Aëri: Compleet hoofdstuk 3, Intermezzo

Hoofdstuk 3: Wildtocht

Verrassend genoeg verliepen de dagen daarna in een stroomversnelling. Ilia had nadat ze in slaap was gevallen bijna een volledige dag en nacht geslapen en toen ze wakker werd, bleek haar vader Odin al op de hoogte te hebben gesteld, evenals de gemeenschapsraad. Sinds iets meer dan een week bestond de laatste nog maar uit vier Aëri; zoals Ilia vóór haar reis al had voorgevoeld was Mena aan haar ziekte overleden. Ze was blij dat de al afscheid had genomen voordat ze was vertrokken, maar het maakte het verlies niet minder moeilijk. Het verbaasde haar niet dat ze er op de andere eilanden nog niks van had gehoord. Eerst zou Mena’s gemeenschap en haar familie afscheid van haar nemen, een wake die een week zou duren. Pas in de nacht dat het lichaam werd verbrand zou er een boodschapper op weg gaan om het nieuws rond te brengen. In de weken daarna zou haar as in een daarvoor bestemd kistje worden bewaard en zouden alle Aëri die dat wensen haar stoffelijke overschot eer kunnen bewijzen.
Mena was al een paar dagen terug gecremeerd en er waren al een paar oude vrienden van haar langsgeweest. Ilia wilde dat ze er bij kon zijn als Mena’s as aan de wind zou worden toevertrouwd, maar dat zou pas tijdens de eerstvolgende nieuwe maan zijn en ze wist dat ze tegen die tijd het vasteland al lang bereikt zou hebben. Pas nadat Mena’s as was uitgestrooid zou er een nieuw raadslid gekozen worden, tot die tijd zou de raad uit vier leden blijven bestaan.

Zodra Ilia wakker was had ze Odin opgezocht. Ze voelde zich nog wat slap, maar dat kwam voornamelijk door de honger. Zodra ze wat had gegeten verdwenen de ergste duizelingen. Alleen haar spieren bleven stijf aanvoelen.
Als Odin twijfels had gehad over het vervroegde vertrek, of over Ilia’s geestelijke gezondheid wat dat betreft, hield hij die voor zich. Misschien dat hij die tijdens Ilia’s slaap wel tegen Andras had geuit, maar dat kreeg Ilia nooit te horen. In plaats daarvan liet hij haar weten dat ze zouden kunnen vertreken wanneer Ilia zich daar goed genoeg voor voelde. Ze wilde aangeven dat dat wat haar betreft die dag al kon, maar bedacht zich. Ze kon dan misschien wel net zo lang doorvliegen als haar vader, door haar relatief weinige vliegervaring herstelde ze lang niet zo snel als hij. Daarom spraken ze af om in de loop van de volgende dag te vertrekken. Zo kon Ilia nog een avond met haar ouders doorbrengen en had ze in der ochtend nog tijd om een aantal dingen in te pakken. Ze hoefde zelf niet zo veel mee te nemen, alleen wat persoonlijke spullen. Odin had de rest ingepakt en mochten ze onderweg meer nodig hebben, wat eigenlijk onvermijdelijk was, zouden ze ervoor handelen.
De avond en daaropvolgende ochtend gingen snel voorbij en hoewel Ilia het afscheid nemen zo lang mogelijk probeerde uit te stellen, kwam het moment uiteindelijk toch. Haar ouders hadden haar geholpen met het omgorden van haar bepakking. In tegenstelling tot de lichte reistas die ze tijdens haar kennismakingsreis had gehad, waren dit zwaardere zakken gevuld met handelswaar, beschermd tegen regen en zeewater door geolied leer. Als ze die op haar rug zou dragen zou ze te veel uit balans raken, dus deze tassen droeg ze voor haar lichaam. Of eigenlijk onder haar lichaam als ze in de lucht was. Ze schudde zich even uit om te kijken of alles goed vast zat en de sluitingen haar geen last bezorgden. Een zijdelingse blik naar Eden en Odin vertelde haar dat zij hetzelfde deden.
En toen was het tijd voor het afscheid. Ilia wist niks te zeggen, ze had geen idee wat haar te wachten stond en nu het moment daar was kneep een plotselinge angst haar keel dicht. Alles wat haar bekend was zou ze achter zich laten en dat drong ineens tot haar door. “Ik kom terug.” Was het enige wat ze wist te zeggen. Nena streek haar alleen even over haar voorhoofd, Ilia wilde haar omhelzen, maar zag in Nena’s ogen dat ze dat nu niet aankon; dat ze dan in huilen uit zou barsten en juist nu sterk wilde zijn. Andras daarentegen nam Ilia in een verpletterende omhelzing. “Kom terug.” Fluisterde hij in haar oor. Ze koesterde zich nog even in die veilige vertrouwde omhelzing en maakte zich toen voorzichtig los. Ze kon maar met moeite haar tranen terugdringen. Toen slikte ze een paar keer en draaide ze zich om naar haar reisgenoten. Odin zag er opgewekt uit en Eden stond te trappelen om te vertrekken, zijn gezicht een en al opgewonden verwachting. Odin gaf haar een bemoedigende klap op haar schouder toen ze naast hem kwam staan. Meteen daarna sprong ze de lucht in, Eden volgend in zijn kielzog. Ilia keek nog een laatste keer om, de gezichten van de meest geliefde mensen in haar wereld in zich opnemend. Toen steeg ook zij op.
De afstand tussen de reizigers en het eiland werd snel kleiner, maar Nena en Andras stonden ze nog lang na te kijken, tot het dikke witte wolkendek de drie zwarte stipjes uiteindelijk had verzwolgen.

Vanaf dat moment kwamen ze geen van Ilia’s soortgenoten meer tegen. Ze vlogen met een omtrekkende beweging via het westen naar het noorden, zo alle bewoonde eilanden van de Aërische gemeenschap omzeilend. Ze schoten snel op, hoewel lang niet zo snel als Ilia en Andras een paar dagen geleden. Ilia moest toegeven dat het haar zo wel beviel; het was een rustig tempo dat ze langer zou kunnen volhouden, zelfs met het gewicht dat ze moest dragen. Bovendien waren Odin en Eden na een korte tijd begonnen met zingen, een lied over de schoonheid van de wereld in vogelvlucht waarvan Ilia de woorden maar vaag kende, wat haar langzaam maar zeker in een wat vrolijkere stemming bracht. Ten slotte zong ze zelfs mee, met haar hogere stem invallend in het refrein.

Haar humeur was een stuk beter toen de contouren van een aantal kleine eilandjes in zich kwamen, ookal begin het weer te verslechteren. De avond was al ingezet en Ilia begon vermoeid te worden, dus ze hoopte dat dit de eilanden waren waar ze voor het eerst zouden overnachten. Ze hoorde de stem van Odin nauwelijks boven de harde wind uit, ookal gebruikte hij het luchtdialect, de hoge fluittonen die de Aëri gebruikten om zich in de lucht verstaanbaar te maken als gesproken taal onverstaanbaar was door de weersomstandigheden. In tegenstelling tot de gesproken taal hoefde het luchtdialect niet te worden aangeleerd, de kennis en vaardigheden waren al volledig ontwikkeld bij de geboorte. Odin riep dat ze hier zouden landen en Ilia veranderde iets van koers tot ze de eilanden recht voor zich had liggen.
De eilanden hadden geen naam en waren niet bewoond. Ze werden voornamelijk gebruikt door de handelaren om er door het jaar heen bepaalde handelswaar op te slaan of om er te overnachten. Het waren vergeleken bij de bewoonde eilanden maar kleine stipjes in het donkere water, maar Ilia was dankbaar voor elke droge plaats uit de geselende wind.
Het landen ging wat minder goed dan anders. In de lucht had ze nauwelijks last van de zware bepakking die ze droeg, daarom had ze daar tijdens het landen geen rekening mee gehouden. Zodra haar voeten de grond raakten, trok het gewicht haar naar voren. Ze deed nog een poging haar evenwicht te bewaren door haar bovenlichaam naar achter te gooien, maar daarvoor was de tas te zwaar. Ze viel plat voorover op de grond, haar handen voor zich uit gestoken terwijl ze nog even doorgleed over de gladde rotsen tot ze tegen een rotswand tot stilstand kwam. Beduusd bleef ze liggen. Pas toen ze geluiden achter zich hoorde, stond ze op, zichzelf uit de gordels helpend. De tassen bleef achter op de natte rotsen. Achter haar stonden Odin en Eden. Eden had blijkbaar al van zijn vader te horen gekregen dat hij op het extra gewicht moest letten, of anders had hij daar zelf aan gedacht, want hij was keurig geland. Ilia zag dat beiden veel moeite moesten doen om hun gezicht in de plooi te houden, maar hun trillende mondhoeken en de ingehouden geluiden die ze net gehoord had bewezen haar dat ze haar hartelijk aan het uitlachen waren. Ze raapte het beetje waardigheid dat ze nog kon opbrengen bij elkaar en vroeg: “Als jullie zijn uitgelachen, zullen we dan een droge plek opzoeken?” Odin grinnikte even hardop en begon verder het eiland op lopen. Ilia mopperde zachtjes na en pakte, ondertussen haar geschaafde handen bekijkend, haar doorweekte reisbescheiden en sloot de rij.

Binnen een mum van tijd zaten ze gedrieën rond een gezellig knapperend vuur. De grot waarin ze zich hadden verscholen was klein, maar met uitgeholde ruimtes waarin hout, gebruiksartikelen en lang houdbaar voedsel was opgeslagen. Na de kou van die dag was de warmte weldadig: Odin had zijn benen loom uitgestrekt, zijn ogen dicht, zachtjes voor zich uit zingend; Eden was in slaap gevallen, hij had er duidelijk geen last van dat hier geen nissen waren en ze op de keiharde grond moesten slapen, zijn gesnurk was bijna harder dan het neuriën van Odin. Maar hoewel haar lichaam moe was, Ilia kon de slaap niet vatten. Niet alleen kon ze geen comfortabele houding vinden op de steen, de beelden in haar hoofd waren daarvoor veel te helder. Na een tijdje probeerde ze het niet eens meer, ze volgde de schaduwen die het kleine vuurtje op de rotswanden maakte en luisterde naar het liedje dat Odin voor zich uit bleef neuriën. Ze dacht er een oud slaapliedje in te herkennen. Ze liet haar gedachten de vrij loop.
Toen schoot ze overeind. In alle emoties die ze de afgelopen dag had meegemaakt was het haar niet opgevallen, maar nu, in dit moment van rust, besefte ze ineens dat ze erg weinig handelswaar mee hadden voor de periode die ze weg zouden blijven. Ze keek nogmaals naar de stapel tassen: Een lange bewerkte walrustand, de tweede verdeeld in kleinere stukken en tot verfijnde beeldjes gevormd, een aantal –voornamelijk wrakhouten- kommen en schalen, ook bewerkt, de kleine hoeveelheid moskruid die gemist kon worden, wat kleine gebruiksvoorwerpen zoals visgraten kammen en naalden. Alles bij elkaar een kostbaar geheel, maar zelfs Ilia wist dat als dit nooit genoeg zou zijn om de volledige Wildtocht te bekostigen en daarna nog voorraad in te slaan voor de gemeenschap.
Ze schoof iets naar Odin toe. “Odin,” vroeg ze. “ik snap iets niet.” Het zachte gezang hield op en zijn ogen schoten open. In het vuur leken ze wel van goud. Hij gebaarde dat ze door kon gaan en ze vertelde wat haar was opgevallen. Een glimlach verlichte zijn gezicht en in zijn ogen kon Ilia zijn goedkeuring zien, maar ook, heel vluchtig, een zweem van teleurstelling. Ze snapte niet precies waarom. “Maak Eden even wakker als je wilt. Dan zal ik jullie beiden even iets uitleggen.”
Eden bleek een stuk dieper in slaap dan Ilia had verwacht en ze moest flink schudden en zijn naam fluisteren om hem wakker te krijgen. Het was zo stil en vreedzaam in het grotje, er hing zo’n serene sfeer, dat Ilia dat niet wilde verstoren door hardop zijn naam te zeggen. Hij schrok wakker. Na een paar keer met zijn ogen knipperen leek hij zich te herinneren waar hij was. Ilia trok hem mee, liet hem naar Odin plaatsnemen en ging zelf aan Odins andere zijde zitten.
"Ilia, leg even kort aan Eden uit welke vraag je had." Vroeg hij aan haar. "Nou, ik was toevallig naar de handelswaar aan het kijken en het viel me ineens op dat het eigenlijk niet zo veel is." Eden keek haar ongelovig aan. "Niet zo veel? Misschien dat jij niet zo veel hebt gedragen, mijn tas was anders aardig zwaar." Wrevel kleurde zijn stem. "Dat bedoelde ik niet Eden. Ik bedoel, hoe lang zijn we weg? Zeker een aantal maanden? Dus we moeten in ieder geval voor eten en ik denk ook onderdak zorgen. Daarnaast hebben we ook nog een lijst bij ons van spullen die we weer mee terug moeten nemen. Heb je die lijst gezien?" Eden schudde zijn hoofd. "Er staat ook hout op die lijst en ook wat metaal. Wat we bij ons hebben mag dan wel heel kostbaar zijn, ik weet het niet… het lijkt mij op een of andere manier gewoon niet genoeg."
Eden snoof en wilde antwoord geven, maar Odin was hem voor. "Ilia heeft wel gelijk Eden." De blik in zijn ogen getuigde van zijn ongeloof. Verbijsterd keek hij nogmaals naar de stapel spullen, taxeerde deze en leek zich toen een voorstelling te maken van alles wat daar mee gekocht moest worden. Zijn gezicht kreeg een begrijpende uitdrukking, toen vlogen zijn ogen open. "Waarom hebben we dan niet meer meegenomen?" Odin zuchtte. "Omdat we niet méér te verhandelen hebben." Hij dacht even na, de goede woorden zoekend. "We zijn een arm volk, qua natuurlijke bronnen. Jullie weten dat zelf ook wel: er is geen hout, geen metaal. Metaal kunnen we zonder, maar zeker in de winter is hout onontbeerlijk. En we hebben over het algemeen niks te ruilen." Hij staarde in de dansende vlammen. "We hebben nu mazzel dat we de walrustanden kunnen ruilen en dat we wat moskruid over hadden, maar normaal gesproken hebben we dat ook niet. De rest… is eigenlijk meer bedoeld als geschenk, aan vrienden of relaties. Dat heeft bijna geen handelswaarde." "Maar… de handelaren nemen wel altijd alles wat we nodig hebben mee terug." De vraag in de stem van Eden was overduidelijk. Odin leek zich schrap te zetten, zijn ogen bleven gericht op het vuur. Toen zakten zijn schouders iets in en bekende hij: "We werken voor hetgeen we nodig hebben."
"Wat!!" Eden was opgesprongen, ogen groot en glanzend. Ilia zei niks, ze zat versteend naar Odin, niet in staat te bewegen. Ze had al wel gedacht dat het misschien zoiets zou zijn, maar om het nu zo te horen deed haar toch schrikken. Haar eerste reactie was ook ongeloof, maar ze had de afgelopen maanden goed geleerd haar emoties onder controle te houden. Eden had hier blijkbaar meer moeite mee. Als een gekooid dier beende hij door de kleine grot heen, zijn vleugels hoog opgetrokken en uitgevouwen, klaar voor de aanval. "Dat kan niet! Dat mag niet! Waarom zouden wij moeten het werk moeten doen voor een stel van die smerige vastelanders?!" Hij gromde de woorden. "Werken als een stel arbeider! Dat is toch beneden onze waardigheid!" Het daagde Ilia dat Eden had gerekend op een hoge status, zowel bij de Aëri als op het vasteland. Hij wilde bewonderd worden, geëerd, hij wilde niet gebruikt worden als een willekeurige arbeider. Ilia zuchtte toen ze aan Bari dacht. Waren alle mannen zo? Zo belust op status dat ze al het andere uit het oog verloren? Nee, dacht ze toen, niet allemaal. Haar vader was anders en Odin ook.
"Eden, ga alsjeblieft even zitten." Odins stem onderbrak de woordenstroom van Eden. "Ik was al bang dat je zo zou reageren. Ik mocht vooraf niks vertellen, dat weten jullie al, en ik zag er tegenop om het jullie bekent te maken, al is het niet iets waarvoor ik me schaam. Ik moet ook duidelijk maken dat het werk wat ik doe, wat de andere handelaren doen, geen arbeiderswerk is." Hij beklemtoonde het woord en keek zijn zoon veelbetekenend aan. "Het is geen schande om te werken, zelfs niet als dit wel arbeiderswerk zou zijn. Ieder wezen moet eten, en dat moet verdiend worden." Het was geen berisping, maar de onderliggende gedacht was duidelijk genoeg. Eden keek nu bedremmeld, zijn eerdere woede en verontwaardiging weggevaagd door de woorden van zijn vader.
"Wat voor werk doen we dan? Ik bedoel, ik neem aan dat wij tijdens de Wildtocht gewoon mee moeten werken?" vroeg Ilia. Hoewel het idee haar ook helemaal niet aanstond, had ze zich er al wel bij neergelegd. Ze kon niet anders, wilde ze naar Wildtocht voltooien. En ze zou nooit ofte nimmer met hangende pootjes terug naar huis gaan, haar trost was daar veel te groot voor. "Over het algemeen worden we ingehuurd als boodschappers. We kunnen deze keer alleen opdrachten aannemen die ons langs dezelfde route als onze tocht voert, dus ik ben bang dat het werk wat beperkt zal zijn. Maar normaal gesproken gebeurt het regelmatig dat ik in een week meerdere plaatsen aandoe. "Hij grinnikte. "Wij zijn natuurlijk veel sneller dan die vleugelloze vastelanders." Goed, ze moest zichzelf bekennen dat dit niet eens zo slecht klonk. Eden keek nog sceptisch. Ilia kon een geeuw niet onderdrukken. De vermoeidheid was langzaam in haar botten geslopen en liet zich nu gelden. Odin zag het. "Kom op jullie. We gaan slapen. Morgen zullen we het vasteland bereiken en vanaf dan wordt alles anders. Ik denk niet dat jullie de eerste paar nachten goed zullen slapen, dus rust vanacht goed uit." Ilia had zich al in een van de ondiepe nissen in de grot genesteld, haar vleugels strak om zich heen geslagen. Het was een stuk krapper dan haar nis thuis, maar voordat ze zich daar druk over kon maken sliep ze al.

Het liep de volgende dag al tegen de avond toen ze het vasteland bereikten. De vlucht had toch langer gedacht dan Ilia had verwacht, maar het zien van het enorme stuk groen gekleurd land maakte de lange toch meer dan goed. Uit de zee rezen hoge rotsen, van de voor Ilia bekende lichtgrijze steen, maar daarop… Ze wist wat begroeiing was, wat bomen waren. Tenminste, dat had ze gedacht. De plaatjes in de woordenboeken van het Gemeenschaps waren niet toereikend geweest, dacht ze, toen ze landden op de met zacht mos begroeide plek die Odin als landingsplaats had uitgekozen. Het was een redelijk kleine open plaats op een uitstekend stuk
ots, omringd door bomen en laag struikgewas. Onder hen beukte de zee tegen de voet van de rots; het vertrouwde geluid vormde een scherp contrast met het beeld wat Ilia voor zich zag. Het was adembenemend en voor een lang ogenblik kon ze niks anders dan verwonderd om zich heen kijken.
Haar aandacht werd naar de lucht getrokken toen een aantal luid krijsende vogels richting zee vlogen, achter elkaar aan dartelend. Ze ving een korte glimp op van gele snavels en felle zwarte ogen in een grijswit verenkleed. "Meeuwen." Hoorde ze Odin zeggen. "Onze eilanden zijn te koud voor ze." Het duizelde haar. Zoveel nieuws… het was nooit in haar opgekomen dat het vasteland zo mooi kon zijn.
"Hmmpf… het stinkt hier." Eden was overduidelijk niet zo onder de indruk. Ze wierp hem een korte blik toe. Zijn ogen dwaalden langs de rij bomen, zijn neus gerimpeld en zijn vleugels nog half uitgeslagen, als hij elk moment weer zou vertrekken. Ilia snoof de lucht op. Ja, het rook inderdaad anders. Naast de bekende geur van zout en water, rook ze ook iets wat ze niet kon thuisbrengen. Het deed haar een beetje denken aan versgeschraapt moskruid, maar veel sterker en donkerder. Niet onaangenaam, vond ze zelf. "Vader, zullen we verder gaan? Ilia kan onderweg ook wel naar die groene onzin blijven gapen." Irritatie klonk duidelijk door in zijn stem. Ilia onderdrukte haar kwaadheid, maar kon een zelfvoldane glimlach niet onderdrukken toen een heftige windvlaag hem uit zijn evenwicht bracht en op zijn knieen in het mos deed belanden. Net goed! Met een vies gezicht stond hij snel op, driftig de groene strepen van zijn schubben vegend.
Odins gezicht was uitdrukkingsloos, maar Ilia meende een kleine trilling bij zijn mondhoek te zien. En weer de droefheid die ze de vorige avond had opgemerkt. Ze vroeg zich af of ze zich het maar verbeeldde, de emotie was zo snel weer verdwenen dat het leek alsof die er nooit was geweest. "Ik wilde vandaag eigenlijk niet meer verder gaan. Vanaf hier gaan we namelijk te voet verder." Zelfs Ilia was even verbijsterd. Te voet? Waarom? Vliegend zou het zo veel sneller gaan. Odin leek hun gedachten te kunnen lezen. Waarschijnlijk had hij bij zijn Wildtocht precies hetzelfde gedacht. "Het gaat er bij de Wildtocht niet om dat we zo snel mogelijk van plek naar plek gaan. Het doel is het vasteland te leren kennen, de wezens die er leven en de manier van leven. Zodat… jullie als handelaar weten hoe het er aan toegaat." Zijn stem had even geaarzeld bij het woord jullie en zijn ogen hadden die van Ilia gevangen. Ze wist waar hij over viel. Ze kon geen handelaar worden, ze kon niet nog meer regels breken. Wat was haar doel dan? De altijd aanwezige trilling in haar botten werd even heviger als om haar ergens aan te herinneren. Ze wist waaraan, ze had geen herinnering nodig. Maar dan nog… wat was haar uiteindelijke doel dan?

"Bah, rottige stinklucht. Stomme bomen. Waarom lopen als we dit rotbos kunnen vermijden?" Eden verwachtte geen antwoord, hij was al de hele ochtend in zichzelf aan het mompelen. Eigenlijk zelfs al vanaf het moment dat Odin had besloten dat ze op de landingsplek zouden overnachten en daarna te voet verder zouden gaan.
In de vroege ochtend, toen de zon nog nauwelijks op was, waren ze op weg gegaan. Ilia had na de landing al in de nabije bosjes rondgezworven, daarbij helemaal geen aandacht bestedend aan het opzetten van het kamp, wat ze vanaf nu elke avond zouden doen. Vanuit haar ooghoek zag ze Eden worstelen met het tentdoek, maar ze bleef betoverd door de manshoge bomen met hun smaragdgroene naalden. Odin had haar een aantal keer geroepen, toen hij geen reactie kreeg schudde hij zijn hoofd en zei tegen niemand in het bijzonder: "Dat wordt nog wat als we verder het binnenland in gaat." Ilia had hem gehoord, maar niet begrepen, wat kon er nou fascinerende zijn dan dit? Zelf de geluiden, het geritsel en gekraak, was anders dan thuis. Pas toen het volledig donker was geworden en zelf Ilia moeite kreeg met zien, besloot ze te gaan slapen.

Ondanks de korte hoeveelheid slaap was ze nu niet moe. Er was te veel te zien, te veel te horen, zelfs te veel te ruiken. Odin had ze naar een licht uitgesleten pad door de bomen geleid, wat ze nu al de hele dag hadden gevolgd. Ze hadden stevig doorgelopen en de spieren in Ilia’s bovenbenen waren al een tijdje terug begonnen te branden. Ze hadden een aantal andere paden gekruist en de enige woorden die deze dag werden gesproken was de uitleg van Odin over de bestemming van die paden. De bomen waren tegen het eind van de dag hoger geworden, groter dan Ilia zich een voorstelling had kunnen maken. Tussen die bomen sloegen Odin en Eden kamp op, terwijl Ilia probeerde een vuurtje te stoken. Het lukte maar net en het walmde erg, ze had nooit geweten wat er een verschil was tussen het droge hout wat op de eilanden beschikbaar was en het levende hout van dit bos.

De dag daarna verliep hetzelfde, min of meer. Ilia begon gewend te raken aan al het nieuws en liep alsof ze nooit anders gedaan had. Ze miste het vliegen, haar vleugels jeuken van de drang om zich uit te slaan en op te stijgen op de naar dennen geurende wind. Maar Odin had het ze verboden. Ze zouden het eerste stuk te voet afleggen, zoals de rest van de wereldbewoners.
Ze eerste daarvan kwamen ze vlak na de middag tegen. En wat Ilia ook had verwacht, dit was het absoluut niet. Luid geschreeuw kondigde de Mense al aan voordat de Aëri ze konden zien. Hoewel het lawaai hard genoeg was om een compleet dorp wakker te maken, bleken het maar een viertal mannen te zijn. Het was een eindje verderop, maar met haar scherpe ogen kon ze ze duidelijk zien. In de naam van de wind, wat was het een lelijk volk! Het waren kleine, gedrongen mannetjes, met een gelige huid. Met een kále huid! Het verbaasde haar absoluut niet dat twee van de vier zich met iets van dekens of lappen stof hadden omwikkeld, ze kon zich niet voorstellen hoe koud het was zonder de bescherming van haar schubben. Die andere twee moesten het wel koud hebben, zeker nu ze zich afspoelden in het water. Eén van de mannen draaide zich om terwijl ze stond te kijken. Geschrokken tot in haar botten wendde ze haar ogen af. “Odin!” fluisterde ze, “Wat is dit voor volk?? Ze lopen gewoon maar rond met hun… Hebben ze geen fatsoen!? Kunnen ze niet die... hun… eh… je weet wel…Kunnen ze die niet gewoon terugtrekken? Wat onfatsoenlijk!” Tot haar verbazing schoot Odin in de lach. “Ilia, Mense kunnen hun geslachtsdelen niet terugtrekken. Ze hebben geen schubben waar ze ze achter kunnen verbergen. Daarom dragen ze kleding. Tenzij ze een bad nemen natuurlijk.” Ze kon niks uitbrengen. Tussen haar wimpers door gluurde ze nogmaals naar de Mense, die zich intussen weer hadden aangekleed. Toen ze weer opkeek, bleken Odin en Eden alweer verder te zijn gelopen. “Ilia, kom op. We zijn bijna bij de overnachtingsplek en dan zie je nog genoeg Mense. Probeer niet te staren.”

Het niet-staren bleek lastiger gezegd dan gedaan. Het was druk op de open plek waar ze hun kamp op zouden slaan. Ze keek haar ogen uit, ze was nog nauwelijks bijgekomen van de eerste Mense die ze gezien had, nu zou ze tussen ze overnachten. Ze was überhaupt nog nooit tussen zoveel personen geweest en het maakte haar benauwd. De blikken die de Mense-mannen op haar wierpen lieten haar hart sneller kloppen en het koude zweet kriebelde langs haar ruggengraat. Ze probeerde zich niet te laten kennen en liep zo nonchalant mogelijk achter Odin aan. Ze probeerde subtiel zijn aandacht te trekken, maar hij liep stevig door zonder achterom te kijken. Toch leek hij haar ongemak opgemerkt te hebben, want hij liep net zo lang door tot ze bij de rand van het veld aankwamen, waar het rustig was. De Mense die er waren, wierpen het nieuwe gezelschap een korte nieuwsgierige blik toe, maar bleven niet zo ombeschaamd kijken als de grotere groepen waar ze net langs waren gekomen.
Een van de Mense stond op en liep naar ze toe. “Vriend Odin! Hoe staat de wind? Ik heb net gegeten, anders was je van harte welkom geweest om mijn maaltijd te delen.” Hij sprak in het Aërisch, maar met zo’n zwaar accent en zulke slechte grammatica dat Ilia het nauwelijks kon verstaan. Odin lachte en greep de onderarm van de vreemdeling stevig vast. “Keris! Ik had gedacht dat je Aërisch niet slechter kon worden, maar ik heb me duidelijk vergist!” hij antwoordde in het Gemeenschaps, zijn toon en lichaamshouding zo hartelijk –zo anders dan wat Ilia gewend was, zo onbehoorlijk bijna- dat Ilia zich even moest afvragen of het echt wel Odin was waar ze naar keek. Toch ging haar hartslag door deze begroeting langzaam naar beneden. Dit was duidelijk een vriend.
“De wind komt uit de goede hoek, mijn vriend. De jouwe hopelijk ook?” Keris antwoordde bevestigend, nu hij in het Gemeenschaps antwoordde kon Ilia hem een stuk beter volgen. Odin wenkte Ilia en Eden dichterbij. “Keris, dit zijn mijn zoon Eden Adelaar en mijn di-enari Ilia Golfbreker. Eden, Ilia, dit is een goede vriend van mij, Keris Aliabanti.” Ilia wist niet wat di-enari betekende, maar ze zag Eden zijn kaken iets verstrakken voordat hij zichzelf dwong te glimlachen naar Keris. Keris schudde beiden de arm, zijn blik bleef op Ilia rusten. Niet opdringerig, maar nieuwsgierig. Tcoh maakte het haar ongemakkelijk en blozend wendde ze haar ogen af.
“Het spijt me als ik onbeleefd lijk, vrouwe, maar ik heb nooit eerder een vrouw van uw volk gezien.” Zijn toon was formeel, maar de bewonderende blik in zijn ogen deed een nieuwe golf van bloed naar haar gezicht stomen. Het was maar goed dat de avondschemering het gehele veld in een rode gloed dompelde, dacht ze. Toch voelde ze zich niet bedreigd, hij leek niet onvriendelijk. “Aangenaam heer Aliabanti. Wees gerust, ik voel me niet beledigd. Ik heb vandaag ook voor het eerst Mense gezien, dus ik kan me uw verwondering goed voorstellen!” Het gelige gezicht spleet open in een brede glimlach. “Je, vrouwe, zegt u maar je, gewoon Keris! Dan zou ik graag met u van gedachten willen wisselen over onze volkeren als u daar tijd voor heeft.”
Ilia wierp een schuine blik op Odin, ze wist niet wat ze daar op moest antwoorden. Aan de ene kant wilde Ilia meer leren over dit lelijke volk, dat zo anders was van haar eigen ras, aan de andere kant had ze de behoefte om alles even te laten bezinken. “Misschien dat dat wellicht voor een ander moment geschikter is, Keris.” Hielp Odin haar. “ Het is een lange dag geweest en we zijn denk ik allemaal toe aan rust. Zou je me in plaats daarvan naar de algemene etensvuren kunnen brengen?” Dat bleek geen probleem te zijn en met een laatste blik op Ilia liep hij voor Odin uit naar het drukkere gedeelte van het veld. Odin draaide zich nog even om. “Zouden jullie terwijl ik weg ben het kamp op kunnen zetten?” Hij wachtte niet op een antwoord.
Ilia keek Eden aan. “ Weet jij hoe je kamp opzet?” Eden gromde iets en begon met boze bewegingen een tentdoek uit een tas te halen. Zijn gezicht bleef afgewend toen hij Ilia toesnauwde dat ze de dekens moest pakken en een vuur moest maken. Ilia vermoedde dat hij net zo moe was als zij en daarom zo kwaad was. Ze besloot er niet op te reageren, de nieuwe indrukken die ze vandaag had gekregen maakten haar ook wat kriebelig en ze had geen behoefte aan ruzie. Snel had ze een klein vuurtje opgebouwd en een er pannetje gevuld met Hallas boven gehangen, ze snakte naar iets bekends, iets van thuis.
De hallas was klaar toen Eden naast haar kwam zitten. De tent stond volledig opgezet achter hem, meer nodig omdat het tentdoek wat privacy boodt dan om ze te beschermen tegen de temperatuur. Het was al een stuk warmer dan Ilia gewend was. Ze stak Eden een mok toe, die hij dankbaar aanvaarde. De strakke lijnen rond zijn ogen verzachtten iets en hij mompelde een zacht bedankje. Ook Odin bleek wat eten veroverd te hebben en kwam teruglopen. Keris was er niet bij. “Ik heb het maar op vis gehouden, morgen proberen we wel wat nieuwe smaken.” Hij leek in een uitzonderlijk goed humeur. Hij droeg een drietal grote spiezen met een Ilia onbekende vissoort en gaf ieder er een. Plotseling was ze uitgehongerd, zonder er op te letten dat hete voedsel haar tong verbrandde schrokte ze alles naar binnen. De vis smaakte verassend goed, gemarineerd met kruiden die ze niet kon thuisbrengen.
Zo zaten ze een tijdje naast elkaar, rond een vuurtje dat meer licht gaf dan warmte. Het was een kameraadschappelijke stilte en Ilia genoot er intens van. In de verte zag ze de grotere vuren waar werd gekookt en waar nog wat handel werd gedreven, de rest van het veld was bezaagd met vuurtjes zo klein dat het speldenprikjes leken De hemel was diepzwart, uitgestrekt totdat hij verdween achter de bomen rond het veld en bezaaid met sterren. Minder zichtbaar dan thuis leek het wel, maar wel dezelfde.

Ze werd wakker toen de zon nog maar net boven de horizon was uitgekomen. Het was warm in de tent en benauwd, met drie lichamen zo dicht op elkaar, ondanks dat de dag druilerig en koud was begonnen. Zo zachtjes mogelijk probeerde ze de tent uit te scharrelen, maar kon niet voorkomen dat ze over Edens voeten naar buiten struikelde. Ze hoorde hem zachtjes vloeken en kon een grijns niet onderdrukken.
Het verbaasde haar dat zowel Odin als Eden goed hadden geslapen. Ze was zelf een paar uur terug pas in slaap gevallen. Ze was niet meer gewend om op de grond te liggen, zeker niet met twee anderen zo dicht in de buurt. Ze kon haar vleugels nergens kwijt.
Ilia pookte het nog smeulende vuurtje op. Toen pas viel het haar op dat er in de loop van de nacht nieuwe bezoekers naar het veld waren gekomen en dat deze hun plek ook in de luwte hadden gezocht, niet ver van hun eigen kamp. Ze besteedde er niet te veel aandacht aan, de bezoekers hadden zich in dekens gewikkeld, een ervan leek op het punt te staan om wakker te worden en Ilia wilde niet betrapt worden op staren. Stiekem volgde ze de beweging van de wakker wordende man, want aan zijn lengte te zien was het dat, tot hij opstond en de deken van zich aftrok.
Plotseling was het alsof ze niet meer kon ademen. De man, het wézen, was zonder enige twijfel het mooiste wat ze ooit had gezien. In een eerste oogopslag leek hij veel op een Aëri, geschubt, lang en slank. Maar de handen en voeten waren niet geklauwd, tussen de lange vingers en tenen liepen fijne membranen. De schubben waren oneindig veel fijner dan die van een Aëri, zo fijn dat ze naadloos in elkaar over leken te lopen. Een zachte parelmoeren glans deed het grijze ochtendlicht weerkaatsen. Zelfs de hoofdhuid was bedekt met schubben, en Ilia vermoedde dat als hij zich om zou draaien ze deze zou zien doorlopen over de gezichtshuid. De oren van het wezen, de man, zaten plat tegen het hoofd. Maar was haar adem had doen stokken was zijn kleur.
Een diep koperrood glansde in het ochtendlicht. Een enkele streep, lopend over het midden van de schedel, over de ruggengraat, eindigend bij het stuitje, was een paar tinten lichter –bijna goudkleurig. Ze had nog nooit zoiets gezien. Ze kon haar ogen niet van de man afwenden, zelfs niet toen hij zich omdraaide en zijn ogen de hare vingen. Ze waren zwart, puur zwart. Vissenogen, dacht ze eerst, maar oneindig veel expressievoller. Die ene seconde leek een eeuwigheid te duren en in die seconde vielen alle stukjes op hun plaats. Toen was het moment voorbij en besefte Ilia dat ze, ondanks haar goede voornemen, aan het staren was. Ze bloosde en wendde haar hoofd af, maar niet voordat ze had gezien dat de man ook naar haar staarde. In het moment dat ze zich had afgewend had ze de gezichtsuitdrukking op het brede gezicht gezien en ze vermoedde dat zij net zo naar hem had gekeken.
Ze was blij dat op dat moment Odin de tent uit kwam. Deze zag de nieuwe bezoeker, maar liet niks merken van de verbijstering die Ilia even tevoren had gevoeld. Misschien had hij deze wezens eerder al gezien, anders kon hij zijn verbazing erg goed verbergen. Ze schoof hem de mok hallas toe die ze net had volgeschonken. Zwijgend dronk ze haar eigen kop leeg. Vanuit haar ooghoek zag de vreemdeling Odin toeknikken. Later zag ze anderen onder hun dekens vandaan komen. Twee van dezelfde vreemdsoortige wezens, de ene rossig, de andere meer goudkleurig. De eerste vreemdeling stond er nog, haar zijdelings blik ontwijken.
Odin merkte haar blik wel op. "Oci. Het zeevolk." Zo nonchalant als ze kon opbrengen haald Ilia haar schouders op. Odin liet zich er niet door beetnemen en grinnikte. "Kom Ilia, het wordt tijd dat ik jullie het kamp eens ga laten zien. Eden! Wakker worden luilak!" Ilia staarde hem aan. Het leek alsof hij ineens een compleet andere man was geworden nu hij in deze omgeving was. Ze gluurde voorzichting om zich heen, in de verwachting afkeurende blikken op zich gericht te zien. Niemand leek echter op hen te letten. Sterker nog, dezelfde geluiden leken ook uit andere tenten te komen. Toen zag ze het verbouwereerde gezicht van Eden uit de tent staren, net zo geschokt als dat van haar, en schoot ze in de lag. Wat een andere cultuur heerste hier, zo ongedwongen. Het zou nog wel even duren voordat ze daar volledig aan gewend was.

Hoewel anderen de rest van de dag niet noemenswaardig zouden vinden, verwonderden Eden en Ilia zich overal over. Ilia met grootogig enthousiasme, Eden met zorgvuldig verborgen nieuwsgierigheid. De centrale etensvuren, waar iedereen gezamenlijk kon koken of bij een van de vele venters de meest uiteenlopende gerechten kon kopen, het gemoedelijke onderhandelen en ruilen wat de gehele dag door leek te gaan, de nieuwe gezichten, alles leek even vreemd. Halverwege de dag sloot Keris zich bij hen aan, Odins uitleg kruidend met grappige anekdotes.
Hoewel Ilia eerst flink moest wennen aan zijn knauwende accent en nogal grove humor, was ze aan het eind van de dag gesteld geraakt op de onbehouwen Mense. Aan de ene kant vond ze het dan ook jammer dat Odin zijn aanbod om samen de avond door te brengen afwees. Aan de andere kant was ze zo moe dat ze zich met moeite een weg vond naar hun eigen kamp.
Ondanks het gebrek aan privacy besloot ze niet in de tent te slapen. De frisse lucht, hoe koud ook, deed haar goed en ze voelde zich ongemakkelijker in de kleine tent dan hier in het open veld. Ze knielde, vouwde haar vleugels wat uit en zette de onderrand stevig in de rulle aarde. In haar nis zou ze tegen de stenen achterwand kunnen leunen, haar vleugels rustend in de specifiek daarvoor bedoelde inkepingen, maar op deze manier zou ze ook voldoende ondersteund zijn. Ze werd er een beetje gek van om continu haar vleugels in de houden zonder de ontspanning van het vliegen. Om zo te zitten was dan ook echt een opluchting en de slaap kwam bijna onmiddellijk.

Keris bleek niet alleen een aangenaam persoon te zijn, hij bleek ook werk voor ze te hebben. “Ik heb een bericht voor een zakenrelatie van me in Brassa en wil dat graag voor het eind van deze zevendag laten bezorgen. Ligt dit op de route van je Wildtocht, Odin?” Ilia verbaasde zich steeds weer over de kennis die Keris leek te hebben van de Aëri. Ze wist dat Brassa niet op de route lag, maar meer zuidelijk. Ze zouden die plaats, volgens Odin bekend vanwege de helende zoetwaterbronnen, pas halverwege de reis aandoen, waarna ze terug naar het zuiden zouden trekken om tot slot langs de kust weer naar het Noorden te trekken. Ze zag Odin twijfelen. Hij wilde duidelijk zijn vriend niet teleurstellen en de eerstvolgende Aëri handelaar die het vasteland zou aandoen, zou nog zeker een zevendag op zich laten wachten. Toch zou hij het aanbod afslaan, zag ze.
Nee! Haar botten begonnen weer te zingen. Zonder na te denken legde ze haar hand op Odins arm om hem tegen te houden. “We doen het. We brengen die boodschap naar Brassa.” Eden keek haar onderzoekend aan, duidelijk ontstemd. Ze wist niet wat hij in haar gezicht zag, maar het overtuigde hem om niet tegen haar in te gaan. Hij knikte eenmaal en keerde zich toen naar Keris. “Dan lijkt het me goed dat we een plek zoeken om een prijs af te spreken. Deze kinderen hoeven daar niet bij te zijn. Ze kunnen niet alles aan hun Wildtocht versnellen.” Ilia beet op haar lip. Gedeeltelijk van schaamte, maar ook van woede. Ze was geen kind meer! En ze had ook niet de behoefte om de tocht te versnellen. Dat begreep hij toch wel? Toch zei ze niks. Ze had haar zin gekregen, hoe onorthodox haar wens ook was. Ze had het eigenlijk wel verdiend dat hij haar even op haar plaats zette.
Eden liet het minder makkelijk over zich heen komen. Zijn stille gemok van de afgelopen paar dagen, met een reden die Ilia nog steeds niet had doorgrond, had zich ontwikkeld tot een kwaadheid die nu in volle kracht de kop opstak. Ook Eden had de afgelopen paar dagen gemerkt dat de strakke regels van thuis hier niet meer golden en hij was dan ook niet van plan om zich in te houden. “Hoe haal je het in je hoofd!?” Hij beende heen en weer voor de tent. Het deerde hem niet dat in de naburige kampen hem zijn stem hoorden verheffen, ze verstonden hem toch niet. “Niet alleen wordt IK nu ook weggewuifd als een of ander nukkig kind, je zorgt er ook nog eens voor dat we nu al meteen moeten werken! Kon je er niet even mee wachten om ons als loonslaven aan deze inferieure beesten te binden? Nee hoor, de kroonprinses moest haar verwende zin weer krijgen.” Zijn stem sloeg over. In de korte stilte die viel toen Eden zich probeerde onder controle te krijgen, herpakte Ilia haar waardigheid.
Tijdens zijn tirade had ze alleen maar met open mond naar hem kunnen staren. Geschokt over zoveel respectloosheid, zich schamend door de nieuwsgierige blikken uit de andere kampen. Ik het direct naastgelen kamp zat de rosse Oce met ongegeneerde nieuwsgierigheid te staren. De koperkleurige man leek geen aandacht aan het tafereel te besteden, maar zijn houding was merkwaardig gespannen. Juist al de blikken zorgden ervoor dat ze weer tot haar positieven kwam. Ze zou zich niet zomaar laten uitfoeteren!
Ze rechtte haar rug, onbewust haar vleugels wat uitspreidend om zich wat meer overzicht te verlenen. Maar nog voordat ze meer dan één stap richting Eden had kunnen nemen, nog voordat ze meer had kunnen zeggen dan: “Eden, doe…” stond hij ineens voor haar. “Zeg niet wat ik wel of niet moet doen!” Hij schreeuwde nu en duwde haar terug. Uit haar evenwicht gebracht wankelde ze naar achteren, bleef toen met haar voet in een van de dekens haken en viel naar achteren. Het was geen harde duw geweest en ook geen harde val, maar meer pijnlijk had het niet kunnen zijn. In de Aëri cultuur was alles gebaseerd op respect voor de vrouwtjes en zelfs zo’n simpele duw als deze zou thuis reden zijn geweest voor een zware straf. Hier zag ze alleen goedkeurende blikken om zich heen. Ze had niet beseft dat Mense van mening waren dat de man superieur was en de vrouw zich aan zijn wil hoorde te onderwerpen. Hun hoffelijke houding naar haar toe had haar zand in de ogen gestrooid, maar ze had dan ook nog niks gedaan wat tegen de wens was van de mannen in haar gezelschap. Nu het overduidelijk was dat ze Eden had willen tegenspreken, vonden ze dat Eden in zijn recht stond. Zelf hadden ze dat niet in het openbaar gedaan, maar dit was natuurlijk een heel ander volk.
Met moeite onderdrukte Ilia haar tranen. Ze krabbelde overeind. Achter Eden zag ze Keris staan, bijtend op zijn wang, als enige twijfelend of hij in moest grijpen. Nee, niet als enige. De koperkleurige Oce was ook opgesprongen. Hun ogen vonden elkaar even en ze zag dat hij even geschokt was als zij zich voelde. De Oci waren blijkbaar ook een meer matriarchale gemeenschap. Toen ze haar ogen afwendde zag ze Eden weer naar haar toe lopen. Ze zette zich al schrap, maar toen verscheen de grote vorm van Odin tussen hen in. Hij zei niks. Omdat zijn gezicht naar Eden was gekeerd zag ze zijn uitdrukking niet, maar Eden deinsde erdoor naar achteren. De nieuwsgierigen die alles gevolgd hadden schenen te begrijpen dat het spektakel was afgelopen en vestigde de aandacht weer op hun dagelijkse bezigheden. Pat toen alle ogen ergens anders op waren gericht, of zo leek het, liet Ilia een onderdrukte snik ontsnappen. Odin hoorde het en draaide zich naar haar om. Hij wilde zijn arm om haar heen leggen, maar ze trok zicht terug en rende zonder een woord te zeggen weg. Nog voordat ze het veld af was, steeg ze op, verwonderende kreten van de Mense ontlokkend. Ze konden haar wat, dacht ze. Pas hoog in de lucht, met de vertrouwde wervelingen om zich heen en de thermiek die haar nog hoger dreef, durfde ze haar tranen de vrije loop te laten.
Ze vloog zolang ze kon. Eerst om tot rust te komen, daarna vooral om te genieten van de vlucht zelf. Het vliegen wat ze de afgelopen paar dagen zo gemist had. Het was korter dan ze had gehoopt. De dagen van inactiviteit hadden haar zorgvuldig getrainde uithoudingsvermogen geen goed gedaan. Toch was ze er nog niet klaar voor om terug te keren naar het kamp. Ze landde bij een kleine rivier in de buurt. Waarschijnlijk was dit hetzelfde riviertje waar ze haar eerste blik om Mense had geworden. Het was bijna niet te geloven dat dat nauwelijks meer dan een dag geleden was. Er leek door die ene uitbarsting van Eden meer veranderd te zijn dan een een hele dag tussen een vreemd volk had kunnen doen. Haar hele blik op de wereld was veranderd. Ze wilde naar huis. Naar haar veilige omgeving. Zelfs al zou dat betekenen dat ze de rest van haar leven genegeerd zou worden. Daar wist ze tenminste waar ze aan toe was. Ze was klaar met die stomme Wildtocht, ze ging naar huis!
“Je hebt het beloofd, Ilia Golfbreker van de Aëri!” De stem galmde door haar hoofd. De plotseling pijn in haar botten deed haar tegen de grond storten, de ongenadige stem in haar hoofd deed haar naar haar slapen grijpen. “Je hebt het beloofd.” Beelden van een verwoestte wereld verschenen voor haar ogen. De stem klonk zachter nu. Smekend bijna. “Je hebt het beloofd.” Het geluid stierf weg, de pijn met zich meenemend. Toch kon Ilia pas na een paar minuten opstaan, met knikkende knieën en nieuwe tranen op haar wangen. Oh heren van de wind, wat was dat? Aan wat voor wezen had ze haar belofte gedaan? Wat kon zij nou doen, zo zwak als dat ze was? Toch zou ze zich aan haar belofte houden, ze had haar rol te spelen in een groter geheel. Het wezen had dat niet gezegd, maar dat wist ze. Dat kon niet anders. En dat zou ze ook doen.Maar ze was klaar met de Wildtocht. Ze zou naar Brassa vliegen en kijken waar haar zingende beenderen haar van daar uit heen zouden leiden. Met of zonder Eden of Odin. De beslissing gaf haar de rust en zekerheid die ze nodig had om terug te keren naar het kamp. Daar was het stil en donker. De confrontatie zou tot morgen moeten wachten.

Intermezzo: Moeder

Ik begin het me te herinneren. Niet alles. Flarden, stukjes en beetjes. Ik weet mijn eigen naam nog niet, maar de ergste wanhoop is verdwenen. Mijn herinneringen komen terug. Dat is geruststellend. Het is nog niet alles, maar het is een begin. De reden voor deze ontwaking. Ik weet het weer. De reden van mijn verminkte lichaam en mijn lange sluimering. Ik herinner me weer de oorlog, die gruwelijke slachtpartij.

Weer voel ik die onbeschrijfelijke scheut van pijn als ik denk aan mijn kinderen. Zovelen gestorven in een oorlog die ik zelf ontketende. Of is dat wel zo? De reden van de oorlog blijft in het duister, net buiten mijn bereik. Dat komt later, daar vertrouw ik op. Daar hoop ik op, op antwoorden die dit allesomvattende schuldgevoel kunnen verdrijven.

Mijn Kinderen! Het spijt me zo!

Ik heb ze vermoord. Duizenden. Miljoenen. Misschien wel meer. Ik heb van ze gehouden, zoals een moeder van haar kinderen houdt. Zoveel weet ik nog. Ik houd nog steeds van ze. En toch zie ik het in de beelden in mijn hoofd. Ik heb ze vermoord. Ik ben tegen ze ten strijde getrokken, in een vlaag van woede, en in die ongelijke strijd heb ik ze afgeslacht. Pijn en schuldgevoel verscheuren me en doen me uitkrijsen van verdriet.

Waarom? Hoe kon ik dit doen? Mijn kinderen…

Ze leven nog. Een paar, veel minder dan eerst, maar ze leven nog! Ik voel het. Ik nem me voor om ze kostte wat het kost te beschermen. Toch voel ik een steek van twijfel. Want had ik me dat de vorige keer ook niet voorgenomen?

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!