Aëri: deel 1 Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5: De woestenij

“Dit gaat niet passen! Snap dat dan!” Frustratie knaagde aan haar belofte. Dat begon al lekker, dacht Ilia, aangezien ze nog niet eens waren vertrokken. Het was de ochtend dat de karavaan in beweging zou komen. De nacht eigenlijk, het was pas iets na middernacht, maar de nomaden hadden Odin uitgelegd dat er ’s nachts gereisd zou worden en overdag geslapen. Zo zouden ze hun energie sparen tijdens de ergste hitte en tijdens de koude nachten warmer blijven. Odin had aangegeven dat hij dat begreep, maar Ilia vermoedde dat hij zich de hitte die de Ka-achi beschreven net zo min kon voorstellen als zij. Kou begreep ze, beter dan wie van de Mense die hier rondliepen dan ook. Levend in het koudste gedeelte van de wereld was ze volledig toegerust op het omgaan met die kou. Maar warmte? Ze kende de warmte van een houtvuur, de scherpe hitte als ze er te dicht bij ging zitten, die ervoor zorgde dat het zweet haar uitbrak en haar noodzaakte haar schalen zo ver mogelijk uit te zetten om de warmte kwijt te kunnen. Maar ze had het idee de Woestenij anders zou zijn. En ze was er bang voor.
Als ze er ooit een stap in zou zetten. Een half uur geleden hadden ze zich aangesloten bij de karavaan en direct was Ilia onder de hoede van de vrouwen genomen. Ze was direct naar een tent gesleept waar ze werd begroet door een voor Mense lange vrouw met vermoeide donkere ogen. “Amara.” Ze wees op zichzelf. “Ilia.” Een glimlach brak door op het donkere gezicht. “Goed. Kom.” Ze wuifde Ilia dichterbij terwijl ze uit een kist achter zich een groot gewaad tevoorschijn trok. “Jij groot. Ik hoop dat passen.” Ilia had het gewaad aangenomen en over haar hoofd proberen te wurmen, maar het werd al snel duidelijk dat haar vleugels niet zouden passen. Nu, een half uur en drie andere gewaden later, vierde de frustratie hoogtij. Niet alleen bij Ilia. Ook Amara wierp haar handen de lucht in en ratelde onafbroken in haar onverstaanbare dialect. Ilia hoorde door het dunne tentdoek het kamp afgebroken worden. Het gebeurde stil en doelmatig, geen overbodig geschreeuw of drukte. Een aantal keer hoorde ze een mannenstem wat vragen en later nog een keer. De derde keer dat ze zijn stem hoorde, was de irritatie duidelijk hoorbaar. Amara ga nog een laatste wanhopige ruk aan de ruwe lap die zich achter Ilia linkervleugel had gehaakt. Hij scheurde en Amara mompelde iets wat alleen maar een scheldwoord had kunnen zijn. “Ag! Wacht. Hier.” Ze wikkelde met een soepele beweging een lichte sjaal om haar hoofd en liep de tent uit. Ze sprak zachtjes tegen de man die had gesproken. Ilia gluurde voorzichting tussen een naad in het tentdoek door. Ze had al wel begrepen dat ze zich zonder gewaad niet naar buiten mocht begeven, maar zo kon ze in ieder geval nog kijken wat er aan de hand was. Amara had haar hoofd gebogen en keek de man niet aan. Ze leek zich te verontschuldigen, schudde bezwaard haar hoofd. Toch had ze iets onverzettelijks en uiteindelijk knikte de man kort en snauwde haar wat toe voor hij zich omdraaide en wegliep. Ilia verstond het niet, maar ze had wel een idee wat hij had gezegd. “Als je maar opschiet.” Haar korte blik door de spleet haar haar laten zien dat bijna het volledige kamp al was opgebroken, ze stonden op haar te wachten.
“Als het niet past, kan ik dan niet gewoon zo mee?’ Amara sloot met een reoluut gebaar de tentflap. “Nee.” Haar stem klonk scherp. “Jullie anders. Net zoals die anderen, dat zeevolk. Zij ook mee. Maar zij man. Man… mag zelf weten. Jij, zoals wij. Jij luisteren. Alsjeblieft.” Het was het meest dat Amara tot nu toe tegen haar in haar gebroken Gemeenschaps had gezegd. Ze maakte een gefrustreerd gebaar. Ilia probeerde haar te begrijpen. “Ik denk dat ik het snap. Onze gebruiken zijn anders, maar ik als vrouw moet me houden aan jullie gebruiken. De mannen niet.” Het gezicht van de donkere vrouw klaarde op. “Ja! Mannen mogen zelf weten, vrouwen onze… ge-gebruiken.” Ze struikelde over het laatste woord. Ilia zei niks. Ze was kwaad. Maar ze had dit al verwacht. Dus knikte ze alleen kort. “Dus? Wat nu? Want dit past echt niet.” “Nee nee. Maar Jaigun zegt hoeft niet alles. Hoeft niet.. eh…” Ze maakte een flapperend gebaar. “Vleugels.” “Ja, hoeft niet vleugels.” Met een snel gebaar haalde ze een mesje uit het wijde gewaad dat ze droeg en met een paar handige bewegingen had ze een paar uitsparingen gemaakt waar Ilia’s vleugels doorheen pasten. Ruisend viel de stof langs haar lichaam naar beneden tot de zoom vlag boven haar voeten bleef hangen. Even snel als dat ze haar eigen sjaal had omwonden, deed ze dat bij Ilia en daarna nam ze even een seconde de tijd om haar werk te bewonderen. “Goed. Nu wij gaan.” Zonder verder tijd te verspillen begon ze met een handigheid die jaren ervaring verried de tent af te breken. “Amara, je zei iets over het zeevolk.” Herinnerde Ilia zich. “ “Zij ook mee.” Wat bedoelde je daarmee?” Ze probeerde te helpen, maar de tent was volledig anders dan de tent waarmee ze zelf hadden gereisd en ze slaagde er alleen maar in om in de weg te lopen. Amara klakte geïrriteerd met haar tong. “Ja! Zij ook mee. Naar overkant. Als jullie. Ag!” Ze struikelde over een touw wat Ilia had proberen op te rollen. “Jij ga. Jij wacht. Galini, Mira!” Twee jonge vrouwen staken hun hoofd naar binnen. Amara riep ze een woordenstroom toe terwijl ze Ilia naar buiten duwde. “Ga met Galini. Praten later.” Een van de jonge vrouwen giechelde en nam Ilia bij de hand. Ze keek even geschrokken toen ze de koude, gladde schubben voelde en giechelde toen weer. “Kom! Kom! Ze wachten. Amara is sneller met Mira.” Ze had gelijk. Binnen een paar minuten nadat ze de tent had verlaten was deze afgebroken en in een zak opgeborgen. Niet veel later was het vreemde beest dat de nomaden gebruikten om hun spullen te dragen, een kameel, volgeladen en vastgebonden bij zijn kameraden. Ilia had zich intussen bij de wachtende vrouwen gevoegd.

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!