Aëri: Deel 5 Hoofdstuk 4

Ilia gebaarde naar het kookvuur, niet genegen zich boven het geroezemoes verstaanbaar te maken in de angst dat ze nog meer de aandacht zou trekken dan ze al deed. Niet dat dat kon, bedacht ze wrang. Odin gebaarde terug dat ze haar gang kon gaan, waarna ze het grootste gedeelte van haar bepakking loshaakte en aan zijn voeten zette. De buidel om haar hald liet ze hangen, daaruit zou ze voor het eten betalen.
Toen ze terugkeerde had ook Eden zijn weg terug gevonden. Ze overhandigde hem een spies met vis en gaf Odin die van hem. Zowel hij als Ilia hadden een voorkeur opgevat voor het zachte witte vlees van een vogel die ze kip noemden. Zoals elke keer genoot Ilia van de heerlijke kruiden die erop zaten en die thijm en rozemarijn heetten. Odin had hen geleerd deze groene sprieten te herkennen en Ilia was dolblij geweest toen ze een aantal dagen terug een aantal bossen rozemarijn op hun route had gevonden. Nu gebruikte ze het dagelijks om hun eten te kruiden, tot Eden begon de klagen dat de smaak hem begon de vervelen.
Eden leidde hem naar de aangewezen plek, niet verassend gelegen aan de rand van de pleisterplaats. Genietend van haar spies, blij dat ze een keer niet op jacht hoefde of hoefde te koken, nam Ilia de aanwezige handelaren in zich op. Ze probeerde Odins lessen toe te passen: Die korte gedrongen man, met het kaalgeschoren hoofd en het losse gewaad onder het leren vest dat tot op zijn knieën kwam, die moest wel van de Ka-achlai zijn, de woestijnstam. En die man, een stukje verderop, met die gekleurde kraaltjes in zijn gevlochten haren, hoorde tot de Eloch, een stam die zijn oorsprong vond ten zuidwesten van Brassa. Het grootste gedeelte van de verschillende klederdrachten en hoofdtooien herkende ze echter niet. Sommige verschillen zouden waarschijnlijk alleen zichtbaar zijn voor iemand die wist waar hij naar moest kijken.
En terwijl ze bezig was met haar stille oefening, viel haar ineens een groepje teruggetrokken Mense op. Ze waren gekleed in dezelfde gewaden als de man van de Ka-achli, maar hun gezichten waren bedekt en ze misten alle bravoure die alle mannen die ze tot nu toe gezien had eigen was. Eén van hen wierp een schichtige blik op de Aëri, om snel de ogen weer neer te slaan toen een van de verderop zittende mannen een bevel snauwde. Het zien van die donkere ogen met de lange wimpers maakte het Ilia duidelijk: dit waren de vrouwen van de stam.
Ze had ineens geen honger meer. Ze wist dat op het Vasteland de vrouwen ondergeschikt waren, maar ze was er nog niet zo mee geconfronteerd geweest. In de dorpen die ze tot nu toe hadden aangedaan waren vrouwen gewaardeerde leden van de gemeenschap, ze hielpen mee in de gasthuizen en hielden trots hun hoofd omhoog. Maar deze vrouwen, die waren anders. Hoofd gebogen, ogen neergeslagen. Ilia werd er misselijk van. Maar ze zei niks, klemde haar kaken op elkaar en probeerde haar woede door de wind te laten meevoeren. Odin keek over zijn schouder, alsof hij haar gemoed aanvoelde, maar hij zei niks. Hij leek te weten dat ze zichzelf genoeg onder controle had.
“Hier, vlak voor die bomen.” Eden rukte haar uit haar gedachten. Ze nam de plek in zich op. Niet te ver van de grootste drukte van het vuur, maar wel rustig en net buiten de rand van het bladerdak met open zicht op de open hemel. “Mooi.” Odin kon niet anders dan dat beamen. “Goed gedaan.” Eden reageerde slechts met een knikje, maar Ilia zag dat zijn schouders iets ontspanden en een kleine blos kleurde zijn wangen. Een echt compliment van Odin was zeldzaam. En hij had het ook verdiend.
Weer teruggekeerd naar haar oefening, proberend om haar gedachten af te leiden aan het trieste groepje van zoeven, nam ze hun buren op. Niet meer stiekem, Odin was van mening dat ze zo veel mogelijk Mense-gedrag moesten overnemen, maar openlijk, zonder te staren. Een trage, onderzoekende blik langs de kampementjes, zonder de blik te lang op een plek te houden. Het voelde nog steeds vreemd, alsof ze inbreuk maakte op de privacy van anderen, maar het werd steeds gemakkelijker om de nieuwsgierigheid die haar eigen was de vrije teugel te geven. Bovendien, zij werden op dezelfde manier bekeken.
“Ilia,” berispte Odin, “kijken, niet staren.” Ze hoorde hem niet. Haar blik was gedwaald over de eenzame man aan hun rechterkant, die zat te knikkebollen onder de beschutting van de bomen, naar het kampement aan de andere kant. Daar was ze blijven hangen, gefocust op die bekende tent, op die bekende figuur die ervoor zat en bezig was een pannetje boven een vuurtje te hangen. Zijn koperen vingers verkruimelden een gedroogd donker poeder boven het water, zijn geschubde hoofd gloeide rood in de ondergaande zon. Stemmen die achter Ilia vandaan kwamen deden hem opkijken. Zijn zwarte ogen ontmoetten de hare en hielden ze vast. Zijn linkermondhoek krulde omhoog, heel lichtjes maar, tot iets wat een glimlach had kunnen zijn. Zonder het te beseffen glimlachte ze terug. Toen werd ze aangestoten door iemand die langs haar liep en werd het oogcontact verbroken.
“Ilia, als je bent uitgestaard, kan je dan de tent opzetten?” Het was geen vraag, Odin klonk geërgerd en vermoeid. Een blos kroop omhoog langs haar hals en wangen. “Sorry.” Mompelde ze, maar of ze het tegen Odin had of de koperen man was niet duidelijk.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!