Aëri: Deel 3 Hoofdstuk 4

En nu waren ze hier, in een of ander onbekend dorp, met na een week onderweg te zijn nog steeds geen idee van hun uiteindelijke bestemming. Voor Ilia begon de spanning er wel van af te raken. Ze was nog net zo vastberaden als dat ze aan het begin van de reis was geweest, maar de nieuwigheid en spanning was verdrongen door de noodzaak en haar gevoel van verantwoordelijkheid. Ze was gewend geraakt aan die lelijke, kale Mense en hun snauwende manier van praten en hoezeer ze ook genoot van het veranderende landschap en de onbekende dieren, het was niet wat ze van een Wildtocht had verwacht.
“Odin,” begon ze, nadat ze zich voor de nacht in Santorea hadden geïnstalleerd, ”Gaat een Wildtocht altijd zo?” Hij schrok op alsof hij in gedachten verzonken was geweest, net zoals altijd de afgelopen dagen, wanneer ze hem wat wilden vragen. “Hmm? Ilia, dit is geen Wildtocht.” Daarmee leek hij haar antwoord af te doen. In de afgelopen zevendag had hij geen verhalen meer verteld, geen uitleg meer gegeven over de vele onbekendheden en op alle vragen kortaf en bondig antwoord gegeven. Of Eden het had opgemerkt wist Ilia niet, hij was ook stil en broedend, Maar Ilia vond het vervelend en ze moest toegeven dat het haar steeds meer ergerde.
“Jawel. Dit is wel een Wildtocht.” De scherpte in haar stem deed hem opkijken. Vanuit haar ooghoek zag ze dat Eden was opgehouden met het opporren van het kookvuur en naar haar keek. “Bij de wind, Odin! Het mag er dan misschien niet op lijken en het einddoel mag dan wel veranderd zijn, maar dit is nog steeds mijn Wildtocht.” Eden kuchte zachtjes. “Onze Wildtocht.” Corrigeerde ze zich snel, met een zijdelingse blik op de verderopzittende figuur. Verbeeldde ze zich het of zag ze een geamuseerde uitdrukking over zijn gezicht schieten? Als dat zo was, ging het te snel om er zeker van te zijn, maar het gaf haar de moed om verder te praten. “De route is veranderd, maar de Mense toch niet? Of de Oce? Of de dieren die hier rondlopen?” Ze zuchte: “We zijn toch nog steeds op het vasteland, waar zowel Eden als ik nog nooit geweest waren voor we hierheen vertrokken? Waarom zou je dit dan niet als een Wildtocht mogen beschouwen? Ook al is hij een beetje onconventioneel?!”
Ze was steeds harder gaan praten, was nu zelfs een beetje buiten adem. Haar handen trilden. Er volgde een lange, verwachtingsvolle stilte. Een stilte die zo lang duurde dat Ilia begon te denken dat hij haar –in zijn ongetwijfeld aanwezige verontwaardiging- gewoon geen antwoord zou geven. Maar uiteindelijk sprak hij toch. Niet boos. Eerder berouwvol.
“Het spijt me, Ilia. Eden. Je hebt gelijk. Ik ben gewoon zo in gedachten verzonken geweest dat het niet in me opkwam dat jullie, nou ja, jij in ieder geval Eden, opgeleid moeten worden tot handelaar.” Hij haalde zijn schouders op, een typisch Mense gebaar. “Ik vraag me alleen zo hard af waar we heen geleid worden en waarom. En wat ik daar bij kan betekenen. Ik vermoed dat ik weet waar me heen gaan… Maar dat kan gewoon niet, dat…” hij stopte, haalde diep adem, weer zo’n vertoon van on-Aërische emotie, en herpakte zich. ”Vanaf morgen zal ik starten met de Wildtocht, met de verhalen van de avonturier. Maar ik verwacht dat jullie naar me luisteren, maar mijn dagelijkse aanwijzingen, maar zeker ook naar mijn verhalen. Ilia mag dan bepalen waar de tocht heen leid, maar zolang als hij duurt vallen jullie nog steeds onder mijn verantwoordelijkheid.”
Zowel Eden als Ilia knikten. “Mooi. Ik ga slapen. Tot morgen.” Hij liep zonder verder nog wat te zeggen de kamer uit, maar Ilia meende hem in zichzelf te horen mompelen: “De verhalen… Het kan gewoon niet waar zijn… O heren, laat het niet zo zijn.” Een koude rilling liep langs haar rug. Toen merkte ze dat Eden naast haar stond, zijn gezicht weer net zo uitdrukkingsloos als anders. Hij zei niks, maar knikte haar kort toe voordat hij richting de slaapvertrekken verdween.
Nu alleen, legde Ilia haar hoofd in haar handen. Haar vleugels tikten tegen het plafond en ze werd zich bewust van de diepe windstilte buiten. Plotseling werd ze overweldigd door opluchting. Ze had niet beseft hoe erg ze zelf behoefte had aan leiding, aan iemand anders die de verantwoordelijkheid op zich nam, tot zij zelf deze verantwoordelijkheid niet meer had. Huiverend zoog ze de muffe lucht haar longen in, nogmaals. Buiten begon de wind weer op te pakken. Binnen een mum van tijd stond ze buiten en liet ze zich op de koele nachtlucht wegvoeren.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!