. We kunnen niet hebben dat je tijdens je eerste vlucht in slaap valt.” Ze grijnsde, alsof dat zou gebeuren! Maar pa had gelijk, misschien zou het slim zijn als ze toch nog even probeerde te slapen. Ze had afgesproken haar tante morgen te helpen met het schoonmaken en verwerken van de vangst van de nachtjacht, dus het zou een lange drukke dag worden met een vroege ochtend. Vol goede moed liep ze terug naar haar bed om te laan liggen. Haar grijns veranderde in een grimas. Of hangen, of woelen, of anderszins zou proberen een comfortabele houding te vinden. Zuchtend nam ze afscheid van haar vader. “Welterusten Golfje. Fijne droomvlucht.” “Jij ook fijne droomvlucht pa.”
Ze pakte de lege mokken op en gooide deze in een teil bij de uitgang. Ze had geen zin om deze nu af te wassen. Normaal gesproken had ze dat in de ochtend gedaan, maar vanwege het werk dat haar morgen wachtte zou haar moeder dat doen. Ilia onderdrukte een geeuw terwijl ze terugliep naar haar slaapkamer. Blijkbaar had het stoombad gevolgd door de zoete hallas haar een stuk meer ontspannen gemaakt dan ze had verwacht. Misschien dat ze toch nog wel wat slaap zou krijgen vannacht.
Terwijl ze door de gang liep, had ze het gevoel dat ze werd bekeken. Ze stopte even, maar zag of hoorde niks. Toen ze weer verder liep, hoorde ze weer iets. Ze bleef doorlopen terwijl ze zo goed mogelijk luisterde. Ah, daar was het weer. Het klonk als zacht gekras, getrippel, door de stenen gang, nauwelijks te horen door het klikken van haar nagels op de vloer. Toch hoorde ze het, als het geschuifel van een uit de kluiten gegroeide rat. Hardop zei ze: “We moeten echt wat doen aan dat rattenprobleem, nog even en dan zijn ze net zo groot als een volgroeide Aëri.” Achter haar klonk een klaaglijke kreet en bijna op hetzelfde moment lanceerde een kleine jongen zich tegen Ilia’s benen. “Sandro, jij hoort te slapen!” sprak Ilia hem vermanend toe. Ze trok hem los van haar benen en tilde hem op haar arm. Hij was klein voor zijn 4 jaar en ze kon hem makkelijk dragen. Sandro was haar neefje en wanneer haar tante het erg druk had, paste ze regelmatig op hem. Dat was overigens niet altijd even makkelijk; het was een druk mannetje, die altijd wilde spelen, heen en weer rennen, alles wilde weten. Hij was ook onmogelijk in slaap te krijgen, wat, vermoedde Ilia, ook de oorzaak was van zijn nachtelijk wandeltocht. “Nietus.” Hield hij vol. “Ili slapen.” “Ja wijsneus, ik ga ook zo slapen.” “Ili me voorlezen?” vroeg hij, terwijl hij zijn duim in zijn mond propte. “Nee kleintje, vandaag niet. Ilia moet mama morgen helpen, dus ik moet ook naar bed. En jij ook, het is zelfs als volwassenenbedtijd geweest!” Hij trok een nukkig gezichtje en zei niks meer.
Binnen een paar minuten was ze bij de gang van haar slaapkamer. Omdat Sandro familie was, sliep hij in dezelfde gang, evenals de andere kinderen van haar moeders familieleden. Ze liep zijn kamer binnen en deponeerde hem in zijn bed. Hoewel hij bij hoog en bij laag beweerde dat hij niet moe was en niet wilde slapen, kroop hij snel onder zijn laken. Ilia bleef nog even naast hem zitten, zodat hij niet stiekem zijn bed uit zou kruipen als ze vertrokken was. Hij viel echter verbazingwekkend snel in slaap. Ze streek hem even over zijn hoofdje en hoopte dat haar nacht verder net zo makkelijk zou worden.

Een paar uur later werd Ilia wakker. Hoewel het binnen door het gebrek aan ramen aardedonker was, wist ze dat de zon nog niet was opgekomen. Dat zou nog ongeveer anderhalf uur duren als haar gevoel haar niet bedroog. Dat deed het niet. De Aëri waren door de eeuwen van hun bestaan heen zodanig afgestemd geraakt op de natuur dat ze instinctief wisten wanneer het tijd was om wakker te worden, te slapen of op jacht te gaan. Het opkomen en ondergaan van de zon, de stromingen van het water en de wind, de verschillende jaargetijden, de volle maan; elke Aëri voelde dit aan alsof het een deel was van hun eigen lichaam. Ilia had zich laten vertellen dat vroeger, in de begindagen van de Aëri, haar volk tegen de natuur had gevochten toen ze net naar het hoge, ijzige noorden waren gekomen, dat ze hadden geprobeerd de aarde hun wil op te leggen door de stenen te verwarmen en de kou te verdrijven door van hun oude verblijfplaats meegenomen onnatuurlijke middelen, maar dat hadden ze verloren. Niemand wist meer welke middelen hiermee bedoeld werden; de geschiedvertellers verhaalden over kwade machines die de natuur vervuilden, maar deze werden door de ijzige kou verslagen, waardoor het nieuwe volk geen andere keus had dan zich terugtrekken naar de vaste landen waar het vandaan kwam of zich aanpassen aan de nieuwe omgeving. Om onbekende, niet overgeleverde redenen was het niet mogelijk om naar het land van oorsprong terug te keren, dus moest het nieuw gevestigde volk zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden.
Het volk wat zich later de Verenigde Gemeenschappen der Aëri ging noemen, vestigde zich op de verschillende rotsige eilanden in het hoge noorden door de bestaande grotten te bewonen en uit te breiden toen de gemeenschappen groeiden. Ze luisterden nauw naar de natuur, hielden rekening met de kwetsbaarheid ervan, en werden beloond door inzicht in de trekpatronen van eetbaren vissen, de vondst van krabben en kreeftjes in de levenloos lijkende rotsen en de vogels die elke zomer naar een aantal eilanden kwamen om te broeden. Ze leerden luisteren naar de wind, leerden de stromingen van de zee aanvoelen, leerden in harmonie leven met de natuur. Dat was iets wat tot nu toe, nog millennia later, een groot goed was voor de Aëri.
Maar al deze jaren had niet alleen de gewoonten van de Aëri veranderd, ook hun uiterlijk was veranderd. De zee werd jaar na jaar wilder, werd elk jaar meer onbegaanbaar totdat deze na eeuwen niet meer bevaarbaar was, ook omdat de eilanden door de bewegingen van het aardoppervlak steeds verder van het vasteland kwamen te liggen, verder naar het noorden. Om niet geïsoleerd te raken, moesten de Aëri zich aanpassen. Deze verandering ging langzaam, nauwelijks opgemerkt. De zachte huid die het volk voorheen had, werd harder, werd bedekt door harde schalen om de koude wind buiten te houden. De handen en voeten veranderden in gevoelige klauwen, die zowel houvast aan de grijze rotsen konden vinden en als wapens tijdens het jagen gebruikt konden worden, als om bijna onzichtbare netten te vlechten om diepzeevissen te vangen. Om tussen de eilanden te kunnen reizen ondanks de wilde zee ontwikkelden ze vleugels en paste hun lichamen zich aan om op en met de wind te reizen tot ze volledig ontwikkeld waren tot de luchtwezens die ze tegenwoordig waren.
Ilia was altijd gefascineerd geweest door de geschiedenis van haar volk en nog meer door de overleveringen van de tijd voor de komst naar het noorden, hoewel hierover erg weinig bekend was. Ze was gefascineerd door de reden van de komst naar de eilanden, wilde weten waarom ze nooit terug konden en of er ooit een deel van hun volk was achtergebleven op het vasteland. Zouden die er nog net zo uitzien als de Aëri, voordat deze veranderden? Of hadden die zich ontwikkeld tot andere intelligente soorten? Ilia probeerde altijd de handelaren uit te horen over hun avonturen, over de volkeren aan de andere kant van het water, maar haar ouders hadden snel genoeg door dat Ilia verdween elke keer dat er een terugkeerde naar de eilanden en hielden haar sinds dat moment ver bij de handelaren vandaan. Meestal betekende dat rottige klusjes waar ze de hele dag, of soms wel meerdere, mee bezig was, of lessen van haar vader of moeder waardoor ze geen moment de mogelijkheid had even te ontsnappen. Dat snapte ze niet, tot nu toe hadden de handelaren haar nooit iets verteld wat haar schokte of wat niemand anders wist. Alle Aëri waren al bekend met de wetenschap van de watervolkeren die aan de kust of de meren in de binnenlanden leefden, of het volk wat zich Mense noemde en een groot deel van het midden van de wereld bewoonde. Maar alleen Ilia legde een onbehoorlijke nieuwsgierigheid voor deze volkeren aan de dag, onbehoorlijk omdat de Aëri hun manier van leven als de enige juiste beschouwden en een diepe minachting voelden voor alle andere volken. Behalve Ilia. Misschien dat het kwam omdat ze laat volwassen werd en haar wilde hart niet kon temmen door de rotsen af de stormachtige wind in te duiken, maar ze verlangde naar verhalen over vreemde landen, andere levenswijzen.
Als ze kon had ze na haar pubertijd een Wildtocht gemaakt, maar dat was alleen voorbehouden aan mannen en dan nog maar aan weinigen. Meestal waren het alleen de jongens die opgroeiden tot handelaar die de Wildtocht maakten, maar dat gebeurde zelden, per generatie waren er maar 1 of 2 Aëri, verspreid over alle eilanden, die de tocht maakten. Voor vrouwtjes was deze tocht taboe; ondanks dat mannetjes als gelijkwaardig aan vrouwtjes werden gezien en ook zitting hadden in de gemeenschapsraden, waren de Verenigde Gemeenschappen matriarchale gemeenschappen en werd de vrouw gezien als de bouwsteen voor de maatschappij en daardoor onmisbaar. In vroegere tijden waren de vrouwtjes superieur, maar dat was langzamerhand gesleten. Nu waren daar nog maar een paar gewoonten van overgebleven. De vrouwtjes gaven hun naam aan hun kinderen totdat deze volwassen waren en hun eigen naam verdienden, de Wildtocht was uitsluitend het terrein van de mannen en wanneer een mannetje en vrouwtje hun samenzijn officieel erkenden, vertrok het mannetje om bij de familie van het vrouwtjes te leven. Meestal op een ander eiland.
Hoewel Ilia meer dan iets anders jager wilde worden, verlangde ze diep in haar hart naar meer. Als ze had gekund had ze vandaag Olin aangesproken en geluisterd naar de verhalen van de oudere handelaar. Hij zou vroeg in de ochtend aankomen met nieuwtjes en nieuwe handelswaar, zoals hout, ijzer en bont voor de dagelijkse gebruiksartikelen en edelstenen, goud, zilver en mooi geweven wandkleden. Juist daarom moest Ilia vandaag haar tante helpen met het schoonmaken en conserveren van de vangst van de afgelopen twee dagen, zodat er voor het schrale winterseizoen genoeg voedsel zou zijn. Ze wist wel dat op dit soort dagen alle hulp nodig was om voor de echte winterkou en sneeuwstormen klaar te zijn, maar haar tante had het algemene toezicht over de werkzaamheden en zou er wel voor zorgen dat Ilia de hele dag bezig bleef. Dit betekende waarschijnlijk ook dat ze kon fluiten naar de uurpauzes die de andere hulpen wel standaard hadden, dacht ze zuchtend.
Ze had al lang geleden geleerd dat het geen zin had om tegen deze gang van zaken te protesteren, de hele gemeenschap was evenals haar ouders ervan overtuigd dat de invloed van een handelaar op kinderen die niet de zijne waren zo min mogelijk moest zijn. Zo kregen de kinderen geen rare ideeën. Maar vandaag was Ilia vastbesloten om er in ieder geval even tussenuit te knijpen, al was het alleen maar om even rust te krijgen. Ze hoefde vandaag niet perse Olin te spreken, dat zou ze snel genoeg kunnen, in het openbaar, als ze officieel volwassen was. Ze wilde gewoon even wat rust nemen; ze wist al dat alle ogen op haar gericht zouden zijn, op haar ontluikende vleugels, en dat ze het onderwerp van gesprek zou zijn als ze niet in de buurt was. Ze kon het niemand kwalijk nemen, hoe vaak had zij wel niet samen met haar vrienden geroddeld over de naam die iemand mogelijk zou krijgen of welke roeping iemand zou krijgen. Het hoorde erbij, maar het was iets waar ze nu even geen behoefte aan had, zeker niet omdat zij ook het onderwerp zou zijn! Gelukkig had ze vanacht verassend goed geslapen. De hoop die ze stilletjes had geuit toen ze Sandro naar bed had gebracht, was uitgekomen en ze had zonder woelen een heerlijke droomloze nacht gehad.
Ze schok op uit haar gedachten. Als ze niet opschoot zou ze te laat komen, en haar tante was nogal streng als het aankwam op punctualiteit. Bovendien rammelde Ilia van de honger. Ze verwachtte geen tijd te hebben om te eten voor de zon op het hoogste punt zou staan, wat betekende dat ze nu nog iets moest eten. Ze besloot vanwege tijdsgebrek niet uitgebreid te ontbijten, maar snelde langs de voorraadkast, haalde wat gedroogde repen vis tevoorschijn en at deze al lopend op.

Het was nog donker toen ze de grot uitliep, ondanks dat zou iedereen, op de kinderen na, al wakker zijn om mee te helpen. Vlak voor de winter inzette werden er verscheidene nachtjachten gehouden, welke meestal twee of meer dagen duurden en waaraan alle jagers meededen. Wanneer een jagen zijn net vol had, leverde hij deze af bij een van de voorraadkamers van de gemeenschap om vervolgens weer op weg te gaan. De dagen na de nachtjacht waren gevuld met het klaarmaken van de vangst, zodat de gehele gemeenschap voldoende voedsel zou hebben voor de winter. In de winter werd sporadisch gejaagd; de sneeuwstormen en ijswinden waren zelfs voor de van nature beschermde Aëri gevaarlijk, wat betekende dat er voor die tijd genoeg voedsel opgeslagen moest worden.
Lopend naar de bedrijvigheid zag ze dat -hoewel haar vader deze keer vroeg terug was gekomen vanwegen de goede vangst en ze de verzamelkratten en bassins vol vis, krabben en zelfs enkele zeezoogdieren zag ziten- de vangst weer minder was dan vorig jaar. Het zou waarschijnlijk nog wel genoeg zijn om de winter door te komen, maar het leek wel alsof de winter dit jaar eerder inzette dan anders en als de winden net zo lang aan zouden houden als vorig jaa zou de voorraad wel krap worden. Ze had er nog nooit echt op gelet, laat staan zich er zorgen over gemaakt, maar nu gaf het haar een knagend gevoel. Terwijl ze naar de open plek tussen de grotten liep en degenen die al aanwezig waren begroette, merkte ze ook ineens de onderliggende sfeer op. Onder alle vrolijke bedrijvigheid stroomde een soort… negativiteit,… bedruktheid. Nu ze er op afgestemd was, vielen haar ook ineens meer dingen op: ondanks de drukte was het stiller dan anders en toen haar tante Esme zich omdraaide om een begroetingskus op Ilias voorhoofd te drukken leken de lijnen in haar voorhoofd en rond haar mond dieper dan anders. De aarde keert zich tegen ons. Schoot er door haar hoofd.
Ilia onderdrukte snel de angstige voorgevoelens weg en dwong haar gezicht tot een glimlach. “Dag tante,” ze kuste eerbiedig haar tantes voorhoofd. “Wat staat er op de planning voor deze ochtend?” Na jaren meehelpen wist ze natuurlijk wel wat er gedaan moest worden, maar haar tante weer traditioneel aan iedereen de taken toe en hier er helemaal niet van als haar zorgvuldige planning in de war werd gegooid. “Goedemorgen lieverd. Je kan Amarinde helpen met het schoonmaken van de maanduikers. Je vader heeft er genoeg binnengehaald om daar wel de hele ochtend mee bezig te zijn.” Ze klonk wat afwezig, ondertussen was ze zelf begonnen met het sorteren van de gevangen, nog levende krab in de grote bassins die speciaal daarvoor uitgehold waren. “Goed tante.” Ze maakte aanstalten om weg te lopen toen het hoofd van haar tante ineens omhoog schoot, alsof ze zich plotseling iets herinnerde. “Oh Ilia, ik wilde je nog even bedanken voor het naar bed brengen van Sandro vanacht. Hij is de laatste tijd zo rusteloos, ik weet echt niet meer wat ik met hem aanmoet. Ze liet er een diepe zucht opvolgen, leek zich toen te bedenken wat ze zojuist hardop had gezegd.
Hoewel niet volledig ongepast, was het ongebruikelijk voor een volwassen Aëri om diepere gevoelens te tonen, waardoor de opmerking van haar tante bijna een blijk was van over-emotionaliteit. Er viel een ongemakkelijk stilte tussen de twee. Ilia had weinig moeite met haar tantes opmerking. Haar ouders waren voor Aërische begrippen nogal open en emotioneel en bovendien was ze zelf nog nauwelijks volwassen en had ze nog niet helemaal haar kinderlijke spontaniteit afgelegd. Bovendien weerspiegelde haar tantes ongerustheid het gevoel wat ze zelf daarnet nog had weggedrukt. Maar het sociale protocol betekende veel voor tante Esme en het was duidelijk dat ze zich geneerde. Ilia kon niet verder doorgang op de opmerking zonder haar nog meer in verlegenheid te brengen, maar ze vond het zelf onfatsoenlijk om te doen alsof ze niks gehoord had. Dus neigde ze alleen haar hoofd in erkenning en respect. Ze had kennis genomen van wat haar tante gezegd had en had het daarbij gelaten. Ze hoopte maar dat dat voldoende was. Gelukkig zag ze de gezichtsuitdrukking van haar tante wat minder gespannen worden, wat een teken was dat dit de juiste manier was geweest. Snel liep ze weg, ze wilde haar tante niet weer de mogelijkheid geven om zich te verspreken.
Het laatste stukje rende ze naar de haar toegewezen opgezette werktafel. Haar nicht Amarande had daar al de verschillende schrapers en mesjes op klaargelegd en liep nu naar een van de manden met vis die schoongemaakt moesten worden. Vruchteloos trok ze aan een van de hengsels. Hoewel ze al volledig volgroeid was, was ze klein en tenger voor een Aëri en ze was niet sterk genoeg om de zware mand naar de tafel te schuiven. De mand schoof maar hele kleine stukjes op. Zo zou het uren duren voordat de mand op de goede plek stond. Ilia schoot haar te hulp.
“Je bent laat!” hijgde Amarinde. Terwijl Ilia uit alle macht aan het hengsel van de mand trok, hijgde ze terug: “Ja, sorry.” Ze had niet de behoefte om uit te leggen wat er net gebeurd was. Ze was –voordat Amarinde volwassen was geworden en Ilia nog niet- jaren bevriend geweest, dus ze wist dat deze niet beledigd zou zijn door haar zwijgen. Dat was ze ook niet. Ze keek Ilia even indringend aan en haalde toen haar schouders op. “Ik heb alvast een mand neergezet waar we het schoongemaakte vlees in kunnen doen. Als jij deze mand tussen ons in zet, haal ik even een andere lege mand waar we het afval in kunnen doen.” Van dat afval zou een heerlijke vissoep worden getrokken en alles wat overbleef zou tijdens een volgende nachtjacht als aas dienen. Er werd zo min mogelijk weggegooid. Zelfs de grotere graten zouden apart worden verzameld om in de winterperiode gebruiksartikelen van te maken.
Na nog een paar minuten voorbereiding en klaarzetten van de verschillende manden en bakken waren beiden klaar om te beginnen. Ze waren nichtjes zowel als vriendinnen, maar hadden al lang geen uitgebreid contact gehad. Amarinde had al drie jaar geleden haar Eerste Vlucht gehad en sindsdien waren ze uit elkaar gegroeid. De oude vertrouwdheid was echter snel weer hersteld, mede door Ilia’s veranderende status, en al snel waren ze druk aan het kletsen. Ilia werd daarbij vooral op de hoogte gebracht van de meest recente ontwikkelingen –en dan met name roddels- over alle jongvolwassenen, in het bijzonder de mannetjes. De vissen schoten in de tussentijd snel tussen hun handige vingers door. Ilia keek met iets van jaloezie naar Amarindes kleine, tengere vingers. Vliegensvlug ontdeden deze een vis van zijn schubben door middel van de daarvoor bestemde schraper op vervolgens met een paar halen van haar scherpe mesje de ingewanden en graten te verwijderen. De kop werd er met één snee vanaf gehaald. De staart liet ze zitten om het ophangen aan de droogrekken later te vergemakkelijken. Het afval gooide ze zonder nadenken direct in de juiste mand. Dit alles in een paar seconden leek het wel. Ilia wist ook wel hoe dit gedaan werd, maar zij maakte maar één vis schoon in de tijd dat Amarinde er drie deed.
Dat was ook niet verwonderlijk; Amarindes roeping had haar drie jaar geleden onder de leiding van haar eigen moeder gebracht, die toen –en nu ook nog- samen met nog een vrouwtje en twee mannetjes verantwoordelijk was voor het bijhouden en aanvullen van de voorraad levensmiddelen, en dus ook het klaarmaken daarvan. Dat betekende vooral in de maanden voor de winter veel werk, waardoor Amarinde door alle routine een snelheid had ontwikkeld die Ilia waarschijnlijk nooit zou evenaren. Maar Amarinde leek het geen probleem te vinden dat ze zelf het grootste gedeelte van de vis wegwerkte.
Tegen het einde van de ochtend hadden ze samen alle maanduikers schoongemaakt en de graten, ingewanden en schone stukken vlees in aparte bakken gesorteerd. Bovendien was Ilia weer volledig op de hoogte van alle belangrijke ontwikkelingen en voelde ze zich tevreden vanwege het hernieuwde contact met haar oude vriendin. Tante Esme had ze al laten weten dat ze even een pauze konden nemen. In de middag zouden ze verantwoordelijk zijn voor het schoonmaken van de krabben, dus spraken ze met elkaar af elkaar bij de bassins weer terug te zien. Ze sloeg het aanbod van Amarinde af om samen wat te gaan eten. Ze was nu oe en haar vleugelstompen jeukten onophoudelijk. Het leek wel alsof ze ze voelde groeien. De behoefte om even alleen te zijn was bijna overweldigend. De zon stond al hoog aan de hemel en veel van de Aëri die vandaag meewerkten hadden al een pauze genomen, wat betekende dat Ilia even een half uur heerlijk voor zichzelf had.
Ze besloot even uit te waaien. Ze klauterde langs het smalle pad dat langs de hele hoogte van het eiland circelde tot ze op de hoge vlakke plaats kwam waar de Aëri meestal opstegen en landden. De rots piekte nog hogen, maar het hoogste punt was alleen toegankelijk voor enkele leden van de gemeenschapsraad.
Ze liep naar de rand van de rots. Ze keek oplaag, langs de ruwe wand naar beneden, naar de woeste zee in de afgrond. Beneden haar beukte het woeste water tegen de lichtgrijze steen, het donkere, bijna zwarte water opspattend in witte schuimkoppen. Het waaide harder dan gewoonlijk, waarschijnlijk een voorbode van de vroege winter. Ze kon de vochtigheid van de sneeuw al bijna in de wind ruiken, hoewel ze zich ook afvroeg of ze zich dit niet alleen maar verbeeldde. Het zou nu nog veel te vroeg zijn voor een sneeuwstorm, zelfs vergeleken bij vorig jaar. Ze rukte haar blik van het schuimende water en keek naar de horizon, naar de zwarte en grijze puntjes van de eilanden in de verte, verder naar het zuiden. De wind rukte aan haar lichaam; automatisch reageerde ze door naar voren in de wind te hangen en haar vleugels uit te spreiden. Het verlangen om de wind onder haar vleugels te vangen en van de rots af te springen was ineens overweldigend en met moeite trok ze zich wat terug van de rand. Als ze nu al van het platform zou springen zou ze zeker weten dood zijn, zeker met het lage water beneden. Toch wilde ze nog niet weg, ze had nog even pauze en het voelen van de wervelende wind gaf haar –ondanks dat ze er niet aan kon toegeven- een gevoel van vrijheid. Nog even, dacht ze, nog heel even.

Na een tijdje in de verte gestaard te hebben, draaide ze zich op. Toen ze haar hoofd ophief, zag ze ineens iemand staan. Een jong mannetjes stond bovenaan de smalle trap waarmee zij net ook naar boven gekomen was. Ze wist wie hij was. Hij was geen lid van deze gemeenschap, maar van de meer zuidelijke Stani-gemeenschap. Zijn grootouders van zijn vaders kant woonden hier op dit eiland en hij was overgekomen om ze een paar dagen te bezoeken, herinnerde ze zich. Hij was haar al eerder opgevallen; hij had een lang en soepel lichaam en een knap, scherp gesneden gezicht. Zijn schubben waren een donkere kleur grijs, als een dreigende omweerswolk. Hij stond naar haar te kijken, ze had geen idee hoe lang al. Ze bloosde en haastte zich snel langs hem heen de trap af, een onverstaanbare groet mompelend. Bari, herinnerde ze zich zijn naam. Ze proefde zijn naam op haar tong: “Bari, Bari, Bari.” Met haar hoofd ineens een stuk lichter vloog ze naar beneden de trap af.

De middag vloog voorbij. Vooral tegen het einde van de middag, toen de meest vis hing te drogen en de wind de dikke rookwolken van de droogvuren van het eiland af blies, waren de meeste Aëri klaar met de werkzaamheden van de dag en groepten samen om nog even na te praten. Ilia werd overal bij betrokken, zelfs toen ze nog bezig was om de laatste viezigheid van de tafel te vegen. Toen ze zich bukte om de resten op de grond op te ruimen, zag ze een paar dinkergrijze klauwen en kuiten voor te tafel verschijnen. Met een ruk schoot ze omhoog, haar hoofd hard stotend tegen de onderkant van de tafel. Zacht vloekend kwam ze omhoog. Ze leegde haar handen en wreef vervolgens over haar achterhoofd. Het zou een stevige bult worden, maar het bloedde in ieder geval niet. Ze durfde de nieuw aangekomen bezoeker nauwelijks aan te kijken, tot ze hem grinnikend “Hoi Ilia.” Hoorde zeggen. Toen ze hem aankeek, voelde ze haar gezicht gloeien en haar hele lichaam werd warm. Waarschijnlijk was haar hele lichaam knalrood geworden, gelukkig dat dat door haar schubben niet te zien was! Uiteraard was het Bari die voor haar stond. Haar ongemak en verlegenheid leken hem vreselijk te amuseren en hij deed weinig om haar meer op haar gemak te stellen. Waarschijnlijk werd hij dagelijks geconfronteerd met giechelende en blozende meisjes; wat Ilia had gehoord van Amarinde had hij hordes met vrouwtjes achter zich aan. Hij had zich echter nog aan niemand gebonden, wat Ilia een hoopvol teken vond. Ze hadden in de voorgaande dagen niet echt met elkaar gepraat, maar hun ogen hadden elkaar wel al een paar keer gevonden. En een Herkenning had tenslotte niet meer nodig, dacht Ilia naïef.
“Heb je even tijd om mee te lopen?” Hij keek haar vragend aan. Om haar verwarring te verbergen pakte ze een doek om haar handen mee schoon te maken en begon ze grondig schoon te wrijven. “Ehm… ja. Wacht heel eventjes hoor.” Ze schoof even naar Amarinde en fluisterde: “Kan je dit even van me overnemen? Ik moet… eh… even weg.” Amarinde schoot in de lach en wierp een veel betekende blik op Bari. “Tuurlijk mazzelaar. Succes he!” Zo luid dat Bari het makkelijk zou kunnen verstaan, zelfs al zou hij niet zijn best doen om te luisteren. Ilia’s al rode kleur verdiepte zich tot een bijna donkerpaars. Bari stond te grijnzen. “Let maar niet op haar,” zei Ilia, “ze weet niet beter. Waar wilde je heen?” Hij greep haar hand vast en trok haar de trap op naar het bovenliggende platform. Het was rustig boven, hoewel ze wel een paar Aëri in de lucht zagen circelen, doelloos zwevend.
Het bleef even stil en Ilia kreeg het idee dat hij helemaal niks meer zou zeggen. Maar toen hij wel wat zei, was het zonder aarzeling of verlegenheid. “Ik weet dat we niet echt gepraat hebben de afgelopen paar dagen, maar je bent me wel opgevallen. En ik had het idee dat ik jou ook was opgevallen.” Ilia wist even niet waar ze kijken moest, ze had gedacht dat ze zo onopvallend was geweest. Ze besloot niks te zeggen. Toen hij doorkreeg dat ze verder geen reactie zou geven, schraapte hij even zijn keel en ging toen verder. “Morgen ga ik weer terug naar Stani. Ik had graag nog wat tijd hier doorgebracht, maar je weet dat de winter er aankomt. Ik hoopte dat als de winter voorbij is en je je kennismakingsreis gaat maken, je nog even aan mij wilt denken.” Ze was met stomheid geslagen. Hij wilde nog wat tijd hier doorbrengen… met haar? Bedoelde hij dat? Zeker zou ze eraan denken om hem te bezoeken tijdens haar kennismakingsreis. Elke pas volwassen geworden Aëri ging tijdens die reis alle eilanden af om oude familieleden en kennissen te bezoeken en indirect ook om een partner te zoeken, hoewel dat niet altijd direct tijdens de eerste reis gebeurde. Hoewel zo’n reis normaal gesproken in de eerste maand na de Eerste Vlucht zou gebeuren, moest Ilia wachten tot na de winter. Het idee dat ze nu nog drie maanden moest wachten, stond haar opeens vreselijk tegen. Ze besefte dat hij nog op een antwoord wachtte. “Ja, natuurlijk! Ik bedoel… ik zal je zeker bezoeken wanneer ik mijn reis maak.” Ze hoopte maar dat ze niet te wanhopig klonk. Hoewel hij niet zichtbaar gespannen was geweest, zag ze zijn schouders wat meer ontspannen naar beneden zakken. “Gelukkig. Ik moet nu weg, ik heb beloofd mijn grootouders nog even op orde te helpen voor de winter, dus ik zal je niet meer zien. Ik kan niet wachten tot na de winter.” Hij bracht haar hand even voor zijn mond en blies zachtjes over haar hand, het algemene gebaar van affectie. Toen liet hij haar hand los en liep weg. Maar goed ook, vond Ilia, want ze wist gewoon niet meer waar ze kijken moest. Haar hart klopte in haar keel en fladderde tegelijkertijd in haar maag. Dit moest wel een Herkenning zijn, waarom zou ze zich anders zo voelen!
Toen ze weer beneden kwam stond Amarinde haar onder aan de trap al op te wachten. Ze greep enthousiast Ilia’s arm. “Ik zag hem weglopen en ik was zo benieuwd! Wat zei hij? Nee wacht laat maar, ik zie al genoeg aan je stralende gezicht!” Ze gaf Ilia een stevige omhelzing. “Wat hebben jullie afgesproken?” Ilia vertelde haar wat er gezegd was. “Dus na de winter zien jullie elkaar weer?” Ilia knikte. “Geweldig! Ik ben zo blij voor je!” riep Amarinde. “Kom, dat moeten we vieren!” Ze trok Ilia mee. Binnen een mum van tijd zaten ze samen met een aantal vrienden van Amarinde –en oud-vrienden van Ilia- in de familieruimte die Amarinde normaal gesproken deelde met haar partner. In het midden knapperde het haardvuur gezellig en de sfeer was warm door onderling kameraadschap en de rondgaande zak burqouse. Het was een van de weinige producten die van het vasteland kwamen die geen noodzaak waren, maar die echt gewaardeerd werden. De romige, alcoholhoudende drank was altijd een heerlijke manier om de maag in de winter warm te houden, hoewel wel een dure manier en dus spaarzaam gedronken. Maar deze dag was lang geweest en gevuld met hard werken, dus de burqouse vloeide rijkelijk. Gezien de geluiden die uit andere familieruimtes kwamen, waren zij niet de enige die de dag met wat ontspanning afsloten. De avond –en zelfs het grootste gedeelte van de daarop volgende nacht- ging ongemerkt voorbij, ondanks dat morgen het verdere drogen en klaarmaken van de voorraad nog veel werk zou zijn. Intevreden, maar ook invermoeid, schuifelde Ilia dan ook naar haar bed en viel direct in slaap.

Uiteraard had ze ‘sochtends spijt van haar uitspatting. Naast een fikse vermoeid en een stevige hoofdpijn, waren haar ouders er ook helemaal niet blij mee dat ze de nacht was verdwenen zonder iets te zeggen. Er werd haar duidelijk gezegd dat ze nu nog niet volwassen was en tot die tijd nog verantwoording aan hun had af te leggen. Schuldbewust knikte ze. Ze moest eerlijk zeggen dat ze er gisteren helemaal niet meer aan had gedacht om haar ouders te laten weten waar ze was. Het was een relatief klein eiland, dus daar was makkelijk achter te komen, maar fatsoenlijk was het zeker niet. Het werd tijd dat ze zich nu ook als een volwassene ging gedragen, nam ze zichzelf plechtig voor.
De dag was druk en ging in een waas voorbij. De dagen daarna gingen al even snel. De gemeenschap had het druk; de vochtigheid die Ilia eerder in de lucht meende te ruiken was geen hersenspinsel geweest, de winter begon in dit jaar uitzonderlijk vroeg. De eerste sneeuwbui was al gevallen in de nacht dat Ilia en haar nieuw-hervonden vrienden de zak burqouse soldaat hadden gemaakt. Het was geen hevige sneeuwbui geweest en de gevallen sneeuw was niet blijven liggen, maar het was een duidelijk teken dat de herfst nu definitief voorbij was. De wintervoorbereiding schoot in een versnelling. De voorraad brandhout bleek niet voldoende te zijn nu de winter bijna een maand eerder begon, deze was al krap geweest als er een normale winterperiode overbrugd moest worden. Dit betekende dat Olin snel naar het vasteland moest om meer van het kostbare hout te halen. De vastelanders wisten dat de eilanden van de Aëri nagenoeg boomloos waren en rekenden daarom –zeker in het koude seizoen- erg hoge prijzen. Maar de winter werd bijna volledig doorgebracht in de grotten, dus het hout was broodnodig. Zelfs de momenten dat het weer het toestond om op de centrale binnenplaats bijeen te komen, zou het te koud zijn zonder een aantal vuren op strategische plaatsen.
Olin zou haast moeten maken als hij voor de extreemste stormen alle eilanden van het extra hout moest voorzien. Vanochtend was bericht gekomen dat de andere twee handelaren van het volk al onderweg waren naar het vaste land. Olin besloot niet alleen te gaan en twee sterke mannen mee te nemen om zo meer hout in één vlucht te vervoeren.
In alle hectiek had Ilia geen kans gezien om Bari gedag te zeggen, die ondertussen weer was vertrokken naar zijn geboorte-eiland. Ze wist niet helemaal of ze daar teleurgesteld of opgelucht over was. Waarschijnlijk alletwee een beetje. Veel tijd om daaraan te denken had ze trouwens niet, aangezien ze meehielp om de grotten volledig winterklaar te maken. Gelukkig betekende dat ook dat ze geen tijd had om zich te irriteren aan haar jeukende vleugels en dat ze ‘savonds zo uitgeput was dat ze meteen –zonder woelen- in slaap viel. Ze was dan ook verbaasd toen haar moeder aan het eind van de week tegen haar zei dat het ondertussen wel tijd was om een dat vast te leggen voor haar Eerste Vlucht. Bijna ongemerkt hadden haar vleugels zich volledig ontvouwen. Ze boog haar rechtervleugel naar voren en streek met haar linkerhand over de harde, gladde bovenkant. Daarna gleed haar hand over de huid tussen de baleinen. Deze was nog zacht en gevoelig. Maar haar moeder had gelijk; haar vleugels zouden één dag, misschien nog twee, nodig hebben om uit te harden, maar meer niet. Nu zou haar moeder naar de gemeenschapsraad moeten gaan om officieel een tijdstip voor de Eerste Vlucht vast te stellen. De gemeenschapsraad zou haar vleugels inspecteren op de dag zelf en ze zou een aantal reinigingsrituelen moeten ondergaan voordat ze op mocht stijgen. Het was een formele, maar ook feestelijke gebeurtenis die door de hele gemeenschap bijgewoond zou worden.
Ondanks al haar ongeduld maakte die gedacht Ilia toch wat nerveus. Wat als ze zou om wat voor reden ook niet goed zou kunnen vliegen? Of erger nog, dat ze zelfs zou neerstorten? Het was nog nooit voorgekomen, kreupele of te zwakke Aëri werden bij de officiële inspectie al tegengehouden. Deze moesten oefeningen doen tot ze sterk genoeg waren om hun Eerste Vlucht te kunnen afleggen. Wanneer bleek dat iemand zodanig misvormd was dat hij of zij nooit zou kunnen vliegen –wat de afgelopen decennia zover Ilia wist nog maar één keer was voorgekomen- werd er alleen een naamgevingceremonie gehouden om de volwassenheid vast te leggen. Ilia kon zich goed voorstellen dat de stemming dan een stuk bedrukter zou zijn!
Wanneer iemand door de inspectie kwam, ging de Vlucht eigenlijk altijd zonder grote problemen; bijna alle Aëri wisten direct al gevoelsmatig hoe ze de windstromen konden gebruiken en bij de rest volgde dat snel door ervaring. Over grote problemen maakte Ilia zich ook niet echt zorgen, het was eerder dat ze doodsbang was voor die kleine foutjes die haar zouden laten blunderen, zoals struikelen bij het landen of iets dergelijks. Waarschijnlijk was ze zo zenuwachtig, dacht ze wrang, dat ze spontaat zou vergeten dat ze met haar vleugels moest wapperen om in de lucht te blijven. Dat ze de rest van haar leven Ilia Vleugellam genoemd zou worden. Als ze zo’n eerloze naam zou krijgen zou ze zich zonder aarzelen de rots af de zee instorten!
“Ilia, kijk niet zo angstig.” Blijkbaar waren haar gevoelens duidelijk zichbaar geweest op haar gezicht, haar moeder had ze in ieder geval feilloos gelezen. Ze maakte een mentale aantekening dat dit weer een kinderachtig vertoon van emotie was en dat van nu af aan ze haar gezicht meer in bedwang moest houden. Haar moeder Nena sloeg een slanke arm om Ilia heen en drukte haar even tegen zich aan. Ilia was een handbreedte groter dan haar moeder, maar het gebaar maakte toch dat ze zich wat geruster voelde. “Het zal allemaal wel goed gaan. Draai eens om.” Ilia gehoorzaamde geduldig en liet haar vleugels onderzoeken. “Ik zal voorstellen na drie zonsopgangen je Vlucht te laten plaatsvinden, dan is je vlies zeker wel uitgehard. Wat vind je daarvan?” Over drie zonsopgangen? Dan zou ze de komende drie nachten zeker niet kunnen slapen! “Lijkt me prima.” “Goed, dan ga ik meteen naar de raad om toestemming te vragen en alle benodigdheden te regelen.” Haar moeder leek nog opgewondener te zijn dan Ilia zelf, een van de blijken van over-emotionaliteit waar ze om bekend stond. Voordat ze de ruimte uit liep, nou ja, bijna rende, knuffelde ze Ilia nog even stevig en fluisterde in haar oor: “Ik ben zo trots op je! Niets wat er zou kunnen gebeuren tijdens je Vlucht kan dat veranderen!” Ze plantte een kus op het voorhoofd van haar dochter en stormde naar buiten. Niemand anders in de grot had haar gefluisterde woorden gehoord, maar Ilia had ineens het gevoel dat de donderwolk boven haar hoofd was opgeklaard. Haar moeder mocht dan volgens het sociale protocol een slecht voorbeeld zijn, Ilia had dat voor geen goud willen veranderen. Zeker nu niet. Ze ging – een laatste diepe zucht latend- weer aan het werk, waar ze door een paar anderen zachtjes alvast werd gefeliciteerd. Het hoofdschudden waarmee ze haar moeder hadden bekeken had gelukkig geen invloed op wat ze van haar dachten.

Het verzoek voor haar Eerste Vlucht werd met gepast enthousiasme ontvangen. De belangrijkste dag in haar leven zou nog voor de winterperiode plaatsvinden. Dat was voor Ilia een opluchting, maar ook voor de gemeenschap goed. Juist voordat de donkere periode begon zou het goed zijn om een feest te hebben. De dag werd vastgelegd en de voorbereidingen voor het feestmaal werden al begonnen. Er zou alleen vers voedsel zijn, mede om de voorraad niet uit te putten, dus de jagers draaiden overuren.
Zo snel als dat de afgelopen dagen waren gegaan, zo langzaam leken de twee en een halve dag voor haar volwassenheidceremonie te gaan. De tijd leek vooruit te kruipen en ongeacht hoe druk ze het had, haar gedachten bleven afdwalen. Hoe zou het zijn om eindelijk te vliegen? Wat zou haar volwassen naam worden? En haar roeping? Deze vragen en vele anderen hielden haar bijna continu bezig. Ze lag nu ‘snachts niet meer wakker vanpijn of jeuk –sinds haar vleugels aan het uitharden waren had ze daar geen last meer van- maar van het piekeren. En hoewel het een eeuwigheid leek te duren, brak de bewuste dag eindelijk aan.
Het zou een heugelijke dag worden en eerlijk gezegd niet alleen vanwege haar Vlucht. Een van de jagers had namelijk de dag daarvoor thuisgekomen met een uitzonderlijke buit: een walrus. Gezien zijn omvang moest het al een oud mannetje zijn die was afgedwaald, of misschien verstoten. De beesten waren een ware delicatesse en het vet kon goed gebruikt worden. Over het algemeen was de eilandenarchipel van de Aëri veel te koud voor de dieren en hadden ze hun vaste verblijfplaats veel verder naar het zuiden, aan de vastelandkust. De moest flink zijn verdwaald. De jager, Tuk, vertelde dat hij hem half versuft en bevroren midden op zee had aangetroffen en het normaal gesproken gevaarlijke dier met de lange slagtanden was een makkelijke prooi geweest. Ze hadden het enorme dier met dire jagers terug naar het eiland moeten brengen, zo zwaar was het. Tuk werd overladen met complimenten, dit zou werkelijk een geweldig feestmaal worden.
Ilia stond iets buiten de cirkel die zich rondom het dier en Tuk had gevormd. Haar vader was een van degenen die Tuk complimenteerden voor zijn scherpe zicht. Tuk nam de complimenten stoïcijns en met af en toe een hoofdknik in ontvangst, zoals betamelijk, maar het was aan zijn houding duidelijk te zien dat hij straalde onder alle aandacht. Ilia’s vader zag haar kijken en knipoogde even. Ze was het met hem eens, dit moest wel een goed voorteken zijn.

De dag van de ceremonie begon vroeg, nog voor de zon was opgekomen. Samen met haar ouders liep ze naar het vertrek waar de gemeenschapsraad samenkwam, aan de basis van de hoge rotspiek. Het inspecteren van de vleugels was een aangelegenheid die alleen de directe familie aanging, aangezien het aanraken van iemands vleugels als erg intiem werd gezien wanneer het niet om familieleden ging. Ilia had alleen haar ouders. Tot hun spijt had ze er nooit een broertje of zusje bij gekregen, hoewel dit wel een grote wens was geweest. Samen met de vijf raadsleden vormden ze dan ook een de kleine groep die de eerste ceremonie van de dag zou bijwonen.
De drie vrouwtjes en twee mannetjes die de raad vormden kwamen voor haar staan. De oudste van de vrouwtjes. Mena, deed een stap naar voren. Zij was al zolang Ilia zich kon herinneren het hoofd van de gemeenschap en daarom belast met de inspectie. Het was een vriendelijke, zachtaardige vrouw en Ilia liet haar in vertrouwen het onderzoek beginnen. Ze voelde hoe tegen de aanzet bij haar schouders werd geduwd, zonder er bij na te denken gaf ze tegenkracht. De oude, reumatische handen van Mena gingen verder. De stevigheid van het vlies, het draagvlak tussen de baleinen werd bevoeld op sterkte, de baleinen zelf op flexibiliteit. De nagel die boven de uitloop van de baleinen zat en de duim werd genoemd werd bekeken om de juiste stand te beoordelen. Terwijl Ilia zich concentreerde op de handen die tot in details haar vleugels verkenden, schoot haar ineens te binnen dat de vastelanders het in vroegere tijden ‘vleermuisvleugels’ noemden. Dat zou ze wel van Olin gehoord hebben. Ilia had geen idee wat een vleermuis was, maar ze vond het fascinerend om te weten dat er meer wezens waren met soortgelijke vleugels.
Na een tijdje schuifelde Mena naar achteren en vroeg Ilia haar vleugels uit te spreiden, wat ze deed. Ze waren niet zo lang als die van haar vader, maar hadden toch bijna een spanwijdte van 3 meter. Ze hoorde de raadsleden onderling wat mompelen toen Mena weer bij ze ging staan, voor Ilia. Haar ouders werden gewenkt om aan weerszijden naast haar te komen staan. Mena vouwde haar handen samen en verkondigde in de officiële woorden: “Ilia à Nenadar del Aëri Lagan, de gemeenschapsraad van het eiland Laga van de Verenigde Gemeenschappen der Aëri heeft besloten je toe te staan om de ceremonieën voor de Eerste Vlucht naar Volwassenheid voort te zetten. Gefeliciteerd.”
Pas toen ze haar adem uitblies merkte ze dat ze hem had ingehouden. Ze had wel verwacht dat alles goed zou zijn, maar onbewust had de spanning toch bezit van haar genomen. Opgetogen keek ze naar haar ouders toen deze voor haar uit de grot uit liepen. Haar moeder keek ook opgelucht, haar vader zag eruit alsof hij nooit enige twijfel had gehad. Maar Ilia wist ook dat de echte beproeving nog moest komen.
De rituele wassing was iets waar Ilia zich nog nooit echt in had verdiept. Het hoorde bij het ritueel voor volwassen worden, het afwassen van het kind zijn, maar dat werd in de verhalen van anderen altijd overschaduwd door de echte vlucht zelf, het gevoel van vliegen. Het was iets waar ze zelf ook niks voor hoefde te doen. Het was traditie dat een moeder haar kind in het traject begeleide, voor haar een manier om haar kind los te laten en de laatste minuten van kind zijn mee te maken. Vaak werd dit moment ook gebruikt om een kind voor te bereiden op het volwassen leven met een partner, hoe een man of vrouw te behagen. Ilia’s moeder Nena had het altijd onzin gevonden om daarmee te wachten tot het laatste moment, dus was het voor haar niet nodig Ilia hierover te informeren. Het ritueel werd dan ook afgewerkt in een stilte die bijna sereen aandeed. Nena wreef Ilia zorgvuldig in met een speciale zoutmix, welke werkte als een mild schuurmiddel om de schubben volledig schoon te krijgen en te laten glanzen en spoelde dit af met volle emmers lauw water. Daarop volgde het standaard baadritueel wat Ilia alleen zou doen terwijl haar moeder zou wachten in de droge ruimte voor de stoomkamer. Voordat Ilia plaatsnam zette Nena nog een mandje op een stellage boven het stoomgat. Voordat Nena naar de andere ruimte liep, zei ze nog tegen Ilia: “Doe je ogen dicht en concentreer je op wat je ziet. Dit is jouw toekomst, voor jou alleen. Geef je er aan over.” Ilia snapte niet goed wat haar moeder probeerde te zeggen, maar ze was al weg voordat ze er naar kon vragen. De ruimte werd bijna onmiddellijk gevuld met de frisse, prikkelende geur van het spleetmos en Ilia’s hoofd werd meteen helderder en haar zenuwachtigheid verminderde merkbaar.
De kruiden in de mand werden alleen voor deze ceremonie gebruikt en waren erg zeldzaam. Voor zover bekend was groeiden ze alleen op de eilanden van de Aëri en dan maar spaarzaam. Het was een mosachtig kruid met een sterke, bedwelmende geur. Het werd gezegd dat het visioenen opriep. Het gezegde kwam in haar naar boven en opeens werden de woorden van haar moeder duidelijk. Ze zou een visioen krijgen wat licht zou werpen op haar toekomst! Dat werd bevestigd toen ze de wereld om zich heen voelde vervagen. Ze deed wat haar moeder had gezegd en sloot haar ogen.
Opeens zat ze in een ander lichaam, keek ze door de ogen van een ander. In haar hoofd hoorde ze de woorden: “Help me, ik heb je nodig. Jou en anderen. Help me alsjeblieft.” Ze zag de gezichten van vreemde wezens voor de ogen van de vreemde in wiens lichaam ze zat. Ze voelde een oneindige wanhoop en verwardheid. “Help me, luchtwezen…. Ik kan niet meer…, niet lang meer…” Ze voelde de pijn die het wezen voelde, ze zag de toekomst die het wezen zag. Een verwoestte wereld, een dode wereld, volledig onleefbaar. Ze wist dat ze moest helpen, anders was alles verloren, ook haar volk. Zonder er bij na te denken gaf ze antwoord en ze hoorde haar stem echoën in de lege ruimte wat haar visioen was: “Ik zal helpen, ik weet niet hoe, maar ik zal helpen.” Met een schok werd ze uit het andere lichaam haar eigen werkelijkheid in geworpen. Ze was zeker dat dit niet zomaar een normaal visioen was geweest, dit was echt geweest. Ze wist dat de ze belofte die ze had gedaan, niet meer kon breken en dat wilde ze ook niet. De dode wereld die ze had gezien had haar diepste afschuw weten op te wekken. Hoe zij kon helpen, nauwelijks nog volwassen, was haar een raadsel, maar ze moest de roep om hulp serieus nemen.
Haar hart klopte in haar keel, maar de geur van de kruiden kalmeerde haar, hoewel ze geen tweede visioen opwekten. Gelukkig. Het intense gevoel van de droom verzwakte en Ilia’s focus werd weer teruggebracht naar het heden en de ceremonie van vandaag. Alleen de zekerheid van verandering bleef achter in haar botten. De droom had haar uitgeput. Ze begon te soezen en viel bijna in slaap tot haar moeder haar seinde dat het bijna tijd was. Ze sloot af met het koude dompelbad en ontmoette Nena weer in de droge ruimte. Zorgvuldig werd ze afgedroogd, van de klauwen aan haar voeten tot aan de platte schalen die haar hoofd bedekten en de punten van haar lange smalle vleugels. Daarna werd ze ingesmeerd met een zachte olie die zoet geurde naar rotsklaver. Ze keek naar zichzelf in de kostbare zilveren spiegel. Hij liet haar volledige spiegelbeeld zien en terwijl haar moeder haar voorzichtig insmeerde had ze de kans om zichzelf voor het eerst echt te bekijken als volwassene.
Ze was lang voor een vrouwelijke Aëri en gespierd en net zo slank en gestroomlijnd gebouwd als haar soortgenomen, met smalle heupen en kleine borsten. Haar gezicht was fijn gesneden, met grote ernstige ogen in de barnstenen kleur die kenmerkend was voor haar volk. De scherpe ogen van een jachtvogel. Haar mond was klein, met volle lippen en kleine scherpe tanden. Het meest opvallende was echter haar kleur. In een volk waarbij de lichaamskleur alle variaties van de hemel liet zien, van donker zwartgrijs tot het helderste blauw, viel ze op met een bijna lichtgevend ijsblauw, een kleur zo licht dat het bijna wit was. Alleen de langgerekte schubben op haar hoofd, haar nagels en de ovale vormen die de randen van haar lichte vleugels sierden hadden de lichtblauwe kleur van een windstille zomerhemel. Ze kon zichzelf niet tegenhouden toen ze tegen haar spiegelbeeld glimlachte, ze was opvallend mooi.
Haar moeder betrapte haar erop en er verscheen ook een glimlach rond haar lippen. Nena ging voor haar dochter staan om tot slot haar gezicht in te smeren. Nu keek Ilia in een gezicht wat over zo’n 20 jaar haar eigen gezicht zou kunnen zijn, behalve de donkerdere blauwe kleur van haar moeders huid. Ze had haar lichaamsbouw misschien dan wel van haar vader, haar gezicht had haar moeders spiegelbeeld kunnen zijn. Ilia merkte dat haar moeder haar aan bleef kijken, ook al voelde haar gezicht al glad van de olie. Ze bekeek haar dochter onderzoekend alsof ze iets zag wat ze voorheen niet had gezien. Ze legde haar handen aan weerszijden van Ilia’s gezicht en kuste haar plechtig op haar voorhoofd. Haar ogen glinsterden verdacht toen ze Ilia weer aankeek. Een hoog gefluit klonk van buiten. “Kom donderwolkje, het is tijd. Het is tijd om de lucht te veroveren.” Ilia knikte en liep zelfverzekerd naar buiten, gevolgd door Nena. Met haar visioen en haar belofte in haar achterhoofd leek een Eerste Vlucht opeens niet zo eng meer en ze voelde alleen nog een tintelende verwachting. Eindelijk was het zo ver.
Ze moest even haar ogen dichtknijpen toen ze de open licht in kwam, de zon was ondertussen al opgekomen en scheen tussen de pieken van het eiland door. Ze liepen stevig door de trap op naar het bovenliggende platform. Alle gemeenschapsleden hadden zich hier verzameld, uitgezonderd de raad, die zou van boven op hun gewijde plek op de hoogste piek haar Vlucht aanschouwen. Niemand was opgestegen, het luchtruim was volledig voor Ilia vrijgemaakt. Aan weerszijden van het platform stonden haar gemeenschapsgenoten, een deel van het platform was vrij zodat ze meteen zou kunnen opstijgen. Er kwamen nu geen officiële woorden om de ceremonie in te luiden. Terwijl ze langs de menigte liep, fluisterden ze haar toe: “Goede vlucht.” “Laat de winden je voorspoed brengen.” “Vlieg wel.” Opeens hield ze het niet meer, ze begon te rennen naar de rand. Zonder aarzelen dook ze met gespreide vleugels de leegte in.
Even was er een moment niks en leek ze stil te hangen, toen kwam de wind onder haar vleugels en zwiepte haar de hemel in. Het was een stormachtige dag, met woeste rukwinden die de zee opstuwden tot hoge golven. Ilia liet zich op de windstromen drijven, liet de wind haar richting bepalen. Dus zo voelde het om echt vrij te zijn! Haar hart leek te groot te zijn voor haar borst en de tranen stroomden over haar wangen. Ze was vrij, ze was nu echt helemaal vrij! De wens om volwassen te zijn, waardoor ze niet had kunnen wachten op haar Eerste Vlucht, leek ineens zo kinderachtig vergeleken bij dit gevoel. Het gevoel een te zijn met de wind, met de wereld. Ze was compleet.
Ze vloog wat dichter terug naar het eiland toen ze werkte dat ze verder was afgedwaald dan haar bedoeling was. Ze liet zich door de wind omhoog brengen. Onder zich zag ze de zee kolken. Hoewel de Aëri een instinctmatige afkeer hadden van het water, aangezien ze door hun vleugels slecht konden zwemmen en hun schubben ze niet beschermden tegen het koude water, waren de golven onder haar ontzettend mooi om te zien. De zee was zoveel mooier vanuit de lucht dan vanaf het land. In een opwelling klapte ze haar vleugels samen en dook schuin naar beneden, richting een aanrollende golf. Vlak voor de golf, voor het punt dat hij oversloeg, spreidde ze haar vleugels weer en schoot door het water heen de lucht weer in. Het koude water prikte in haar ogen en prikkelde haar gezichtshuid. Alleen door de lange duikvlucht had ze genoeg snelheid gehad om door de golf heen te breken zonder dat deze haar naar beneden had getrokken. Ze gilde in opwinding en lachte luidkeels toen ze met stevige vleugelslagen weer de hoogte in klom. Ze bleef nog even rond zweven om het water zoveel mogelijk te laten drogen en vloog toen weer richting het eiland.
Ze wist niet hoe lang ze in de lucht was gebleven, maar de voltallige gemeenschap stond nog steeds op haar te wachten. Toen ze landde begonnen ze te klappen, waarschijnlijk had haar duikvlucht een geweldig spektakel geboden. Ze had een grijns op haar gezicht die ze maar niet kon laten vallen en die bijna nog breder werd met alle felicitaties vanwege haar geslaagde vlucht. Ze had het gevoel alsof ze de hele wereld aankon, alsof ze alles kon wat er van haar gevraagd werd. Alle zenuwen die ze vanochtend nog mocht hebben gehad, zelfs het ongemakkelijke gevoel vanwege haar vreemde visioen, alles wat de toekomst voor haar in petto had zou ze zonder klagen accepteren. Ze maakte zich dan ook helemaal geen zorgen over haar naamgeving en de toekenning van haar roeping.
Zodra ze geland was werd ze weer geflankeerd door haar ouders, haar vader aan haar linkerzijde, haar moeder aan haar rechter. Samen begeleidden ze haar naar de ingang van de grot die de toegang vormde tot de lange ingehakte gang naar de top van de rotspiek. Dit was de enige maal in het leven van een Aëri dat deze de heilige plaats van de raad mocht betreden. Ilia wilde alleen naar binnen lopen, maar werd tegengehouden door een van de mannen van de raad. Hij gebaarde naar haar ouders. Ze konden hem niet verstaan, zagen alleen dat hij nee schudde toen Ilia een gebaar maakte en hij naar hen gebaarde. Ilia draaide zich om en liep naar Nena en Andras toe, een en al verwarring op haar gezicht. “Jullie moeten meekomen, zegt hij.” Haar ouders keken elkaar aan. Er moest iets mis zijn, dit was een enorme inbreuk op het protocol. Ze liepen achter Ilia aan, de donkere holte van de grot in. Achter zich hoorden ze de menigte naar adem snakken en een verbaasd gemompel, maar dit stierf snel weg.
De spanning was te snijden toen ze gedrieën de oude man de tunnel door volgden. Andras had op zijn geboorte-eiland zijn naamgevingceremonie gehad, maar Nena had deze gang bij haar eigen volwassenwording al doorgelopen. In haar herinnering zag deze er heel anders uit. Hij was nu intimiderend en het kleine vlammetje van de toorts die het raadslid bij zich had maakte monsterachtige schaduwen op de wanden. Ze huiverde en riep zichzelf toen tot orde, ze liet deze vreemde gang van zaken haar hoofd teveel op hol brengen. Ze keek naar Ilia. Deze leek zelfverzekerder dan haar ouders te zijn. Haar grijns was verdwenen, maar ze leek eerder verwachtingsvol dan echt zenuwachtig. Ze leek zachtjes woorden te prevelen, maar Nena kon haar woorden niet verstaan.
Ilia zelf was diep in gedachten verzonken. Ze was verbaasd geweest over het verzoek en begreep uit de blikken van haar ouders dat dit waarschijnlijk geen goed nieuws zou betekenen. Het had haar even in verwarring gebracht, tot ze zich haar visioen herinnerde. Toen wist ze met verpletterende zekerheid dat dit moest gebeuren, dat dit een manier was om haar belofte in te lossen. Een plotselinge windvlaag vloog door de tunnel, leek haar lichaam in te duiken en in haar vlees te blijven hangen. Ze rilde en zonder precies te weten waarom fluisterde ze naar het hulpeloze wezen wat ze had beloofd te helpen: “Dank je.” Ze had het gevoel alsof ze van haar een enorm geschenk had gekregen. Ze wist dat ze er wanneer de rijp was wel achter zou komen wat dit ‘geschenk’ precies betekende. Ze wierp even een blik op haar moeder en vader achter haar. Haar vader had geen enkele uitdrukking op zijn gezicht, waardoor hij er door zijn lichtgrijze kleur uitzag alsof hij was uitgehakt in de rotsen van het eiland. Haar moeder had haar gezicht minder goed in bedwang en keek nogal benauwd. Ilia reikte naar achter om haar hand te pakken en kneep even. Het antwoord kwam bijna onmiddellijk door een handverpletterend geknijp. Snel trok ze haar hand weer terug en wierp een waarschuwende blik naar haar moeder. Deze leek zich wel iets te vermannen en produceerde een waterig glimlachje. Toen zag Ilia licht voor zich aan het eind van de tunnel en was haar moeder vergeten. Ze hadden de top van de rotspiek bereikt.
Op de afgeplatte tot zagen ze de overige raadleden rondom een klein vuur staan, druk gebarend en hevig in discussie, maar zodra ze de bezoekers zagen werden ze stil. Hun uitdrukkingen waren plechtig en de stormende wind rond de top gaf een extra dimensie aan de ceremonie. Het leek wel alsof de storm de woelingen in Ilias hart verbeeldde, de wervelingen waren bijna zichtbaar. Hun begeleider ging naast de andere raadsleden staan, Mena stond als hoofd in het midden. “Het spijt me als ik jullie ongerust heb gemaakt. Ik begrijp dat dit… nou ja, niet de normale gang van zaken is voor een naamgevingceremonie, als ik het mild mag uitdrukken.” Een van de vrouwelijke raadsleden schraapte haar keel, maar slikte haar commentaar in na een scherpe blik van de man die Ilia naar boven had begeleid. “Ik kan jullie helaas nog niet gerust stellen. We hebben wat verontrustende dingen gezien die we niet kunnen negeren, hoezeer dat volgens het protocol ook zou moeten. Ik zal hier later op terugkomen.” Mena keek ernstig, met een ondertoon van verdriet. Ilia was namelijk haar kleindochter. De man naast haar, waarvan Ilia wist dat hij Pau heette, deed een stat naar voren. “Kom dichterbij voor je naamgeving.” Ze wist hoe dit werkte en bereidde zich er mentaal op voor. Dit was altijd het meest onaangename gedeelte van de hele dag en hier zag ze wel tegenop. Maar ze liep gehoorzaam naar voren en draaide haar vleugels naar hem toe. Ze hoorde hem rommelen in het vuur en voelde hem haar rechtervleugel vastpakken. Vervolgens voelde ze een eerste vurige prik in de ruimte tussen haar vleugels, die doorging in een vurige streep. Ze rook de geur van verbrandde schubben en de huid daaronder. De pijn was minder dan ze verwacht had, maar toch moest ze haar best doen zich niet weg te trekken terwijl Pau haar echte, door de wind gegeven naam, in haar rug brandde. Ze liet een zucht van verlichting toen hij eindelijk klaar was, en een nog diepe zucht toen hij een verkoelende balsem over de brandwond smeerde. Tegen de tijd dat ze zich weer om mocht draaien met haar gezicht naar de raad, was de pijn al bijna verdwenen.
“Ilia Dochter van Nena van de Aëri Lagan,” hij sprak haar naam nu niet uit in de oude, officiële taal, “dit is de laatste keer dat je met die naam zal worden aangesproken. Je door Wind en Zee gegeven naam is Ilia Golfbreker, draag hem met trots.” Ilia had haar vader al een voor hem onbeheerst geluid horen maken, zijn adem stokte in zijn keel toen hij haar brandmerk las. Zelf was het nog niet tot haar doorgedrongen wat de naam betekende, tot haar moeder uit wist te brengen: “Maar dat is geen Lucht-naam!” Bij een volk waar alles om de lucht draaide, werden alle namen ontleend aan de lucht, Ilia had een Water-naam gekregen. “De man knikte en vervolgde met zijn sonore stem: “Ja. Zonder uitzondering kregen we dit door in onze visioenen tijdens haar Vlucht. We dachten dat we het verkeerd hadden, maar zowel de elementen van de Lucht als die van het Water spraken tot ons, meerdere malen, zeer duidelijk. Dit moet haar naam zijn, het is voorbeschikt.” Hij keek even verward. “We denken dat dit betekend dat ze onder bescherming staat van beide elementen, maar we kunnen dit met geen mogelijkheid zeker weten.” Mena kwam resoluut naar voren. “Het is een eervolle naam Ilia, zowel voor Water- als Luchtvolkeren.” Ilia knikte maar, ze moest dit echt even laten doordringen.
Maar haar verwarring zou nog groter worden. Haar roeping zou bekend worden gemaakt. Hoewel ze nu niks meer durfde te verwachten, hoopte ze stiekem toch dat alles verder normaal zou blijken, dat ze jager mocht worden. Maar de blik in de ogen van haar grootmoeder zorgde ervoor dat ze ook die hoop liet varen. “Wat betreft je roeping is… wat onenigheid ontstaan in de raad. We hebben gestemd en de meerderheid is van mening dat we onze visioenen moeten volgen en je niet door het protocol moeten tegenhouden.” De vrouw die net iets had willen zeggen en het mannetje wat Ilia net had begeleid keken boos en verongelijkt, Ilia vermoedde dat zij tegen dit besluit waren, maar ze hadden het onderspit moeten delven.
Mena leek zich daar niks van aan te trekken en praatte gewoon verder. “Het is niet duidelijk wat je definitieve roeping wordt. Dat wordt niet duidelijk uit de visioenen. Dus we moeten een bevestiging krijgen dat we er goed aan doen om onze dromen te volgen. Ik wil je vragen je eigen toekomstvisioen aan ons te vertellen.” Ilia’s moeder stapte verontwaardigd naar voren: “Moeder, dit kan echt niet! U weet dat dat persoonlijk is en dat er niet over gesproken dient te worden, u mag dat niet van haar vragen.” Maar Ilia trok haar moeder zachtjes naar achteren. “Ik moet dit doen. Ik weet niet of mijn toekomstvisioen lijkt op hetgeen de raad heeft gehad, maar ik denk dat dit belangrijk is.” Ze keek haar moeder strak aan. “Ik heb in mijn visioen een belofte gedaan en daar moet ik me aan houden.” Ze wendde zich weer richting de raad en vertelde wat ze wakend had gedroomd. De raad stelde nog een aantal vragen om een aantal details naar voren te halen, maar het was duidelijk dat dit op een of andere manier aansloot bij hun verwachtingen. Toen Ilia klaar was, knikten ze. “Nu we je droom gehoord hebben is het duidelijk dat wij onze eigen visioenen niet kunnen negeren. Het spijt me,” zei Mena, met een blik op zowel haar dochter als kleindochter, “maar je moet op een Wildtocht.”


Intermezzo: Bewustwording

Ik word weer wakker. Gelukkig, ik was zo bang dat mijn opleving maar voor even was geweest. Maar zelfs in deze slaap, tijdens mijn laatste dromen voelde ik dat ik dat ik weer wakker zou worden. Ik droomde over mijn verleden. En hoewel mijn herinneringen zich nog niet laten vangen, zijn mijn gedachten helderder dan voordat ik in slaap viel en voelen ze bekend. Ik weet nu dat de beelden die ik zag inderdaad mijn eigen gedachten en herinneringen zijn, ookal kan ik ze nog niet benoemen. Een aantal beelden blijven terugkomen. Ik voel me er goed bij. Ik weet bij die beelden dat er een tijd was waarin ik sterk was, gerespecteerd en in de volle bloei van mijn leven. Ik was mooi. Dat weet ik nog wel, door het gevoel wat door de beelden wordt opgeroepen. Ik weet dat doordat ik zelfvertrouwen voel, ondanks de vele onzekerheden van deze bewustwording en vragen die ik nog moet over mijzelf beantwoorden. Ik voel me zelfbewust en….

Voordat ik het denk houdt ik het in. Zou het? Ja, ik ben er zeker van.

Ik voel me zelfbewust en vrouwelijk.

Vrouw

Het begrip echoot in mijn hoofd. Vrouw. Zonder enige twijfel. Mijn lichaam mag dan wel mishandeld zijn, ik voel de rondingen van borsten en heupen nog, zachte ronde glooiingen. Mijn hele lichaam bestaat uit curves, afgewisseld met platte vlakken. Ik was mooi, jazeker, nu ik me bewust ben van mijn vrouwelijkheid en in gedachten mijn lichaam verder verken, besef ik dat ik waarschijnlijk nog steeds mooi ben. Dit lichaam mag dan wel pijnlijk zijn en op sommige plaatsen beschadigd, al met al is het nog steeds van verbluffend schoonheid. Tussen de volle hellingen schuilen dalen, diepe grotten, sommige botten steken uit als gevolg van de martelingen die mijn lijf heeft ondergaan. Heb ik dat mijzelf toegedaan of zijn het anderen geweest? Herinneringen komen terug en worden helderder. Ik ben begeerd geweest, door mannen zowel als vrouwen, hoewel de mannen in de meerderheid waren. Ik voel hun strelingen nog over mijn huid, de pijn die ze me deden als ze me in bezit namen zonder mijn toestemming, de liefde die ik voor ze voelden als ze vol toewijding mijn lichaam verzorgden. Ik laat de beelden in alle rust door mijn hoofd gaan, langzaam, ze analyserend. Ik blijf geamuseerd hangen bij een aantal. Ik zie mijzelf gunsten verdelen aan een aantal mannen, mezelf ervoor zorgen dat ze niks tekort komen. Maar zonder klaarblijkelijke reden zie ik mezelf al hun verdiensten wegnemen en ze daardoor in een diep dal storten. De reden kan ik me niet herinneren, maar ik zie wel de blikken in de ogen van deze mannen –deze volkeren, want ik heb de mannen aan wie ik de beloftes heb gedaan allang overleefd-, woede en onbegrip. “Ze is wispelturig.” fluistert iemand, te onbeduidend om zijn naam uberhaubt in mijn geest te hebben achtergelaten. Ja, wispelturig, denk ik glimlachend, nog meer bewijs dat ik vrouw ben.

De glimlach besterft me als ik me besef wat vrouwzijn nog meer inhoud. Ik kan me voortplanten. Of heb ik dat al gedaan? Heb ik kinderen? Zonen, dochters? Warmte stroomt door me heen. Kan het waar zijn, kan ik echt kinderen hebben?

De plotselinge stroom van gevoelens raakt me als een moker. Ik herinner het me, ineens is dit deel van mijn leven volledig duidelijk, en met die duidelijkheid komt een verscheurend besef. Ik schreeuw het uit, met alle kracht die in me zit. Ik schreeuw en schreeuw en schreeuw, ik blijf schreeuwen. Hoewel de schreeuw onhoorbaar is, zend hij trillingen door mijn lichaam, steeds harder, totdat ik uiteindelijk een deel van mijn lichaam voel breken en daarmee ook mijn gil afbreekt.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!