Annemarie en de ontdekking van de Poort der Volledigheid, Deel 1

“Annemarie! Annemarie, kom terug!” Vogels klonken in de daarop volgende stilte. Toen harder: “Annemaria Leijsteen, kom nu terug of…” De kwade stem werd abrupt afgebroken. Annemarie hoefde haar kwade aftocht niet te onderbreken, zelfs zonder om te kijken zag ze haar stiefvader Dillan naast haar moeder staan om haar te kalmeren. Altijd de vredesstichter, altijd de rust zelve. Ze kon hem zonder zich in te spannen in haar gedachten horen praten: “Laat haar maar Joanne, ze komt vanzelf wel weer terug.” Dat zou namelijk al de vierde keer zijn in anderhalve week dat hij dat zou zeggen.
Wat een rotvakantie. Ze zou blij zijn als ze over drie dagen weer in de auto zaten op weg naar huis. Haar moeder was normaal gesproken al moeilijk om mee te leven, maar nu ze dag en nacht op elkaars lip zaten, werd elke ergernis uitvergroot. Voor het eerst in de drie jaar dat Dillan met haar moeder was getrouwd, was ze blij dat hij er was. Goed, ze moest toegeven dat ze hem ook voor de vakantie al steeds minder irritant begon te vinden. Nou, ok dan… ze vond hem gewoon aardig. Hij probeerde in ieder geval niet de baas over haar te spelen en als ze in een discussie waren verzeild, legde hij niet zomaar haar mening naast zich neer onder het mom van: “Je weet niet wat je zegt, je bent aan het puberen.” In tegenstelling tot haar moeder.
Ze stampte door het hoge gras, langs de bruine koeien die door het met prikkeldraad omzoomde stuk weiland sjokten. Ze schoot door een gat in de omheining en stond direct in het bos. Het was nog geen vijf minuten lopen van het vakantiehuisje, maar het leek een compleet andere wereld. Een stukje verderop zou ze de steile heuvel af kunnen lopen om bij de brede, trage Dordogne uit te komen. Ze vond het een heerlijke plek en had al een paar keer voorzichtig de heuvel afgestruind om bij de rivier tot rust te komen. Nu niet, besloot ze. Ze was te rusteloos, wilde in beweging blijven en takken uit haar weg meppen.
Uiteindelijk kwam ze tot stilstand bij een ondiepe poel, hijgend en uitgeput. Het stroompje voor haar voeten was niet meer dan een miezerig streepje water, het poeltje maar een brede ondiepe plas die toevallig in een holte van de rotsgrond was blijven staan. Maar het klaterde gezellig en het zag eruit alsof er nog nooit iemand was geweest en na haar nooit meer iemand zou komen en dat beviel haar. Dus, besloot ze, dit zou haar rustplek worden. Misschien dat ze daarna wel weer terug zou lopen, om haar excuses aan te bieden voor iets wat ze niet had gedaan. Alweer.

Minuten verstreken. De stilte werd intenser, de warmte drukkender nu de zon hoger aan de hemel ging staan. Annemarie werd zich bewust van een knagende honger. Ze had alleen nog maar ontbeten. Een zucht ontsnapte haar. Tijd om terug te gaan dan maar.
Met een kreun strekte ze zich uit. Ze boog voorover om overeind te komen toen ze een glimp opving van de sterren die in de poel weerspiegeld werden. Ze bleef hangen in haar oncomfortabele, half hurkende houding. Sterren? Een blik omhoog liet, tussen het bladerdak door, een stralende zon zien. Ze schudde haar hoofd, knipperde met haar ogen, keek nu direct naar de poel. Geen zon. Sterren.
“Dat kan niet.” Ze schrok van haar eigen stem. Een paar passen dichterbij leverde echter geen ander beeld op. “Dat kan niet.” Herhaalde ze duidelijker, zekerder, alsof dat ervoor zou zorgen dat de zon ineens verscheen in het glanzende zwarte oppervlak. Maar dat gebeurde niet en haar nieuwsgierigheid kreeg de overhand. Voorzichtig verplaatste ze zich naar een grote steen, vlak naar het water, voor de plek waar ze net had gezeten. Zo dichtbij als ze kon, er angstvallig voor zorgend het water niet aan te raken.
Wat ze zag was het spiegelbeeld van de wereld boven haar: een middernachtelijke winter. Dezelfde bomen die hoog boven haar hun bladeren in de warme wind lieten ruisen, weerspiegelden hun kale takken in de brede poel, sterren fonkelend in de zwarte hemel daarachter. Ze schoof nog een klein stukje naar voren en leunde dieper naar het oppervlak om meer van het wonderlijke schouwspel te kunnen zien. En toen zag ze zichzelf.
Nou ja, niet echt zichzelf. Eerder een soort van glinsterende omtrek van zichzelf. Geen echte gelaatstrekken, maar wel het duidelijke silhouet van een grote bos krullend haar. Ze bewoog naar links, de vorm bewoog naar links. Ze zwaaide. De vorm zwaaide terug. Dit was echt heel vreemd. En toen, na een moment aarzeling, raakte ze het oppervlak aan…

Ze hees zichzelf met moeite overeind. Ze fronste toen ze over haar onwillige heup wreef. Daar moest ze op terecht zijn gekomen toen… Ja, toen wat eigenlijk? Een trekkende sensatie in haar arm, een flinke duizeling –alsof ze over de kop ging in de achtbaan- en daarna het gevoel alsof ze uit de grond werd gekatapulteerd. En met een klap op de grond terecht kwam, dacht ze, terwijl ze grimassend over haar pijnlijke zij wreef. Ze trok haar t-shirt op om te kijken of er een blauwe plek zat en kwam tot de ontdekking dat ze niks kon zien. Het bos waar ze instond was aardedonker, op een grote lichte plas na, met een vrolijk bladerdak in de weerspiegeling.
Maar nog voor ze de kans had gekregen om dit tot zich door te laten dringen, werd de stilte verstoord door een hoog, enthousiast gejoel. Met een ruk keek ze om, haar krullen zwiepten in haar ogen. “Oh shit! Wat is dat?!” Eén moment, toen ze besefte hoe schril haar stem klonk, nam ze de tijd om zichzelf uit te schelden voor watje, het volgende moment schoot een zilverige gestalte tussen de bomen door op haar af. Zo snel! Voor ze de kans had om te gillen, nog voordat ze terug kon deinzen, was de schim bij haar. In haar! Die plotseling gewaarwording zorgde ervoor dat ze halverwege haar stap naar achteren stokte en struikelde. Verder naar achteren, terug de poel in. En het moment dat ze het oppervlak aanraakte werd ze teruggesleurd naar de wereld waar ze vandaan kwam.

Tranen stroomden over haar wangen. Een half uur later stond ze nog steeds bij het donkere oppervlak, hoewel nu een stuk verder weg, leunend tegen een boom, haar gezicht tegen de bast gedrukt terwijl ze naar die vreemde plaats staarde. Ze wilde terug, meer dan alles terug. Het was beangstigend geweest, vreemd, onwerelds, zonder enige twijfel beangstigend. Maar die ene seconde waarin het zilverachtige wezen in haar was gedoken… in die ene seconde had ze zich compleet gevoeld. Als zichzelf, zoals ze zich normaal gesproken voelde, maar méér. Zekerder, rustiger, meer tevreden met zichzelf en de wereld. Ze wist niet hoe ze het anders moest uitleggen. Gewoon, compleet.
Haar nagels groeven in de bast en verkruimelde deze tot kleine stukjes. Het was te vreemd. Het kon gewoon niet! Al een half uur stond ze dat te herhalen. Dit soort dingen gebeurde niet in het echte leven. Toch? In haar boeken, ja natuurlijk, maar daar kon alles. Niet hier.
Ze raapte zichzelf bijeen. Ok. Ze kon hier wel de rest van de dag blijven staan, maar daar zou ze niet verder van komen. Ze was niet gek, maar ze had zich gewoon alles verbeeld. Ze kon niet zomaar weer in de poel springen terwijl ze er stiekem van overtuigd was dat het allemaal maar een dagdroom was. Misschien had ze wel een zonnesteek! Ze probeerde haar moeder er nu al zolang van te overtuigen dat ze volwassen was, nu zou ze zich ook zo gedragen. Ze trok haar schouders recht en veegde met een bruusk gebaar haar tranen weg. Het lukte haar om zonder om te kijken weg te lopen.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!