Aëri: Compleet hoofdstuk 2, Intermezzo

Hoofdstuk 2: Volwassen

Op haar lip bijtend zat Ilia over haar werk gebogen. Ze zat er nu al een hele tijd naar te staren, maar op een of andere manier zag ze geen logica in de woorden die ze voor zich zag. Ze was de afgelopen week zo volgestopt met informatie, dat ze op dit moment het gevoel had dat ze overliep. Met een zucht duwde ze het stuk papier van zich af en stond op. Ze liep naar het afgedekte raamgat en trok de dikke leren lap die ervoor hing opzij. Ze wind sloeg direct in haar gezicht en ze moest haar ogen dichtknijpen om ervoor te zorgen dat de hagelstenen niet in haar ogen kwamen. Buiten woedde weer een van de stormen die het eiland sinds haar Eerste Vlucht onophoudelijk teisterden. Het was duidelijk dat ze ook vandaag niet het luchtruim zou kunnen kiezen om wat ontspanning te vinden. Ze sloeg het leer terug en maakte het vast aan de daarvoor bestemde haken, zodat de hagel niet naar binnen sloeg. Ze zuchtte nogmaals diep, ze kon zich niet herinneren ooit zo’n lange, saaie winter meegemaakt te hebben.

De dag en nacht na de algemene bekendmaking van haar roeping waren ontzettend snel voorbij gegaan. Zowel zij als haar ouders hadden na de privébekendmaking geen woord uit kunnen brengen. Haar ouder waren stil van verbijstering geweest, Ilia zelf was gevangen in een vloedgolf van emoties. Ze was geschokt door de inbreuk op het protocol, teleurgesteld dat ze niet was uitgeroepen tot jager, verdrietig omdat het maken van een Wildtocht een maandenlange scheiding van haar ouders en vrienden zou betekenen. En onder alles, wat ze op dat moment zelfs niet aan zichzelf wilde toegeven, stiekem ook uitzinnig van vreugde.
De stilte die volgde op Mena’s woorden op de rotspiek was oorverdovend geweest, zelfs de wind was even gaan liggen. Mena had hun verbijstering begrepen en ze zichtbaar bezorgd teruggeleid door de tunnel naar de landingsplaats. Illia had met heel haar hart gewenst dat ze het nieuws eerst kon laten bezinken voordat iedereen het te horen kreeg. Ze had zich al omgedraaid om hier toestemming voor te vragen, maar ze had haar woorden snel ingeslikt. Mena was de enige die bezorgdheid toonde, de twee raadsleden die vonden dat de huidige gang van zaken volledig buiten de regels verliep, hadden hun onderdrukte woede uitgestraald en de twee raadsleden die hadden besloten hun visioen te volgen hadden een onverzettelijke blik in hun ogen gehad. Het was haar duidelijk dat er die dag geen verdere inbreuk op het ceremonieel zou zijn. Toen ze de tunnel uit was gekomen, had haar hart zo snel geklopt dat ze dacht dat het zou barsten.

Dat gevoel had ze nu soms nog steeds, dat het haar even teveel zou worden. Ze had de uitspraak van de raad ondertussen wel geaccepteerd, maar veel vrienden en kennissen nog niet en een aantal zouden dat waarschijnlijk nooit doen. Toen haar naam en voorlopige roeping bekend waren gemaakt, was er eerst een geschokt gemompel door de menigte gegaan. Een van de meest vooraanstaande leden had toen op de grond gespuwd en Ilia haar rug toegekeerd, de rest van de aanwezigen had haar voorbeeld gevolgd. De pijn van afwijzing was door Ilia’s ziel gesneden, vooral omdat de eerste die Ilia haar rug toekeerde, haar tante was geweest. Nodeloos te zeggen, was het geplande feest troosteloos geweest, waarbij Ilia volledig werd genegeerd. Niet dat ze lang was gebleven na die enerverende dag. Hoewel het niet haar persoonlijke keuze was geweest, leek ze nu te zijn gebrandmerkt alsof zijzelf de normen en waarden van haar volk had verloochend. Een aantal was intussen wel van inzicht veranderd en spraken weer tegen haar, anderen behandelden haar nog steeds als een paria.
De enige die direct op haar was afgelopen en die zowel haar als haar ouders naar zijn familieruimte had meegenomen om in alle rust bij te komen, was Olin. Later had ze gevraagd waarom hij niet geschokt was en haar afwees. Hij had glimlachend geantwoord dat hij door zijn eigen reizen een andere blik had gekregen op de regels die de Aëri als heilig beschouwden. Juist dat antwoord had Ilia haar lot doen accepteren en het onvermijdelijke te aanvaarden.

Ze zag dat Nena en Andras het er nog wel moeilijk mee hadden, hoewel later bleek dat dit een hele andere reden had dan Ilia in eerste instantie had gedacht. De eerste week waren ze veel bij Olin en zijn familie geweest om uit de eerste hand informatie over de gang van zaken omtrent een Wildtocht te krijgen. Ze waren weinig met zijn drieën alleen geweest, maar in die paar schaarse periodes waren haar ouders stil en teruggetrokken geweest. Dat deed haar meer pijn dan ze openlijk wilde toegeven en ze had die week vaak stilletjes gehuild wanneer iedereen zich in zijn nis had teruggetrokken. Aan het eind van de week had haar vader haar betrapt toen hij haar iets wilde vragen. Huilend had ze bekend wat haar dwars zat. Ze was bang geweest dat hij misschien boos zou worden vanwege haar angsten, maar zijn reactie stelde haar gerust. Niet het compleet omver halen van de regels van het volk, maar zorgen om Ilia had ze nadenkend gestemd. Ze hadden nooit verwacht hun enige dochten weg te moeten sturen op een maandenlange, gevaarlijke tocht naar het vasteland. Ze waren nog steeds ongerust, ookal had Odin meerdere keren aangegeven dat de tocht alleen de algemene handelsroutes zou volgen en niet het onbekende binnenland inging.
Olin wilde alleen toelichting geven op het verloop van de tocht. Wanneer Ilia doorvroeg over de volkeren die ze zouden zien en hun gebruiken, schudden hij altijd zijn hoofd. “Het idee van een Wildtocht is juist dat je dat zelf ziet, je zelf een mening vormt, zonder de ervaringen en vooroordelen van anderen. Zodra we op pad zijn, kan ik je meer vertellen.” Hij lachte om haar beteuterde gezicht, nu ze zich in haar lot had berust, was ze zich zowaar gaan verheugen op de tocht. Zeker toen het tot haar doordrong dat ze nog geen definitieve roeping toegewezen had gekregen, wat betekende dat ze na haar Wildtocht nog steeds jager kon worden.
Helaas voor Ilia was dat het enige waar ze niks over mocht weten. Als ze had gedacht dat ze de hele winter rustig aan mocht doen in afwachting van haar vertrek, kwam ze bedrogen uit. Zodra hij zag dat het nieuws was bezonken, nu zo’n halve week geleden, had Olin een stuk oud papier voor haar neus gelegd. Er stonden mooie, maar wat ouderwetse, plaatjes op, met onbegrijpelijke woorden daaronder. “Wat is dit?” had ze gevraagd. Zonder antwoord te geven legde Olin er een ander stuk papier naast. De plaatjes waren hetzelfde, de woorden nu in het Aërisch. Vis, Zee, Wolk, Golf. Ze keek hem verbijsterd aan, ze zou toch niet…? “Dacht je echt dat je naar het vasteland kon reizen zonder ook maar één woord Gemeenschaps te spreken?” Verbouwereerd had ze haar schouders opgehaald en gemompeld: “Nou ja, eigenlijk wel.” Eigenlijk had ze helemaal niet geweten dat ze op het vasteland een andere taal spraken, maar dat durfde ze niet toe te geven. Olin had alleen maar zijn hoofd geschud en haar alleen gelaten met de papieren. Zo was haar eerste les begonnen.
Nu, na een halve week, was het haar wel duidelijk dat ze niet de meest snelle leerling was. Ze had een redelijk geheugen voor simpele woordjes, maar het maken en begrijpen van zinnen, hoe klein dan ook, leek ze maar niet onder de knie te krijgen. Ze ging weer achter haar werk zitten en staarde ernaar zonder het echt te zien. Op dat moment kwam haar volgende irritatie binnenlopen: Eden, de zoon van Odin. Hij was ongeveer een maand voor haar volwassen geworden en nog vol van de arrogantie van een jong volwassene, hoewel hij toch zo’n vier jaar jonger was dan zijn. Hij zou zijn vader opvolgen als handelaar en zou tegelijkertijd met Ilia zijn Wildtocht maken. Het was lang geleden dat het was voorgekomen dat twee Aëri samen een toch zouden maken. Ilia vond het alleen jammer dat dit juist met Eden moest zijn.
“Lukt het een beetje?” Ilia keek hem aan met een broedende blik in haar ogen. “Ha, dat zal wel betekenen van niet!” Hij greep het werk waar ze aan had zitten werken, korte zinnen Gemeenschaps, deze keer donder de Aërische vertaling. Eden was al een stuk verder met zijn studie, dus dreunde hij de eerste paar zinnen zonder nadenken op. Ilia fronste haar voorhoofd en boog zich weer naar het papier. “Oh, staat dat er!” Ze herhaalde een van de zinnen, de ruwe afgebeten klanken bijna pijnlijk aan haar keel. “ “De man en de vrouw lopen naar de zee.” O ja, ik begreep de vrouw en de zee nog wel, de rest alleen niet.” Ze stond weer op en begon de kamer door te ijsberen. “Pffff, ik heb het even helemaal gehad met die rottaal.” Eden grinnikte en declameerde met een zelfvoldaan gezicht een lange zin in het Gemeenschaps. “Zo moeilijk is het anders niet hoor.” Voegde hij er ook nog aan toe. “Eden, ophouden nu!” Odin was net de ruimte binnengelopen en had de laatste zin opgevangen. “Jij bent al bijna twee maanden lang bezig met je studie, Ilia nog maar een halve week. Je hoort haar eerder te helpen dan te pesten met haar moeilijkheden.” Eden had genoeg fatsoen om beschaamd te kijken en mompelde een excuus. Daarna glipte hij zo snel mogelijk weg, zodat Ilia en Odin samen achterbleven. Ilia wist waarom hij was langsgekomen; elke dat bij zonsondergang kwam hij haar overhoren over de lessen die ze die dag had gekregen. Ze pakte met flinke tegenzin haar werk weer voor zich en begon haperend de eerste zin voor te lezen. Odin kapte haar echter bijna meteen af door een korte handbeweging te maken. “Houd maar even op.” Ze haalde haar ogen van het papier af. “Ik denk dat je vandaag en morgen maar even rust moet nemen.” Hij keek haar aan met een scheve grijns. “Ik denk namelijk niet dat er nu nog veel bij kan of wel?” “Nee, niet echt. Ik kijk hier dan over een dag nog wel naar, Misschien dat het na wat bezinktijd beter gaat.” De opluchting stond duidelijk op haar gezicht te lezen toen ze opstond, haar werk oprolde en wegliep.
Ze borg de rol papier op in haar nis. Ze had als cadeau voor haar volwassenwording een mooie kostbare houten kist gekregen, met daarop ingewikkelde bewerkingen en ingelegde stukjes been die de samenleving van het volk en de natuur symboliseerden. De fijne snedes en vloeiende lijnen waren duidelijk het handwerk van Beno, de beste snijder van het volk, die op een van de zuidelijkere eilanden, Sanu, woonde. De kist moest een fortuin gekost hebben en ze zorgde er oplettend voor dat ze hem niet beschadigde als ze er iets in legde.
Ze bleef even in haar nis staan. Ze was voor de winter vrijgesteld van alle huishoudelijke taken, zodat ze voldoende voorbereiding zou hebben voor haar tocht. Dat betekende dat ze vandaag en morgen helemaal zelf mocht weten wat ze zou doen. Jammer dat het weer het niet toeliet om te gaan vliegen, had ze eindelijk van de vrijheid geproefd, moest ze vervolgens maanden wachten tot ze er weer op uit kon. Als compensatie dook ze maar haar nis uit, dan kreeg ze in ieder geval nog wat beweging. De nissen waarin de volwassen Aëri sliepen waren uitgehold in een klein schiereilandje die aan het hoofdeiland vast zat. Er was één holle cilinder uitgehakt, met een opening onderin die als uitgang diende. De cilinder was meters hoog met de nissen spiraalsgewijs omhooglopend. Een nis kon twee Aëri herbergen en had wat extra ruimte om persoonlijke bezittingen te bewaren. Vaak sliepen partners in dezelfde nis, hoewel beiden wel altijd hun eigen ruimte behielden om zich eventueel terug te trekken voor meditatie. Hoewel de achterste ruimte wat krapper kon zijn, was de opening altijd groot genoeg om met gespreide vleugels vrij te kunnen bewegen. Ook de aansluitende cilinder had genoeg ruimte om veilig af te dalen en op te stijgen naar de in- en uitgang. Ilia had een nis bijna helemaal bovenaan gekregen en hoewel de slaapruimtes niet gebruikt mochten worden om vrij in te vliegen, was het op dit moment zo rustig dat ze toch een aantal keer op en neer vloog. De oefening hielp wel iets, maar ze miste toch de wind om zich heen.
Ondanks dat het te onstuimig was om op te stijgen, besloot ze naar buiten te gaan. Ze had sterk de behoefte om uit te waaien, zelfs al moest ze op de grond blijven. Harde rukwinden trokken haar bijna omver toen ze het de landingsplaats bereikte, dus trok ze zich voor haar eigen veiligheid terug in een wat beschutte hoek, waar ze ging zitten. Ze gaf zich over aan de wind die alle andere geluiden overstemde en sloot haar ogen. Ze probeerde de stem die ze in haar visioen had gehoord weer op te roepen, maar behalve de lucht gaf niemand antwoord. Ze zou bijna denken dat ze zich alles had verbeeld, als ze maar niet die vage trilling in haar botten had gehad die haar aanspoorde om op weg te gaan, haar belofte gestand te doen. Het maakte haar vreselijk onrustig.

Ilia’s twee vrije dagen gingen snel voorbij en het was haar gelukt haar hoofd te verhelderen. Toen ze weer aan haar studie begon, had Odin aangegeven dat ze niet op de oude manier verder zouden gaan. Hij gaf aan dat ze onder elkaar, dus Odin, Eden en Ilia alleen nog Gemeenschaps zouden spreken. Ilia had er in eerste instantie niet zo’n vertrouwen in, als ze het op papier al niet begreep, zou het zo toch helemaal niet lukken? Maar verassend genoeg lukte het haar al binnen enkele dagen om korte simpele gesprekjes te voeren, over haarzelf of over het weer, en nog een week later kon ze Odin ook begrijpen toen hij in het Gemeenschaps een verhaal over een van zijn reizen vertelde. Haar grammatica was nog niet helemaal correct, maar ze kon begrijpbare zinnen maken en Odin had aangegeven dat haar uitspraak verrassend goed was. Zelf vond ze het nog steeds een vreselijke taal; vergeleken bij de vloeiende uitspraak en fluitende tonen van het Aërisch, klonk het ruw, onbeschoft, met veel harde G-klanken die haar keel rauw maakten als ze lang achter elkaar sprak.
Eden had een minder goede uitspraak, maar kon veel beter woorden beschrijven en de juiste woorden vinden. Gelukkig hielp hij haar wel door veel handbewegingen te maken die zijn woorden ondersteunden of haar woorden te geven wanneer ze deze niet wist, maar zijn arrogante houding was niet veranderd. Odin was in ieder geval erg te spreken over de vorderingen van beide leerlingen en besloot ze te belonen door een verhaal te vertellen, in het Gemeenschaps natuurlijk, waarin werd verhaald over een handelaar die duizend jaar geleden de Amazon-woestenij was overgestoken naar het hart van het vasteland. Zijn nieuwsgierigheid naar andere volkeren had hem gedreven verder te gaan dan de vaste handelsroutes en hij was door de moerassen en dode bossen getrokken in een verbazingwekkende reis. Dit gedeelte van zijn avontuur werd verteld, hij zou nog meer beleven nadat hij de woestenij had doorkruist, maar dat was stof voor veel meer verhalen.
Zijn naam was door de jaren heen vergeten geraakt en veel van zijn avonturen ook. Alleen het verhaal van zijn terugkomst, meer dood dan levend, werd veel verteld. Als voorbeeld dat de andere volken die de aarde bewoonden, niks meer waren dan primitieve wezens, nauwelijks in staat om te denken. De handelaren hadden de verhalen van de Avonturier, zoals ze hem noemden, echter doorgegeven. Hij was de eerste en laatste van het volk geweest die de oversteek had gemaakt. Zelfs als er nu nog een handelaar zou zijn die niet genoeg had aan zijn vaste bezoekplekken en besloot de woestenij over te steken, zou dat tegenwoordig een bijna onmogelijke opgave zijn. Het land waarvan in de verhalen werd verteld dat het moerassig en zompig was, bloedheet en vol dode bomen, was in de duizend jaar die eroverheen was gegaan bijna volledig uitgedroogd en vormde nu een honderden kilometers brede zandstrook die de noordelijke kustgebieden afscheidde van het binnenland, waar de Mense woonden. Alleen enkele nomadische stammen van de Mense reisden door deze zand-zee en dan nog zo min mogelijk. Dit waren ook de stammen waarmee het meest werd gehandeld, vertelde Odin. Niemand zou het meer wagen de oversteek te maken, zeker niet alleen, zonder karavaan.
“Zullen we tijdens onze tocht de Woestenij ook te zien krijgen?” Ilia zat vol interesse voorovergebogen, haar nieuwsgierigheid volledig wakker geworden. Odin knikte. “Twee keer zelfs. Wacht even.” Hij stond op en liep de kamer uit. Na een tijdje kwam hij terug met een opgerold stuk papier. “Ik was vergeten dat ik deze nog had. Kijk.” Hij rolde het papier uit. Het bleek een kaart te zijn; met verschillende kleuren inkt waren gedetailleerd de noordelijke kustgebieden aangegeven, zwarte stippen vertegenwoordigden nederzettingen en handelsplaatsen. Odin tikte met de nagel van zijn wijsvinger op een van de zwarte vlekjes. “Mirna Aere. Daar zullen we het eerst de Woestenij zien. Kijk, zo zullen we gaan: We zullen tijdens de heenreis op deze eilandjes overnachten, maar die zijn onbewoond.” Zijn vinger gleed naar een reeks minuscule puntjes in de zee. “De eerste overnachting op het vasteland is hier.” Zijn vinger stopte even bij een naamloos stipje. “Dit is een algemene handelsplaats, hier komen alle handelaren eigenlijk als eerst wanneer de winter is geëindigd.” Zijn vinger vervolgde zijn reis langs een aantal kleine stipjes. “We gaan de Oostkant langs en hier, bij Mirna Aere blijven we een paar dagen. Dan gaan we om de uitloper van de Ande-berg heen, naar Brassa en van daaruit naar Manau, weer aan de Woestenij. Tot slot gaan we langs de westkust omhoog, naar de Rio-delta en weer terug naar de handelsplaats.”
Ilia had al eerder een beschrijving gehad van het verloop van de tocht, toen ze vlak na haar volwassenwording bij Odin steun had gevonden, maar na het verhaal over de Avonturier en met de kaart erbij kwam alles in een keer tot leven. “Heb je ook een kaart van het vasteland na de Woestenij?” Eden stelde de vraag die ook in Ilia was opgekomen. Helaas voor hen schudde Odin zijn hoofd. “Nee. We hebben zelf alleen kaarten van deze kant van de woestenij en dan is dit nog de meest recente. Deze kaart is gemaakt door de grootvader van mijn grootvader. Omdat we nooit de woestenij oversteken is het niet zinvol om een kaart van het Mense-land te hebben.” Eden knikte begrijpend, Ilia ook, hoewel ze het toch erg jammer vond. “Is alles wat na de woestenij ligt dan allemaal Mense-land?” Ze was er toch nieuwsgierig naar. “Ik moet je eerlijk zeggen dat ik dat niet precies weet. In vroegere tijden, in de tijden van de Avonturier in ieder geval, woonden er nog andere volken, maar nu durf ik het niet te zeggen. De Mense waar ik tijdens het handelen contact mee heb zijn nooit zo spraakzaam geweest. Ik heb begrepen dat ze lang geleden,in de tijd dat deze kaart werd getekend, wel iets opener waren, maar ze hebben nu niet veel op met andere soorten. Wat dat betreft een beetje zoals de Aëri eigenlijk.” Ilia knikte. “Hoe zijn ze dan, die Menze? Leven ze ook ongeveer zoals wij?” Eden begon te lachen. “Je blijft vissen hé! Probeer die nieuwsgierigheid nou eens te bedwingen.” Odin sprak haar vermanend toe, maar ze zag dat hij zijn best moest doen om een glimlach te onderdrukken. “Je weet dat ik je er nog niks over kan vertellen. Je komt er vanzelf wel achter.” Jammer, ze had nog wel gedacht dat ze het zo subtiel had aangepakt. Eden was verrassend invoelend. “Geloof me, ik ben net zo nieuwsgierig. Ik heb ook alles al geprobeerd om hem aan het praten te krijgen, maar hij vertelt echt niet meer dan hij nu gedaan heeft. Ik denk dat we blij mogen zijn dat hij ons nog het verhaal van de Avonturier heeft verteld.” Ilia vond hem ineens een stuk aardiger, ze had niet beseft dat hij net zo zenuwachtig, nieuwsgierig en misschien ook wel net zo bang was als zij.
Odin grinnikte om de opmerking van zijn zoon. “Hij heeft gelijk, ik ben nergens gevoelig voor. Ik ben dan misschien wat losser met het protocol dan de meesten die jullie kennen, maar hier wijk ik echt niet van af.”
Dat had Ilia inderdaad wel gemerkt, dat Odin niet zo strikt en zeker een stuk opener was dan de meeste van haar soortgenoten. Dat vond ze op zich wel prettig, aan de andere kant betekende dat wel dat daardoor het gedrag van de anderen volwassenen extra stug leek. Toen ze nog niet volwassen was, was dat haar nog niet echt opgevallen. Als kind was het niet erg uitgelaten en nieuwsgierig te zijn, maar nu ze volgroeid was, werd er ook van haar verwacht dat ze zich als een volwassene gedroeg. Dat vond ze moeilijk, zeker omdat haar van nature nieuwsgierige aard nog meer werd aangewakkerd door de lessen en het gedrag van Odin. Ze merkte dat de omschakeling die ze moest maken wanneer ze met andere soortgenoten omging niet zo makkelijk was. Eden en Odin leken er in ieder geval veel minder moeite mee te hebben, maar die hadden natuurlijk ook niet te maken met deze bizarre situatie. Juist daarom hield ze zich zo strak mogelijk aan de omgangsvormen, in de hoop zo weer opnieuw geaccepteerd te worden in de gemeenschap. Het hielp, in sommige gevallen. Andere dingen waren in die paar korte weken enorm veranderd. Ilia paste niet meer op Sandro. Hij werd uit haar buurt gehouden alsof ze zelf een handelaar was, net zoals zij vroeger bij Odin werd weggehouden. Ze wist nu dat dat onzin was; zoals Odin haar duidelijk had gemaakt, mocht hij volgens de gedragsregels van de handelaren niet eens vertellen over de gewoontes van de andere volkeren die de aarde bewoonden. Maar gewoonten en gedragingen slijten moeilijk, vooral bij haar tante. Amarinde had het er wel erg moeilijk mee. Ilia had het vermoeden dat Tanta Esme haar min of meer had verboden met Ilia om te gaan. Wanneer ze elkaar alleen troffen was Amarinde hartelijk en open, maar zodra haar moeder in de buurt was, beperkte het contact zich tot een knik en een groet. Zelfs dat was Esme al te veel, Ilia had ze er op een ochtend ruzie over horen maken. Gelukkig was dat voor Amarinde niet acceptabel geweest en ook haar levenspartner groette haar nog vriendelijk wanneer ze elkaar tegenkwamen. Ilia wist dat ze eigenlijk niet meer kon verwachten, Amarinde werd heen en weer geslingerd tussen haar trouw aan haar familie en de band van een vriendschap. Ilia wilde het voor haar niet moeilijker maken.
Hoewel de zware winter zwaar op Ilia’s gemoed drukte, bewees hij haar wel een dienst. Het bleek voor de meeste gemeenschapsleden onmogelijk om haar te vermijden nu het dagelijkse leven zich in de grotten afspeelde. Juist omdat Ilia zich zo volwassen en beleefd mogelijk opstelde, vonden de meesten het onbeschoft om haar zelfs geen gedag te zeggen. Langzaam maar zeker werd ze dan ook weer betrokken bij gesprekken, hoewel ze zich op de meeste momenten toch een ongewenste gast voelde. Aan de ene kant kon ze dan ook niet wachten tot de winter was afgelopen, zodat ze eindelijk op weg kon gaan. Aan de andere kant zou ze dan ook nog haar kennismakingsreis moeten maken en het idee dat ze deze behandeling van bijna iedereen zou kunnen verwachten –ook van Bari- maakte haar misselijk. Ze hoopte dat hij door de roeping heen kon kijken.

De winter duurde lang, heel lang; de wind ging zelden liggen en de hagel- en sneeuwbuien hielden constant aan. Ilia bleef zich op haar studie Gemeenschaps storten en haalde haar kracht uit de verhalen die Odin steeds meer begon te vertellen, voornamelijk over de Avonturier en zijn wonderbaarlijke reis. Ook begin ze oefeningen te doen om haar uithoudingsvermogen te verbeteren. In weer en wind ging ze naar de binnenplaats die ondanks dat deze redelijk beschut lag tussen de rotsen geteisterd werd door rukwinden. Ze ging dan midden boven de plaatst hangen en probeerde met krachtige vleugelslagen op dezelfde plek te blijven. Het hield haar bezig en ze moest toegeven dat ze er steeds beter in werd.
En uiteraard, uiteindelijk, zelfs bijna onverwacht, begon toch nog de lente. Het had niet langer moeten duren; het hout was zo goed als op en de gemeenschap was aan het teren op de laatste restjes gedroogde vis, welke nu ook muf begonnen de smaken.
De lente brak aan met een stralende zon, die zelfs gezien kon worden door de dikke lappen leer die voor de raamgaten hingen. Het was nog steeds koud, het vroor nog steeds, maar de wind was gaan liggen en de lucht was van een stralende kleur blauw. Een van de kinderen was de eerste die het zag, toen ze in de ochtend vroeg uit bed was gegaan. Het nieuws verspreidde zich snel door de gangen en werd begroet met een luid gejuich. De winter was eindelijk weer voorbij, zelfs de meeste stugge Aëri vond een dosis enthousiasme wel op zijn plaats. Het duurde dan ook niet lang voordat de lucht gevuld was met Aëri die over het eiland cirkelden. Alleen degenen die echt niet anders konden, omdat er op de kinderen gepast moest worden, bleven op de grond, maar ook zij zaten buiten te genieten van de zon. Ilia had de eerste blik naar buiten na de winter nog nooit zo mooi gevonden. Er lag nog flink wat sneeuw en de zee rondom het eiland was bezaaid met wit/blauwe ijsschotsen. De heldere zon gaf alles een witte schittering. Het was werkelijk een adembenemend uitzicht en Ilia was trots deel uit te maken van het volk wat hier zijn leven had opgebouwd. Ze wist niet precies was ze de komende tijd kon verwachten, maar dit beeld zou ze voor altijd bij zich houden. Ze bleef nog lang in de lucht hangen nadat de meeste van haar soortgenoten al waren geland, pas nadat de zon zijn hoogste punt had bereikt besloot ze weer naar beneden te gaan. Moe was ze nauwelijks, het was duidelijk dat haar oefeningen vrucht hadden afgeworpen.
Toen ze was geland stond haar vader op haar te wachten. “Pa, sta je al lang te wachten? Als ik dat had geweten was ik wel eerder naar beneden gekomen.” Hij haalde zijn schouders op. “Valt wel mee. Ik heb even naar je staan kijken, je bood een geweldig schouwspel met die duikvluchten van je.” Zijn mondhoek krulde omhoog in zijn schuine glimlachje. Hij zou het niet hardop toegeven, maar hij was blij zijn dochter weer eens vrolijk en uitgelaten te zien. Ze was de laatste tijd een schim van wat ze geweest was en hij had het stiekem heerlijk gevonden dat ze net zoals Nena open en emotioneel was. Juist dat waren de eigenschappen die hij het meest in Nena had gewaardeerd en hij was altijd blij geweest dat zijn dochter die geërfd had.
Ilia haalde haar schouders op. “Ik moest me even laten gaan. Kon ik eindelijk vliegen, moest ik heel zo’n ellendige winter lang wachten. Ik was gewoon blij dat ik weer eens naar buiten kon.” “Tja, wees eerlijk, wie niet? Ik geloof dat dit de langste winter was die ik ook heb meegemaakt, maar dat hoorde ik je overgrootmoeder ook al zeggen en die is toch een stuk ouder.” Hij probeerde er een grapje van te maken, maar het feit bleef dat de winters steeds langer werden, ookal durfde niemand dat hardop te zeggen. Ilia veranderde van onderwerp. “Maar je stond op me te wachten?” Ze liepen samen naar de uitgehakte trap toe. “Ja. Nu de winter voorbij is, denk ik dat we ons binnenkort maar eens klaar moeten maken voor je kennismakingsreis.” Ilia was er al een beetje bang voor geweest dat hij dat ging zeggen. “Ik denk dat we nog wel een paar dingen moeten regelen en jij moet dit natuurlijk ook even met Odin praten, maar ik denk dat als dit weer aanhoudt we nog voor het eind van deze week kunnen vertrekken. Dan kunnen we voor de volgende volle maan terug zijn.” Ilia knikte en antwoordde: “Ik zal even met Odin overleggen. Ik denk trouwens dat dat geen probleem is, ik hoorde hem zeggen dat hij nog even wat handelswaar samen moet stellen voordat we gaan en hij moet die walrusslagtanden nog door Beno laten bewerken voordat we gaan. Zullen we vanavond dan de route samenstellen?”
Ze kon het best maar zo snel mogelijk vertrekken, dan had ze dat in ieder geval achter de rug. Ze zou niet alle eilanden in de archipel langsreizen; het waren er in totaal meer dan dertig, waarvan er maar zo’n 20 bewoond werden door volledige gemeenschappen. Gemiddeld werd er daarom ongeveer drie weken gerekend voor een kennismakingsreis. Er zou dan elke dag een ander eiland aangedaan worden, over het algemeen te beginnen met het geboorte-eiland van de vader, aangezien daar de meest directe familie woonden. De vader zou deze keer ook degene zijn die de nieuw-volwassene op haar reis zou begeleiden. Er waren geen regels voor wie van de ouders het kind zou begeleiden, soms waren het zelfs beide ouders. Nena had besloten thuis te blijven, haar moeder was in de loop van de winter flink ziek geworden en ze wilde haar niet alleen laten. Bovendien leek het haar ook slimmer om niet mee te gaan om zo de acceptatie van Ilia en haar roeping makkelijker te laten verlopen. “Kom je vanavond dan naar de familieruimte?” Ze voelde even een steek van schuldgevoel. Ze had de laatste paar avonden vooral bij Odin doorgebracht vanwege de verhalen die hij vertelde en haar ouders niet zo veel gezien. “Ja natuurlijk.” Ze nam zich voor de dagen die haar nog op het eiland restte met haar ouders door te brengen. Ze had een vaag voorgevoel dat haar Tocht langer zou duren dan wie dan ook verwachtte.
De rest van de dag hing iedereen rond op en boven het eiland. Vanaf morgen zouden de taken weer verdeeld worden en zouden de normale werkzaamheden voor de lente weer opgepakt worden, maar nu was het een dag om even te genieten. De bedrukte sfeer die er langzaam maar zeker onvermijdelijk was ingeslopen tijdens de winter was met het doorbreken van de zon direct verdwenen. Ilia zag al een aantal gemeenschapsleden een zak met reisbenodigdheden inpakken. Sommigen, zoals degene met een roeping die niet direct nodig waren voor de lentewerkzaamheden, zoals gereedschapmakers, bewerkers en steenhouwers, zouden hun familie op andere eilanden gaan bezoeken. Anderen zouden uit hoofde van hun werkzaamheden vertrekken, dit waren de boodschappers die het hele jaar door berichten en nieuwtjes overbrachten tussen de eilanden.
Ilia vond Odin in zijn eigen familieruimte, waar hij bezig was om ook zijn reistas in te pakken. Ze had het goed gehoord, hij had de slagtanden van de walrus ook ingepakt. Hij vond het dan ook geen probleem dat ze de volgende maand pas zouden vertrekken. Hij gaf aan zelfs niks anders verwacht te hebben. Ondanks dat ze dat al gedacht had, was ze toch blij dat hij het zo makkelijk opvatten. “Trouwens,” zei hij, voorovergebogen terwijl hij een paar gladgeschuurde, wrakhouten kommen voorzichtig in zijn tas stopte. “ik wilde Eden toch nog even meenemen naar het eiland Hori, waar een oudtante van mij woont. Er is daar een vrouwtje die hij tijdens zijn kennismakingsreis heeft gezien, die nogal een indruk heeft gemaakt. Het is waarschijnlijk teveel om te hopen dat het echt een herkenning is, maar ik wil ze in ieder geval proberen te koppelen voordat we de Tocht gaan maken.” Dat verklaarde ook de kommen die hij aan het inpakken was, een huwelijksgeschenk voor de toekomstige levenspartner van zijn zoon. De herkenning was iets waar iedereen wel iets over wist, waar alle Aëri naar zochten, maar die eigenlijk zelden gebeurde. Het was het besef dat de Aëri kregen wanneer ze hun voorbestemde wederhelft ontmoetten. In langvervlogen tijden, toen de Aëri nog met veel minder waren, dichter bij elkaar woonden en de luchten beter te bereizen waren, was iemands levenspartner altijd gevonden door de herkenning. Met minder werd geen genoegen genomen. Maar door de jaren heen werd het steeds moeilijker om een tweede zelf te vinden en steeds meer Aëri bleven alleen over, waardoor werd besloten het samengaan ook te accepteren wanneer de herkenning niet had toegeslagen. Tegenwoordig gebeurde er eigenlijk nooit meer een herkenning, hoewel Ilia bijna zeker wist dat haar ouders elkaar gevonden hadden, ookal spraken ze daar nooit over.

Het voorbereiden op haar eerste reis weg van het eiland nam maar een paar dagen in beslag. De eerste avond was de volledige route al vastgelegd; ze zouden via de oostelijke eilanden naar het zuiden trekken en van daar uit zigzaggend terug naar het noorden trekken. De keuze om via het oosten te gaan lag in het feit daar haar vaders ouders op het eiland woonden dat ze op die manier op weg naar het zuiden het eerst zouden tegenkomen. Ze vond het ondanks de zenuwen heerlijk dat ze haar grootouders weer zou zien, de laatste keer dat zij Laga bezochten was al weer bijna een jaar geleden. Ze begonnen al wat ouder te worden, dus was het lastig nog lange stukken te vliegen.
De dag van vertrek begon mistig. De zon had moeite om door het dikke wolkendek te komen en de zee was onzichtbaar door de witte laag mist. Alleen het geluid van de golven die tegen het eiland beukten verrieden dat zich nog iets onder de dikke wattenmassa verborg. Het was windstil. Ilia had de avond ervoor nog snel een tas gepakt met de belangrijkste spullen die ze nodig zou hebben: haar persoonlijke verzorgingsspullen, een paar geschenken voor haar grootouders en reiskoeken en gedroogde vis voor onderweg. Op de eilanden die ze zou aandoen zou ze onderdak en eten krijgen, eventueel ook proviand voor onderweg. Er werd niks voor terugverwacht, op de eilanden was weinig van echte waarde waardoor hetgeen wat er was bijna altijd vrijelijk werd gedeeld. Alleen zeer kostbare of zeldzame producten, zoals het kruidenmos wat gebruikt werd om de toekomst te onthullen of bewerkte houten kisten, verlangden een tegenprestatie. Meestal betekende dit dat de vrager het werk van de aanbieder verlichtte door een aantal taken op zich te nemen of beloofde een boodschap naar een familielid op een ander eiland over te brengen.
Er zat dan ook weinig in haar tas, ze had er geen enkele moeite mee hem op haar rug tussen haar vleugels te bevestigen. Met de tas al vastgemaakt zocht ze haar moeder op, die in de nis van Mena zat. Ilia’s grootmoeder zag er slecht uit, haar grijsblauwe schubben waren dof en kleurloos, haar gezichtshuid extreem bleek. Ze leek in het niks meer op de sterke vrouw die Ilia bij haar volwassenheidsceremonie had begeleid. Nena zat naast haar moeder, een bezorgde trek op haar gezicht. Ze was al een paar dagen niet meer van Mena’s zijde geweken, behalve om wat eten en drinken te halen, en ze zag er uitgeput uit. Ilia probeerde haar over te halen even naar buiten te komen, al was het alleen maar om haar en Andras uit te zwaaien, maar ze schudde alleen haar hoofd en boog zich weer over Mena, die in een rochelende hoestbui was uitgebarsten. Ilia besefte ineens dat er een grote kans bestond dat Mena misschien niet meer in leven was als zij terug kwam van haar kennismakingsreis en dat deed de tranen in haar ogen schieten. Ze wilde nu helemaal niet meer weg. Ze bleef naast haar grootmoeder zitten, vertelde haar wat ze allemaal voor haar, Ilia, betekend had. “U zult niet vergeten worden, de wind zal uw naam dragen.” Fluisterde ze als laatst en kuste de slapende vrouw op haar voorhoofd. Als in aanvulling op haar woorden wervelde er een krachtige wind door de hoge cilinder, woorden lispelend die Ilia net niet kon verstaan.
“Moeder, ik ga.” Nena knikte. “Ik zal goed voor haar zorgen. Zorg jij goed voor jezelf?” Ilia knikte ook. Er waren niet meer woorden nodig. Ilia omarmde haar moeder nog even stevig en liep toen naar de opening van de nis. “Tot de volgende volle maan.” Toen sprong ze de nis uit en zweefde zonder vleugelslag naar beneden.
Haar vader stond al op haar te wachten, Ilia vermoedde dat hij Nena en haar moeder gisteren al gedag had gezegd om haar dit moment alleen te gunnen. Hij had donkere kringen onder zijn ogen, maar zag er verder fris en onbezorgd uit. De mist had druppeltjes achtergelaten op zijn lichaam en hij leek te glitteren in het gedempte licht. Toen ze haar eigen arm bekeek, zag ze dat deze ook bedekt was met dauw. Ze schudde zich uit. “Kom Golfje, zullen we gaan? Het is een heerlijke dag om te vliegen.” Ze keek in de verte, in de richting van het eerste eiland dat ze zou bezoeken als volwassene, wat nu door de dichte mist niet te zien was. Ze realiseerde zich ineens dat hoe alles vanaf nu zou verlopen, haar avontuur was begonnen. Ze keek Andras aan en gaf hem haar scheve grijns, die zoveel op de zijne leek. “Kom ouwe, zullen we kijken of je me bij kan houden?” Zijn schaterlach klaterde over het eiland.

De reis verliep voorspoedig en zonder veel problemen. Het nieuws van Ilia’s Wildtocht was op veel eilanden al bekend, in meer of mindere mate. Soms leek het inderdaad alsof de wind het nieuws langs de eilanden blies, dacht Ilia een beetje wrang, maar het waren natuurlijk de boodschappers geweest die voor de verspreiding gezorgd hadden. Ondanks alles waren ze op het geboorte-eiland van haar vader hartelijk ontvangen. Niet alleen Ilia had zich verheugd op het weerzien met haar grootouders, zij hadden ook niet kunnen wachten om hun kleindochter te zien. Ze waren rustig en hadden hun emoties goed onder controle, maar het was duidelijk dat Andras zijn verdraagzaamheid en open instelling van zijn ouders had meegekregen, ze accepteerden Ilia zonder aarzelen. Het verliep moeizamer op de andere eilanden. Hoewel een kennismakingsreis mede als doel had om in contact te komen met een mogelijke partners, hielden veel van de mannetjes zich afzijdig. Ilia werd regelmatig geïnteresseerd opgenomen, maar ze hadden een afwachtende houding en namen niet het initiatief om haar aan spreken. Ze wist niet beter, dus het was haar nauwelijks opgevallen. Tot ze op de tiende dag het eiland Stani bereikten.
Alsof het door het lot bepaald was keerde Bari net terug van de jacht toen Ilia en Andras waren geland. Hij liet eerst een gevuld visnet neer op de open plaats van het eiland en landde toen in een indrukwekkende werveling van grijze vleugels. Het regende die dag, hoewel de temperatuur mild was, en Bari schudde de waterdruppels van zijn lichaam. Pas toen merkte hij de bezoekers op. Hij bekeek ze even, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken, zijn gouden ogen uitdrukkingsloos en zonder enige herkenning. Toen pas leek hij te beseffen dat het bezoekers waren die een welkom verdienden en dat hij op dit moment de enige was die dat welkom kon bieden. Ilia wist niet wat ze had kunnen verwachten, maar ze had nooit gedacht dat Bari, na de hoop die hij vóór haar volwassenwording had uitgesproken, haar zou behandelen als elke willekeurige bezoeker die het eiland aandeed.
Hij liep voor vader en dochter uit om ze de weg te wijzen naar hun slaapplaatsen en de gezamelijke ruimte. Het eiland was een stuk platter dan Laga, zonder de hoge pieken en redelijk beschutte open plekken. Er was dan ook geen specifieke open plek om de dagelijkse werkzaamheden zoals het schoonmaken van de vangst of het drogen van voedsel uit te voeren. Verspreid over het hele eiland waren Aëri aan het werk, Ilia zag zelfs al een leerlooier aan het werk, hoewel het nog vroeg in het seizoen was voor de jacht op zoogdieren. Meestal trokken deze pas in het warme seizoen meer naar het noorden, naar de kleinere eilandjes waar ze zich voortplantten.
Ze liep was sneller tot ze naar Bari liep. Hij wierp een zijdelingse blik op haar; ze zag zijn mond iets verstrakken, maar hij zei verder niks. Ilia keek even achterom en zag dat haar vader achter begon te raken, misschien per ongeluk, misschien expres, dat durfde ze niet te zeggen. “Bari.” Begon ze. Hij leek haar niet gehoord te hebben. “Bari, waarom negeer je me zo? Je doet net alsof je me niet kent.” Hij liet een laag gesnuif horen. “Ik ken je ook niet.” Er klonk venijn in zijn stem, zo veel dat Ilia’s maag er van samenkromp. Ze had zich er zo op verheugd om hem weer te zien en haar opwinding daarover was een van de weinige lichtpuntjes geweest in haar lange winter. Het bezoek aan zijn eiland was naast het zien van haar grootouders het enige aan de kennismakingsreis waar ze niet tegenop zag. Hij begon harder te lopen en Ilia moest moeite doen om hem bij te houden. Hij stopte voor een verhoging in het eiland, voor Ilia niet meer dan een laag heuveltje, waar twee ingangen in waren uitgehouwen. Hij draaide zich abrubt om. “Links zijn de gezamenlijke ruimtes, rechts de nissen. Ik zal de gemeenschapsoudste halen om jullie een paar vrije nissen te wijzen.” Hij wilde al weglopen, maar Ilia pakte zijn arm vast. “Wacht nou even!” Maar hij rukte met een wild gebaar zijn arm los en snauwde haar toe: “Ik heb betere dingen te doen dan met jou hier rond te hangen, waternaam.” Hij beende weg met lange passen, het net vissen bungelend op zijn rug. Ilia keek hem verbijsterd na, te geschokt om te reageren.
Pas toen Andres haar zachtjes richting de opening van de gezamenlijke ruimtes duwde, schrok ze op uit haar verbazing. Toen pas viel het haar op dat de eilandbewoners die in de buurt aan het werk waren geweest, waren stilgevallen. Ze waren haar niet openlijk aan het aanstaren, maar de plotselinge stilte was het Aërische equivalent daarvan. Ze had waarschijnlijk te hard gesproken en daarna had iedereen kunnen zien hoe Bari haar afwees. De tranen sprongen haar in haar ogen, maar ze realiseerde zich net op tijd dat ze deze nu ze volwassen was niet zomaar in het openbaar kon laten stromen. Het bemoedigende kneepje van haar vaders hand op haar schouder hielp haar om haar tranen terug te dringen. Als ze alleen was geweest zou ze zich misschien wel hebben laten gaan, maar ze kon haar vader niet ter schande brengen. Dus ze rechtte haar rug en stak haar kin omhoog. De enkeling die wel naar haar keek, keek ze uitdagend aan … en zij was niet degene die haar blik als eerste afwendde. Er was niks waarvoor ze zich hoefde te schamen, zelfs Mena had aangegeven dat haar naam eervol was. Met een ruk draaide ze haar gezicht naar haar vader; ze slaagde er wonderwel in om haar stem niet te laten bibberen toen ze zei: Kom, laten we een van de raadsleden proberen te vinden, dan kan die ons een slaapplaats toewijzen.
Ze vonden de gemeenschapsleidster, een vrouwtje genaamd Ella, rustend in de gemeenschappelijke ruimte. Ze was oud, waarschijnlijk ouder dan Laus en daardoor de oudste soortgenoot die Ilia ooit had gezien. Ze was meer dan een eeuw geleden geboren en het was haar wel aan te zien: haar gezicht was een en al rimpels, haar ogen blind en bedekt met een melkwit vlies, haar vroeger donkere grijsblauwe schubben verbleekt tot een mat, bleek grijzig. Hoewel ze nu voorovergebogen zat, had Ilia het vermoeden dat haar rug in dezelfde stand zou staan als ze rechtop stond, ze zou ook zeker niet meer kunnen vliegen. Ilia vroeg zich af waarom zo’n oude vrouw nog de zware taak van het leiden van de volledige gemeenschap had. Ze zou op Laga al haar verdiende rust hebben gekregen, haar taak overgenomen door misschien haar dochter, zoals Nena de taak van Ilia’s grootmoeder op zich zou nemen.
Maar toen Andras de twee vrouwen aan elkaar voorstelde, was de greep van Ella’s handen verrassend sterk. Ilia boog kort in een uiting van respect en drukte de gerimpelde handen even tegen haar voorhoofd. De oude vrouw hield haar handen in een stevige greep, waardoor de haar handen niet terug kon trekken. Ondanks de blinde ogen leek Ella dwars door haar heen te kunnen kijken. Een van de licht bevende handen raakte haar gezicht aan, veegde een bijna onzichtbaar spoor van een enkele traan van haar wang. “Niet getreurd kind. Bari heeft geen idee hoe onze toekomst er uit gaat zien als we niet in actie komen.” De ogen leken haar uitdagend op te nemen. “Wij weten beter, nietwaar, kind van lucht en water?” Ilia wist even niks te zeggen. Ella grinnikte om haar duidelijke verwarring. “Kom, ik zal jou en je vader jullie slaapplaatsen wijzen.” Ze scharrelde de geschenken die Andras en Ilia hadden meegebracht bij elkaar en liep toen voor ze de gemeenschappelijke ruimte uit. Ze was wat in zichzelf aan het mompelen en toen ze Ilia voorbij schuifelde ving ze op: “Zo jong nog, ik had verwacht dat ze een oudere zou claimen. Tsk, tsk, zo jong nog.” Het mompelen stierf weg toen Ella de leiding nam, maar Ilia kon nog net de laatste opmerking horen: “Wat moet zo’n oude vrouw als ik nou met de zienersgave als ik niet eens haar weg kan zien?"

Gedurende de dag bleek dat niet alleen Bari een aversie tegen Ilia, of veranderingen, had. Haar vader had haar al gewaarschuwd dat Stani nogal stugge bewoners had, die nog minder van veranderingen hielden dan bewoners van andere eilanden, maar dit had ze niet verwacht. Zelfs Andras gaf toe dat dit erger was dan hij verwacht had. Misschien dat ze het normaal gesproken slechts zijdelings hadden opgemerkt, maar nu viel het duidelijk op dat de gemeenschapsleden Ilia zo veel mogelijk probeerden te vermijden. Ella was de enige die de bezoekers enige vriendelijkheid betoonde, maar zij was de rest van de dag en avond druk met haar eigen werkzaamheden. Ze wees hun, letterlijk, hun nis. Vanwege haar ouderdom kon ze de afdaling de heuvel in niet meer maken, ze had zelf een nis bovengronds op een beschut deel van het eiland waar ze gewoon heel kon lopen. Daarna hadden ze haar niet meer gezien.
Ilia zat de rest van de dag gevangen in een warboel van emoties, ze had geen idee wat ze met zichzelf aanmoest. Ware het niet voor de opmerking van Ella, had verdriet de boventoon gevoerd. Nu voelde ze zich vooral gekwetst en verward en teleurgesteld. Omdat het al snel duidelijk werd dat de kennismaking, het eigenlijke doel van de reis, op dit eiland niet zou gebeuren, spraken Andras en Ilia af de dag apart door te brengen. Andras zou een aantal oude kennissen opzoeken die hem alleen hopelijk wel wilden ontvangen. Ilia wist nog niet precies wat ze ging doen. Ze zou in ieder geval even de lucht in gaan om haar hoofd op te klaren.
De lucht was stralend blauw en de sterke zuidenwind bracht de eerste warmte van de lente met zich mee. Al met al was het een heerlijke dag en na een aantal flinke duikvluchten voelde Ilia zich al iets beter. De wind fluisterde haar toe, nam haar zorgen weg tot er alleen nog een vaag gevoel van verlies overbleef, het verlies van Bari. Toch was dat gevoel minder dan ze verwacht had; de wereld verging niet en ze moest eerlijk toegeven dat het eerder haar trots was die was gekwetst dan haar gevoelens.
Ze bleef lang in de lucht, zo lang als haar vleugels het konden volhouden. Ze zou langer hebben gevlogen, ondanks de vermoeidheid, als ze niet ineens een onheilspellend gevoel had gekregen. De windvlagen waren ineens niet vriendelijk en behulpzaam meer, maar leken haar bijna in zee te willen smijten. De wind fluisterde nu geen geruststellende woorden meer, maar schreeuwde haar waarschuwingen toe. Hij krijste in haar oren. Ze moest gehoor geven aan de waarschuwing, ook al had ze geen idee wat ze er verder mee moest doen. Maar, eenmaal geland, kwam ze daar snel achter.
Het was al aan het schemeren toen ze naar beneden kwam en ze zocht snel haar vader. De lucht bleef echter om haar heen wervelen, haar tot haast manend. Ze was net de gang naar de gemeenschappelijke ruimte genaderd om zich daar weer bij Andras te voegen, toen hij de gang uit kwam lopen, Ella ondersteunend. Ze leek geagiteerd, druk gebarend naar iemand achter Andras. Bari volgde beide de tunnel uit. Hij leek boos en sprak Ella heftig tegen. Zodra hij Ilia in het oog kreeg, viel hij stil. Ze had nog nooit iemand van de Aëri zo woedend gezien. “Hoe haal je het in je hoofd om haar zo overstuur te maken!” schreeuwde hij Ilia toe. Hij was razendsnel naar haar toegelopen en had haar bij haar schouders gegrepen. Hij schudde haar door elkaar. Bevroren van verassing kon ze even helemaal niet reageren, toen raapte ze zichzelf bij elkaar en duwde hem van zich af.
“Wat is hier aan de hand? Ik heb helemaal niks gedaan, ik ben zelfs net pas geland!” Ze keek verbaasd van Bari naar Ella, die nog steeds ondersteund werd door Andras. Bari leek te zien dat ze inderdaad nogal overdonderd was en haalde een paar keer diep adem om wat tot zichzelf te komen. Hij was nog steeds erg kwaad op haar, om verschillende redenen. Hij had gehoopt haar als partner te kunnen nemen zodra hij op Laga was aangekomen. Ze was hem in eerste instantie opgevallen omdat ze mooi was. Nadat hij subtiel wat had rondgevraagd, was hij erachter gekomen dat ze de kleindochter was van het hoofd van de gemeenschapsraad. Hoewel raadsleden door de gemeenschapsleden werden gekozen, betekende dit vaak dat de zoon of dochter van het aftredende raadslid de voorkeur had. Het was een zeer respectabele positie en door Ilia als partner te nemen zou hij daarin automatisch hebben gedeeld. Hij vond dat die kans nu was verspeeld en hij gaf Ilia daar de schuld van. En dat zijn oudtante zich door Ilia’s bizarre schendig van de traditie zo druk maakte, op haar gevorderde leeftijd, dat vond hij onvergeeflijk.
Hij haalde even diep adem. “Ze is oud, Ilia! Je hebt geen idee hoe gevaarlijk het voor haar is om zich zo druk te maken. Het doet je waarschijnlijk niks, maar…” “Bari, wees stil. Laat dat arme kind met rust.” Ella onderbrak hem. Ze legde haar kromme klauw op zijn schouder en draaide haar gezicht zijn kan op. Ze straalde liefde uit, maar ook alle onverzettelijkheid geboren door haar gave en versterk door haar positie in de gemeenschap. Juist die combinatie deed hem overstag gaan, hij stak zijn armen de lucht in in een gebaar van overgave. Met een laatste blik van walging richting Ilia liep hij weg; buiten gehoorafstand, maar nadrukkelijk dicht genoeg in de buurt om in te kunnen grijpen als er iets gebeurde. Ilia was daar blij om, ze wist niet wat Ella had gezien met haar gave, maar ze wist wel dat ze er beter mee om zou kunnen gaan als Bari’s dreigende gestalte niet als een onweerswolk naast haar hing.
Plotseling stond Ella recht tegenover haar, haar melkwitte blik doordringend tot in haar ziel. En Ilia besefte dat het niet Ella was die haar aankeek, maar een wezen veel ouder en machtiger. “Je moet gaan. Nu.” De woorden leken te zwaar voor zo’n frêle gestalte, veel zwaarder dan de bibberende stem die ze eerder die dag had gehoord. “Wacht niet tot volgende week, wacht niet tot morgen. Er is geen tijd meer. Ga.” Toen verliet het wezen Ella, werden de ogen weer blind en de stem krakend. “Denk aan je belofte.” Ze zakte in elkaar nu de macht haar verlaten had. Ilia schoot haar te hulp, Bari volgde nog geen seconde later. Hij duwde haar van Ella weg. Ella was licht en hij tilde haar op alsof ze niks meer was dan stof op de wind. “Je hebt haar al genoeg aangedaan. Ga weg hier, laat ons met rust.” Ilia knikte alleen maar. Het had geen zin om hem te vertellen wat er was gebeurd, hij zou haar niet geloven of denken dat ze gek was geworden. Ze zou het hem op dit moment niet eens kwalijk nemen.
Het was haar nog niet opgevallen dat Andras, die naast haar was komen staan, hun karige reisbepakking al in zijn handen had. Zonder te spreken reikte hij haar tas aan, zwijgend bevestigde ze hem tussen haar schouderbladen. Er hoefde niks gezegd te worden, hij had de woorden van Ella gehoord en geloofd. Ze zag het in zijn ogen. Haar kennismakingsreis was afgelopen.

De vlucht terug naar huis ging snel, veel sneller dan Ilia had verwacht op basis van de heenreis. Ze hadden wind mee en de golven schoten onder ze door. Het was een onstuimige dag, de wolken waren dik en donker -niet ongebruikelijk voor de naweeën van de winter- en gezwollen met regen die nog niet was gevallen. De wind zweepte de zee op tot metershoge golven die de weg leken te wijzen naar het eiland dat Ilia haar thuis noemde.
De reis duurde de rest van de dag en bijna de gehele daaropvolgende nacht, beide vliegend zo snel als ze konden. Andras en Ilia hadden niet eens hoeven te overleggen toen de schemering begon in te zetten, ze hadden elkaar niet eens aangekeken. Er zou die nacht gewoon doorgevlogen worden, tenzij een van de twee door uitputting echt niet verder kon. Ze hadden het echter gered, hoewel Ilia moest toegeven dat ze niet veel verder had kunnen gaan. De laatste paar uur was het een worsteling geweest om haar vleugels gewoon op en neer te blijven bewegen en haar schouderspieren waren nu volledig verkrampt. Ze kon zelfs niet meer haar bepakking af doen, zo moe was ze. Haar vader, hoewel hij sterker was en veel meer vliegervaring had, was er niet veel beter aan toe en in het donker moesten ze elkaar vastgrijpen om niet om te vallen. Hijgend stonden ze elkaar aan te kijken, niet in staat om ook maar iets meer te doen.
Toen klonken er voetstappen op de stenen trap, haastig, en daarna op de landingsplaats. Zachte handen haalden de tassen van hun rug en ondersteunden zowel Ilia als Andras toen hun benen hun gewicht niet meer konden dragen en ze naar de grond zakten. De handen hielden een kom vast waar koel, fris water in zat en waar Ilia een zweem van kruiden in proefde. Toen pas vond ze de kracht om te kijken bij wie de handen hoorden. Het bleek uiteraard haar moeder te zijn. “Laus zag jullie aan komen vliegen, hij dacht dat er iets ernstigs aan de hand moest zijn dat er rond deze tijd in de nacht nog bezoekers kwamen, dus hij heeft het hele eiland wakker geschreeuwd. Laus had omdat hij niet meer kon vliegen een nis op het hoofdeiland gekregen, zodat hij deze zonder te vliegen op kon zoeken. Maar dit betekende ook dat hij niet even het schiereiland met de nissen kon invliegen om een bepaald gemeenschapslid wakker te maken. Er klonk geamuseerdheid in Nena’s stem toen ze zei: Het was gelukkig snel duidelijk dat jullie het waren, je steekt nogal af tegen die donkere lucht Ilia. Bijna iedereen is weer naar zijn nis toe.”
Haar gezichtsuitdrukking werd bezorgd toen Andras zich met een kreun overeind hees. Hij schraapte even zijn keel. “We moeten even rusten. Ilia moet rust, ze…” Zijn stem brak van vermoeidheid, maar Ilia was hem al in de rede gevallen. “Ik moet weer weg, ik moet meteen op mijn Wildtocht.” “Nee. Geen sprake van.” Nena’s stem klonk onverbiddelijk. “Je kunt niet eens meer staan van uitputting! Jij vliegt vandaag geen meter meer.” Ilia was te moe om haar tegen te spreken, ook te koppig om toe te geven dat haar moeder eigenlijk wel gelijk had. Ze zou zelfs moeite hebben om naar haar eigen nis te vliegen. En zelfs dan nog… het kwam in haar op dat ze niet mocht verwachten dat Odin en Eden ook nu meteen, zonder voorbereiding, op moesten staan en vertrekken. Bovendien had ze geen idee hoe ze ze überhaupt duidelijk moest maken dat ze eerder moesten vertrekken. Waarschuwende wind en de voorspelling van een bejaarde zieneres, het klonk haar op dit moment ook op zijn minst ongeloofwaardig in de oren. Ze sloot even haar ogen, overweldigd door alles waar ze in zo’n korte tijd mee te maken had gehad.
“Ik denk dat we haar moeten dragen, dan leggen we haar bovengronds. Denk je dat je dat nog redt?” hoorde ze haar moeder tegen Andras zeggen. Dat deed haar wakker schrikken. “Nee.” Kraakte ze. “Ik kan zelf nog wel lopen. Ik vlieg nog wel naar mijn nis.” Zuchtend hees ze zichzelf overeind en deed een paar wankele stappen. Dat had ze tenminste niet gelogen, ze kon nog wel lopen. Met moeite, en wat hulp van een paar nog wakkere gemeenschapsgenoten, lukte het Ilia om haar nis te bereiken. Ze stortte zich voorover de ruimte in, wist nog net een bedankje te mompelen tegen haar helpers. Ze had nog nooit zoveel spierpijn gehad. Toen viel ze in een diepe, droomloze slaap.

Intermezzo: Wachter

Hij schrok op, gewekt door een naamloos gevoel. Hij wist onmiddellijk wat er aan de hand was: Ze was weer wakker!

Hij had misschien wel eeuwen gewacht, in zijn ondergrondse schuilplaats, beschermd en gevormd door haar vurige ingewanden. Hij was haar wachter, degene die haar zou beschermen op het moment dat ze dat het meest nodig zou hebben. Tegen haar aanvallers, maar vooral tegen zichzelf. Hij zou haar andere beschermers inlichten en opleiden. Dat was zijn doel, daarvoor had zij hem gecreëerd, nu al eeuwen geleden.

Hoe lang hij al leefde wist hij niet. Het grootste gedeelte van zijn leven had hij geslapen. Als zijn vrouwe wakker was, was hij dat ook, en als zij sliep droomde hij met haar mee. Het enige verschil was dat hij zich alles kon herinneren van zijn wakende periodes, hij kon aan zijn eigen verwarring voelen dat zijn vrouwe haar lange geheugen kwijt was. Daar maakte de wachter zich geen zorgen over, ze had al lang voordat ze in haar sluimering terecht kwam maatregelen genomen om zichzelf te beschermen wanneer de tijd daar was. Dat hij nu wakker was, was daar het bewijs van.

Vroeger had hij een naam gehad, maar die was hij vergeten. Hij was geboren als een ander wezen, gestorven en weer teruggekomen. Zijn vorm was elke keer dat ze hem nodig had anders geweest, maar de geest die in de lichamen zat was altijd de zijne. Soms had hij niks meer hoeven doen dan de wereld verkennen en haar op de hoogte houden door in haar dromen te verschijnen, de laatste keer had hij voor haar de voorbereidingen getroffen voor dit moment.

Nu was het anders. Geen verkenningen, geen voorbereidingen, maar oorlog. Er was al eens eerder oorlog geweest, voor zijn tijd nog. Dat wist hij uit haar dromen en hij had de puzzelstukjes in elkaar gepast. Ze was zelf ten oorlog gegaan en had bijna het volledige ras wat de wereld bewoonde weggevaagd, zonder uitzondering verbrand, verdronken, verpletterd. Degene die de slachting hadden overleefd hadden zich over de verwoestte wereld verspreid en hadden zich aangepast aan hun nieuwe omstandigheden. Maar ze had zichzelf tijdens de verwoesting vreselijk verwond, tot op het punt toe dat ze het bijna niet had overleefd. Ze was in een sluimering verzonken om zo goed mogelijk te genezen en daarna had ze hem geschapen. Zodat ze dit de volgende keer zou kunnen voorkomen, zowel de slachting van haar kinderen als haar eigen wonden.

Hij wist wat hem te doen stond. De anderen waren al door haar onderbewustzijn wakker geschud en ze zouden al onderweg zijn. Ze zouden naar hem toe komen, getrokken door iets wat ze niet zouden begrijpen, maar waar ze geen weerstand aan konden bieden. Samen zouden ze al haar macht hebben, maar ook alle wijsheid, vriendelijkheid en kalmte die er door de eeuwen heen door deze volkeren was verzameld. Ze zou niet nogmaals in een vlaag van onbeheersbare woede ten onder gaan nu haar macht verdeeld was.

Hij verrees uit zijn vurige schuilplaats. Wanneer ze aankwamen, zou hij klaar zijn.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!