Aëri: Deel 4 Hoofdstuk 4

“Ik wist het. Nee he, ik wist het.”Gedrieën stonden ze aan de rand van een groen veld. Weelderig gras krulde tussen hun klauwen, achter hen bevond zich de rivier, gevuld met kristalhelder, klaterend water en omzoomd door een brede strook bomen, struiken en prachtig gekleurde bloemen. Ademloos van bewondering hadden Ilia en Eden de zoom doorkruist, genietend van elke frisse, geurige ademteug en de vele, vele kleine geluiden die overal vandaan leken te komen. Ze hadden genoten van dit stukje paradijs op aarde.
Nu echter, stonden ze aan de rand van de hel, zo leek het. Het gras, zo fris onder hun voeten, glooide in een langzame beweging naar beneden om in de diepte te eindigen als zielige dorre twijgjes, ondergewaaid door roodbruin zand. En daarna, zo ver als hun verbazingwekkend scherpe ogen konden zien, was er zand, onderbroken door harde plekken gebarsten aarde en afgestorven bomen.
Ilia werd zich plotseling bewust van de hitte. Door de bomen, de wind die de koelte van de rivier met zich meedroeg, had ze niet gemerkt hoe warm het eigenlijk was. Nu drong het door, buiten de verkoelende beschutting van het bladerdak en kijkend naar de zinderende lucht boven de uitgestrekte vlakte. “Amazon.” Fluisterde Eden naast haar, voor eens om woorden verlegen. “Ja, de Woestenij.” Beaamde Odin. Ilia wachtte op de stroom feiten die zou volgen, zoals gewoon wanneer ze iets nieuws zagen, maar die volgde niet. Alleen maar “Ik wist het.”
Ilia draaide zich naar hem toe. “Je wist het? Wat wist je?” Hij keek haar aan, zijn ogen enorme amberen juwelen in zijn grijze gezicht. “Hij slikte. “Dat we hier uit zouden komen. Maar de heren van de wind zijn mijn getuigen, ik hoopte dat ik me vergist had.” Hij sloot zijn ogen en toen hij ze weer opende stonden ze vastberaden. “Kom, we gaan op zoek naar de pleisterplaats. Ik zal jullie alles uitleggen,” onderbrak hij, toen hij zag dat Ilia haar mond open deed, “maar niet met dit… afschuwelijke uitzicht voor me. Eerst een plek om te overnachten, dan het verhaal. Net zoals anders.”
Hoewel dit nauwelijks genoeg was om ze tevreden te stellen, deden de jongelingen er het zwijgen toe. De afgelopen anderhalve zevendag, sinds Odin de verantwoordelijkheid op zich had genomen en dit was gaan behandelen als een echte Tocht, was het zo gegaan; De hele dag reizen, wanneer de tijd het toestond lopend, ander begeleiding van de constante toevoer van weetjes en anekdotes van Odin. In het Gemeenschaps, want hij weigerde om iets anders te spreken. En ‘savonds, in een hostel of rond het kampvuur, volgde stukje bij beetje het verhaal van de Avonturier, die de oneindige moerassen van de Amazon-Woestenij was overgestoken om in het land aan de overkant de meest ongelooflijke avonturen te beleven. Maar dat was honderden jaren geleden, misschien wel duizenden. “De Woestenij is inmiddels opgedroogd.” Had Odin tijdens één van de verhalen gezegd. Maar dit had Ilia nooit verwacht, zoiets doods. Ze was blij dat ze deze troosteloosheid haar rug kon toekeren.
Niet veel later betraden ze de pleisterplaats. Het was vergelijkbaar met wat ze hun eerste dag op het Vasteland waren tegengekomen: Een ruime open plek, volgepakt met Mense, met op regelmatige afstanden de gezamelijke kookvuren. Evenals toen werden de Aëri aangestaard, hun lange gekleurde gestalten duidelijk zichtbaar in de massa in leer gehulde huid.
“Eden, kan jij de kampbeheerder opzoeken? Wij wachten daar.” Oden gebaarde naar het dichtstbijzijnde vuur. Eden keek verrast, verheugd en ietwat angstig tegelijk, voordat hij zijn houding terugvond, knikte en zich waardig door de Mense-menigte begon te banen. Ilia onderdrukte haar teleurstelling. Dit was de eerste verzamelplaats van handelaren die ze tegen waren gekomen sinds die eerste dag en Ilia had gehoopt dat zij deze taak had mogen vervullen. Nu was het Eden die naar de beheer van de verzamelplaats zou gaan om de drie nieuwe bezoekers aan te melden. De beheerder zou hun namen vragen en de reden van hun komst en eventuele handelswaar en zou hun dan een beschikbare plek toewijzen als zij er zelf nog geen hadden gevonden. Een goede kampbeheerder, had Odin gezegd, zorgde ervoor dat bezoekers niet te ver uit de buurt van de kookvuren zaten en wanneer mogelijk in de buurt van handelaren die aanvullende waren hadden, maar geen concurrerende. Het was een lastige baan, die veel organisatietalent vroeg en een diplomatieke instelling. Zelfs de schijn van voortrekkerij zou er voor zorgen dat hij zo snel mogelijk vervangen werd, want wie zou tenslotte handel willen drijven als hij het vermoeden had benadeeld te worden?
Eden zou vragen om een plek aan de buitenrand. Druktes zoals deze maakten Ilia nog steeds onrustig en hoewel hij dat nooit zou toegeven voelde Eden hetzelfde. Zijn vader had geen last meer van het benauwende gevoel, hij was al zo vaak in vergelijkbare kampen geweest dat het hem gewoon was geworden.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!