Een echte dame

De restjes bloed bleven onder de randen van haar keurig gemanicureerde nagels zichtbaar. Ze had haar handen al zo’n vijf keer gewassen. Pas na de derde keer had ze al de stroperige rode vloeistof uit de geplooide huid van haar knokkels gekregen, alles wat nu nog restte waren die randjes.

Niet dat het bloed zelf haar tegenstond. Dat absoluut niet. Het monster waar het van afkomstig was, had gekregen wat hem toe kwam. Maar een dame ziet er altijd onberispelijk uit. Tegenwoordig was dat een ouderwetse opvatting, maar zo was ze opgevoed en daar zou ze naar leven totdat ze door haar Schepper naar huis zou worden geroepen. Een dame had geen bloed onder haar nagels.

Vanuit haar luie stoel achter het raam had ze een prachtig uitzicht op de straat. Op haar leeftijd kwam ze niet zo vaak meer buiten –hoogstens om wat kleine boodschappen te doen, wanneer de huishoudelijke hulp iets was vergeten-, maar vanaf deze plek kon ze alles heerlijk in de gaten houden. Het getik van haar breipennen werd overstemd door de ambulance die met gillende sirenes stopte voor het huis van haar buren. Niet lang daarvoor had ze vanuit haar kleine knusse badkamertje al iemand de longen uit haar lijf horen gillen. Ze was te druk met het wassen van haar handen om te gaan kijken wat er aan de hand was, maar in gedachten had ze de vrouw een standje gegeven. Echte dames hielden altijd het hoofd koel, met wat voor situatie ze ook geconfronteerd werden. Goed, ze wist dat echte dames geen oordeel vellen over de vrouwen met het zwakkere gestel, die moeite hebben om zich correct te gedragen op moeilijke momenten. Die geef je advies, geen standje. Maar ze wist precies welk tafereel de gillende vrouw tegen was gekomen, dus ze vond dat ze in dit geval wel enigszins mocht oordelen. En een standje was hier wel op zijn plaats. Dames gillen niet vanwege een beetje bloed. Zeker niet wanneer dit afkomstig is van zo’n verderfelijk wezen. Ach, de opvoeding van tegenwoordig was toch zo anders dan vroeger.

Neem die lieve vrouw van hiernaast dan. Prachtige jongedame, heel gastvrij, het was altijd zo fijn als zij eens op de koffie kwam. Niet dat ze het eens was met de manier waarop de buurvrouw haar leven leidde. Nee zeg, absoluut niet. Wat was er toch gebeurt met de tijd dat vrouwen nog echt voor hun gezin zorgden? Een dienstbaar leven met een gelukkige man en gezonde, beschaafde kinderen, dat was het hoogst haalbare. Zij had daar zelf ook altijd naar geleefd totdat haar man zo’n 7 jaar terug plotseling overleed. Niemand had het zien aankomen. Behalve zij natuurlijk. In de jaren na zijn pensioen had hij zijn activiteiten buitenshuis steeds meer verruild voor de luie stoel voor het raam, haar favoriete plekje voordat hij zich die ging toe-eigenen. Van de strenge, maar rechtvaardige en actieve man die hij voorheen geweest was, veranderde hij steeds meer in een knorrige oude man die niks anders te doen had dan zijn zorgzame vrouw het leven zuur maken. Ze sloeg een kruisje en vroeg om vergiffenis voor haar nare gedachten. Maar, zo dacht ze daarna, zo was het nou eenmaal. Hij had het haar niet makkelijk gemaakt. Er was altijd wel een probleem. Een tafel die ze was vergeten af te stoffen, een stuk vlees wat te lang of juist te kort had gekookt, het geluid van haar breipennen die hem op zijn zenuwen werkte. Er lag altijd wel een vervelende opmerking op de loer. Zij had haar leven besteed aan het zijn van een dame, maar haar man was in zijn laatste paar jaar afgegleden tot iets wat geen heer meer was. Zelfs dienstbare dames laten niet over zich heen lopen. Dus hoewel het voor de rest van de wereld een volledige verassing was dat haar man op een dag naar zijn borst greep en al overleden was voor de ambulance ter plaatste was, had zij het al zien aan komen. Zijn eten had hem de laatste tijd al zo raar gesmaakt. Iedereen was zo lief geweest voor de recente weduwe, ze had zich gekoesterd in alle aandacht. Niemand had gemerkt dat de medicijnen die hij de afgelopen jaren steeds meer moest slikken voor zijn hartklachten bijna volledig op waren, ookal zou hij nog voor een half jaar voorraad moeten hebben.

Steeds meer mensen verzamelden zich voor het huis van de buren, zo veel dat ze haar het zicht op de straat ontnomen. Veel mensen die ze helemaal niet kenden. Ramptoeristen, snoof ze minachtend. Vreselijk dat soort mensen, die hadden hier helemaal niks te zoeken. Gelukkig vond de politie die net ter plaatse was gekomen dat ook en werd de mensenmenigte gevraagd weg te gaan. En net op dat moment kwam de buurvrouw thuis. Ze zag haar praten met de agent die de wacht hield voor de deur. Hij wilde haar niet binnenlaten. Ze begon te huilen en te schreeuwen. Zo hard dat ze het binnen kon horen. “Ik wil mijn zoon zien! Waar is mijn zoon?!” Even voelde ze een steek van medelijden, die ze daarna snel de kop in drukte. Zelf had ze ook een kind verloren, een lief jongetje van nog geen jaar oud. Haar oogappel. Op een dag had ze hem levenloos in zijn bedje gevonden, het ding waarvan iedereen beweerde dat het haar dochter was stond in een hoek van de kamer met grote ogen naar hem te staren. De officiële doodsoorzaak was wiegendood. Zij had wel beter geweten. Dat ding, dat monster in de gedaante van een achttien maanden oud meisje, dat was de oorzaak geweest. Ze wist niet hoe, of waarom, maar daar was ze heilig van overtuigd. Ze had nooit het gevoel gehad dat het kind van haar was, hoe zeer ze dat ook had geprobeerd. De weerzin die ze al voelde sinds dat ding uit haar gekomen was, was die dag omgeslagen in haat. Ze had het haar man verteld natuurlijk. Maar hij had haar gevoel afgedaan als het verhaal van een overspannen vrouw. Ze was tenslotte net haar zoontje verloren. Uiteraard vond hij dat ook vreselijk, maar het jongetjes was al vanaf zijn geboorte ziekelijk, dus het was geen enorme schok geweest. Gehoorzaam als ze was, had ze haar gevoelens weggestopt en was ze verder gegaan met haar leven. Zelfs toen het kleine meisje een paar maanden later in de achtertuin was gevonden, verstrikt en gestikt in de touwen van de schommel, hield ze haar hoofd omhoog en ging door alsof er niks gebeurt was. Een echte dame. Niemand zag haar glimlachen als ze dacht aan het monster wat er nu niet meer was. Niemand kwam aan haar gezin.

Ze was trots op wat ze gedaan had. Ze had niet alleen haar gezin verder leed bespaart, maar ook de wereld. Als het monster de kans had gekregen om verder te groeien, had het nog meer kwaad kunnen aanrichten. Daar had ze geen enkele twijfel over. Ze had het kwaad op tijd de kop in gedrukt. Omdat niemand haar had geloofd had ze het zelf moeten doen, maar in noodgevallen kon een dame wel haar eigen boontjes doppen. “Nee! Samuel, nee!” Het geschreeuw kwam nu van binnen het huis. Helaas, de buurvrouw had helaas niet de kracht gehad om te doen wat er gedaan moest worden. Ze weet het aan de losse moraal van tegenwoordig. Vrouwen hoorden niet te werken. Zo zag je maar weer dat ze daardoor de belangrijke dingen in het leven van hun gezin over het hoofd zagen. Als ze thuis was gebleven zoals een goede vrouw had betaamd dan had ze jaren geleden al gezien dat het kind een gevaar vormde. Het woord “kind” gebruikte ze hier natuurlijk losjes, het was niet te ontkennen dat dit monsterlijke wezen alleen maar het uiterlijk van een kind had aangenomen. Maar de buurvrouw was te vaak van huis om het kwaad in de ogen op te merken. Of misschien was ze te naïef. Ze was in ieder geval niet sterk genoeg om er iets aan te doen.

Lang had ze het aan moeten zien, hoe het monster jaar naar jaar verder groeide tot ze het niet langer kon aanzien. Hij had zich ontpopt tot de leider van de buurt, met zijn koude ogen hield hij alles in de gaten. Waar hij kwam sneuvelden ruiten door voetballen, werden plantjes uit tuinen ontworteld waar hij doorheen was gestampt en volwassenen die er iets van durfden te zeggen kregen een grote mond. “Ach buurvrouw, het is gewoon een normale jongen van tien. Die doen dat soort dingen nu eenmaal.” In haar tijd hadden ze dat soort dingen helemaal niet gedaan. Kinderen werden opgevoed om respect te hebben voor ouderen. Tegenwoordig was het normaal dat ze zonder de consequenties ervan te voelen de spullen van anderen konden vernielen. Maar wat hij deed ging het normale voorbij. Ze voelde het kwaad in hem elk jaar sterker worden. Een dame bemoeide zich niet met de zaken van een ander, maar ze had het niet meer aan kunnen zien en had de buurvrouw het afgelopen jaar meerdere malen gewaarschuwd dat het ding waarvan zij dacht dat het haar zoon was een demon in de onschuldige gedaante van een kind was. Eerst had ze daarom gelachen, daarna vooral geërgerd gekeken. De laatste keer was ze kwaad opgestaan en weggelopen. Ze had wel gemerkt het dat het ding veel minder in de buurt van haar huis zijn verdorven spellen speelde. Misschien was er toch een deel van haar waarschuwing op de juiste plek geland.

Maar het was te laat geweest. Twee weken terug –op de elfde verjaardag van het wezen- had ze het kwaad zich volledig zien ontpoppen. Het had de kinderen uit de buurt om zich heen verzameld, ze kon ze door de opengewerkte schutting die hun tuinen scheidde duidelijk zien, en was bezig om een lieveheersbeestje vakkundig van zijn vleugels te ontdoen. Hij lachte hardop om het kleine beestje dat van hem weg probeerde te komen. Nog even en hij zou zijn kwaad verder uitbreiden tot hij niet meer tegen te houden zou zijn. Het was tijd dat zij zelf het heft in handen nam.

En dat had ze gedaan. Het was niet zo geraffineerd als dat ze het eerste monster had weggewerkt, of de man die van een heer zo ver was afgleden dat hij haar perfecte leventje in de war gooide. Laat staan dat het zo schoon was als dat ze haar tweelingzus haar lesje had laten leren, de les dat je nooit je familie ten schande maakte door zwanger te worden van een getrouwde man. Haar ouders waren er kapot van geweest toen ze het briefje hadden gevonden waarin stond dat ze haar familie niet langer wilde kwetsen, dat ze spijt had en haar leven ging beteren. Ze hadden nog een zoektocht op touw gezet om haar terug te halen, maar ze hadden haar nooit meer terug gevonden. Alleen zij wist dat haar zus niet vrijwillig was vertrokken en nooit zou terugkeren.

Dit was niet schoon. Ook niet onopvallend. Aan de ene kant vond ze dat vervelend. Haar leven lang had ze geleefd om schoon te maken, te poetsen, op te ruimen, de perfecte huisvrouw te zijn. Het irriteerde haar dat ze nu, met waarschijnlijk de laatste goede daad die ze in dit leven zou doen, zo’n rommel moest achterlaten. Maar ze was gewoon te oud om het op een andere manier te doen. En ze zou tot het einde doen wat er gedaan moest worden. Dames haakten niet af als het moeilijk werd.

Het was makkelijk geweest om het huis binnen te komen. Ze kende de oppas al jaren en het had niet veel moeite gekost om haar even voor een boodschapje naar de winkel te laten gaan. Het ding had haar voor niks meer dan een onschuldige oude vrouw aangezien en had zich in eerste instantie makkelijk laten vangen. Maar haar reumatische handen trilden te erg om een nette rechte snee te kunnen maken en ze had niet veel kracht meer, dus het wezen had zich uit haar greep kunnen bevrijden voordat ze de kans had gekregen zijn slagader door te snijden. Toen ze hem eenmaal weer te pakken had gekregen had het bloed overal gezeten en had hij met zijn geschreeuw waarschijnlijk de halve buurt gewaarschuwd. Ze was dan ook niet verbaasd geweest dat, toen ze zich oprichtte om het resultaat van haar werk te bekijken, het jongetje wat zich zijn beste vriendje noemde door het raam naar binnen gluurde. Hij had haar nu rode rok en nette blouse in ogenschouw genomen en toen zijn geschokte blik naar het simpele keukenmes in haar hand laten gaan voordat hij er vandoor ging. Ze had het mes afgewassen en teruggestopt in het daarvoor bestemde vakje in het messenblok en daarna was ze naar huis gelopen.

Het had allemaal langer geduurd dan ze had gewild, maar ze had na de daad even moeten gaan zitten om op adem te komen. Ze vervloekte stilletjes haar oude lichaam. Al die onwaardige kwaaltjes. Ze had nog mazzel dat ze zichzelf kon douchen en haar plas kon ophouden. Ze had van haar huishoudelijke hulp gehoord dat er genoeg ouderen van haar leeftijd waren die zelfs dat niet meer konden. Dan had ze het toch echt wel getroffen. Het duurde misschien langer dan het vroeger gedaan zou hebben, maar uiteindelijk had ze zich snel genoeg kunnen wassen en omkleden om de hele commotie die zich daarna ontvouwde te kunnen zien. Ze had zelfs nog een paar pennen kunnen breien voordat het hele circus voor haar deur stond.

De buurvrouw was nog steeds aan het schreeuwen, hoewel er nu weinig samenhangends meer uitkwam. Ze hing huilend in de armen van de buurman, die intussen ook vanaf zijn werk was thuisgekomen. Ze had die man daar helemaal niet mee lastig moeten vallen, vond ze. Hij had al genoeg aan zijn hoofd als belangrijkste kostwinnaar. Maar ja, tegenwoordig had je geen echte dames meer. Haar deurbel ging. Ze had niet anders verwacht. Ze wist al jaren dat de rest van de wereld de dingen niet zo zag als zij. Dat had ze geaccepteerd. Nogmaals ging de deurbel, gevolgd door geklop op het raam. Het was tijd om de consequenties van haar daad onder ogen te zien. Het was niet wat ze wilde, maar als ze ten onder zou gaan, zou ze dat doen met hooggehouden hoofd. Ze opende de deur met een glimlach en liet de rechercheur die voor haar deur stond om haar te arresteren binnen. Ze bood hem zelfs nog koffie aan, met een plakje cake natuurlijk. Niemand zou ooit beweren dat zij geen dame was geweest.

Lentezon

Hier, zo in de lentezon,
omringd door ruisende bladeren
en een veel te hoog gegroeid gazon
blies de koele harde wind
de warmte van haar blote huid
waarna hij heel gezwind
door ontloken bloemen en bomen
even snel verdween als dat hij was gekomen
De hemel was een stralend blauw
er was geen wolkje aan de lucht
Ze moest nog... ach... wat gaf dat nou
Het moment was nu
en het was van haar
De wind die waaide door haar haar
Een glimlach op haar gezicht,
verstand op nul,
lag ze te genieten daar
zo in het volle licht
En zo heerlijk in de lentezon
op deze stiekem gestolen dag
werd ze zich er van bewust
dat ze zo best gelukkig was.

Aëri: deel 1 Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5: De woestenij

“Dit gaat niet passen! Snap dat dan!” Frustratie knaagde aan haar belofte. Dat begon al lekker, dacht Ilia, aangezien ze nog niet eens waren vertrokken. Het was de ochtend dat de karavaan in beweging zou komen. De nacht eigenlijk, het was pas iets na middernacht, maar de nomaden hadden Odin uitgelegd dat er ’s nachts gereisd zou worden en overdag geslapen. Zo zouden ze hun energie sparen tijdens de ergste hitte en tijdens de koude nachten warmer blijven. Odin had aangegeven dat hij dat begreep, maar Ilia vermoedde dat hij zich de hitte die de Ka-achi beschreven net zo min kon voorstellen als zij. Kou begreep ze, beter dan wie van de Mense die hier rondliepen dan ook. Levend in het koudste gedeelte van de wereld was ze volledig toegerust op het omgaan met die kou. Maar warmte? Ze kende de warmte van een houtvuur, de scherpe hitte als ze er te dicht bij ging zitten, die ervoor zorgde dat het zweet haar uitbrak en haar noodzaakte haar schalen zo ver mogelijk uit te zetten om de warmte kwijt te kunnen. Maar ze had het idee de Woestenij anders zou zijn. En ze was er bang voor.
Als ze er ooit een stap in zou zetten. Een half uur geleden hadden ze zich aangesloten bij de karavaan en direct was Ilia onder de hoede van de vrouwen genomen. Ze was direct naar een tent gesleept waar ze werd begroet door een voor Mense lange vrouw met vermoeide donkere ogen. “Amara.” Ze wees op zichzelf. “Ilia.” Een glimlach brak door op het donkere gezicht. “Goed. Kom.” Ze wuifde Ilia dichterbij terwijl ze uit een kist achter zich een groot gewaad tevoorschijn trok. “Jij groot. Ik hoop dat passen.” Ilia had het gewaad aangenomen en over haar hoofd proberen te wurmen, maar het werd al snel duidelijk dat haar vleugels niet zouden passen. Nu, een half uur en drie andere gewaden later, vierde de frustratie hoogtij. Niet alleen bij Ilia. Ook Amara wierp haar handen de lucht in en ratelde onafbroken in haar onverstaanbare dialect. Ilia hoorde door het dunne tentdoek het kamp afgebroken worden. Het gebeurde stil en doelmatig, geen overbodig geschreeuw of drukte. Een aantal keer hoorde ze een mannenstem wat vragen en later nog een keer. De derde keer dat ze zijn stem hoorde, was de irritatie duidelijk hoorbaar. Amara ga nog een laatste wanhopige ruk aan de ruwe lap die zich achter Ilia linkervleugel had gehaakt. Hij scheurde en Amara mompelde iets wat alleen maar een scheldwoord had kunnen zijn. “Ag! Wacht. Hier.” Ze wikkelde met een soepele beweging een lichte sjaal om haar hoofd en liep de tent uit. Ze sprak zachtjes tegen de man die had gesproken. Ilia gluurde voorzichting tussen een naad in het tentdoek door. Ze had al wel begrepen dat ze zich zonder gewaad niet naar buiten mocht begeven, maar zo kon ze in ieder geval nog kijken wat er aan de hand was. Amara had haar hoofd gebogen en keek de man niet aan. Ze leek zich te verontschuldigen, schudde bezwaard haar hoofd. Toch had ze iets onverzettelijks en uiteindelijk knikte de man kort en snauwde haar wat toe voor hij zich omdraaide en wegliep. Ilia verstond het niet, maar ze had wel een idee wat hij had gezegd. “Als je maar opschiet.” Haar korte blik door de spleet haar haar laten zien dat bijna het volledige kamp al was opgebroken, ze stonden op haar te wachten.
“Als het niet past, kan ik dan niet gewoon zo mee?’ Amara sloot met een reoluut gebaar de tentflap. “Nee.” Haar stem klonk scherp. “Jullie anders. Net zoals die anderen, dat zeevolk. Zij ook mee. Maar zij man. Man… mag zelf weten. Jij, zoals wij. Jij luisteren. Alsjeblieft.” Het was het meest dat Amara tot nu toe tegen haar in haar gebroken Gemeenschaps had gezegd. Ze maakte een gefrustreerd gebaar. Ilia probeerde haar te begrijpen. “Ik denk dat ik het snap. Onze gebruiken zijn anders, maar ik als vrouw moet me houden aan jullie gebruiken. De mannen niet.” Het gezicht van de donkere vrouw klaarde op. “Ja! Mannen mogen zelf weten, vrouwen onze… ge-gebruiken.” Ze struikelde over het laatste woord. Ilia zei niks. Ze was kwaad. Maar ze had dit al verwacht. Dus knikte ze alleen kort. “Dus? Wat nu? Want dit past echt niet.” “Nee nee. Maar Jaigun zegt hoeft niet alles. Hoeft niet.. eh…” Ze maakte een flapperend gebaar. “Vleugels.” “Ja, hoeft niet vleugels.” Met een snel gebaar haalde ze een mesje uit het wijde gewaad dat ze droeg en met een paar handige bewegingen had ze een paar uitsparingen gemaakt waar Ilia’s vleugels doorheen pasten. Ruisend viel de stof langs haar lichaam naar beneden tot de zoom vlag boven haar voeten bleef hangen. Even snel als dat ze haar eigen sjaal had omwonden, deed ze dat bij Ilia en daarna nam ze even een seconde de tijd om haar werk te bewonderen. “Goed. Nu wij gaan.” Zonder verder tijd te verspillen begon ze met een handigheid die jaren ervaring verried de tent af te breken. “Amara, je zei iets over het zeevolk.” Herinnerde Ilia zich. “ “Zij ook mee.” Wat bedoelde je daarmee?” Ze probeerde te helpen, maar de tent was volledig anders dan de tent waarmee ze zelf hadden gereisd en ze slaagde er alleen maar in om in de weg te lopen. Amara klakte geïrriteerd met haar tong. “Ja! Zij ook mee. Naar overkant. Als jullie. Ag!” Ze struikelde over een touw wat Ilia had proberen op te rollen. “Jij ga. Jij wacht. Galini, Mira!” Twee jonge vrouwen staken hun hoofd naar binnen. Amara riep ze een woordenstroom toe terwijl ze Ilia naar buiten duwde. “Ga met Galini. Praten later.” Een van de jonge vrouwen giechelde en nam Ilia bij de hand. Ze keek even geschrokken toen ze de koude, gladde schubben voelde en giechelde toen weer. “Kom! Kom! Ze wachten. Amara is sneller met Mira.” Ze had gelijk. Binnen een paar minuten nadat ze de tent had verlaten was deze afgebroken en in een zak opgeborgen. Niet veel later was het vreemde beest dat de nomaden gebruikten om hun spullen te dragen, een kameel, volgeladen en vastgebonden bij zijn kameraden. Ilia had zich intussen bij de wachtende vrouwen gevoegd.

Hammie de Hoofdeloze Hamster: Proloog

Hij stond voor het raam in de woonkamer. Hij zag niet wat er zich buiten afspeelde, maar bij voelde de kou die van het raam afsloeg en de vochtigheid die in de lucht hing. Hij hoorde, zover hij iets kón horen boven de geluiden uit die zijn lichaam maakte, de regendruppels die tegen het raam aansloegen. Geen kinderen die buiten speelden, geen stelletjes die flirtend en giechelend door het park voor zijn huisje langs liepen, zoals ze zo vaak deden op mooie dagen. Behalve de regen was het stil buiten. Perfect. Een perfecte dag om er een einde aan te maken.

Hij schuifelde op de tast naar de eetkamertafel in het midden van de keuken. Nog heel even stond hij daar, voelde de nerf van het hout. Tja, dacht hij, dat was het enige wat hij kon doen. Hij had eens luisterboeken van de bibliotheek geleend –die waren ze langs komen brengen als extra service-. Hij had ze kunnen luisteren op de enige manier waarbij hij nog iets goed kon horen: Door oordopjes in zijn enige bestaande lichaamsopening te plaatsten. Het was niet comfortabel, of hygiënisch wat dat betreft, maar het is behelpen wanneer je geen oren hebt. Heel even waren die boeken nog een klein lichtpuntje geweest in zijn leven, hij was toen nog jong, nog maar 5 maanden. Nu was hij iets meer dan een jaar oud, al ruim van middelbare leeftijd voor de gemiddelde hamster, en de lichtpuntjes waren uit zijn leven verdwenen. Maar hij herinnerde zich de verhalen nog die ze vertelden. Avonturen, romantische ontmoetingen… en ook dramatische eindes. Dan werd er beschreven hoe de held nog eenmaal naar het gezicht van zijn geliefde keek, met zijn ogen gesloten het geluid van de wereld in zich opnamen en een laatste ademtocht nam en toen dapper zijn eind tegemoet ging. Hammie had geen geliefde, kon niets zien en nauwelijks horen en ademhalen was juist een van de dingen in zijn leven die hij het ergste vond. Maar hij kon dapper zijn einde tegemoet gaan. Dat wel.

Zonder aarzeling klauterde hij de tafel op en tastte naar het touw dat hij met moeite had weten vast te knopen aan de spotjes in het plafond. De spotjes zaten goed vast, dat had hij getest, en het was een goed sterk touw. Met trillende pootjes knoopte hij het touw rond zijn staartje, zo ver mogelijk naar boven, zodat de opening volledig zou worden afgesloten en zijn adem zou worden afgesloten. Hij had berekend dat als hij van de tafel zou springen dat de afstand tot de grond groot genoeg zou zijn en hij niet op de grond terecht zou komen. Dat was het enige voordeel van het missen van een hoofd, hij was een stuk kleiner dan normaal.

Hij haalde nog één keer adem, de nare lucht drong nog eenmaal in zijn longen, en toen nam hij zonder aarzelen een duik van de tafel af. Hij had het goed berekend, het touw sloot zich direct strak rond zijn staartje. Plotseling kreeg hij het gevoel dat hij viel en toen dacht hij helemaal niks meer.

Aëri: Deel 6 Hoofdstuk 4

Toch kon ze het niet laten om af en toe naar het kamp van de bronzen Oci te gluren. Degene die haar had aangestoten zat nu bij het kampvuur, zij rossige hoofd naar haar gekeerd. Terwijl ze keek, keerde hij terug naar de koperen en haalde zijn schouders op. De koperen reageerde niet. Hij keek bedachtzaam naar Ilia. Ze werd er zenuwachtig van en probeerde zijn blik te vermijden. Haar lichaam brandde als vuur. In recordtijd had ze de tent opgezet en waar ze normaal gesproken de tent zoveel mogelijk probeerde te vermijden was ze nu blij met de beschutting ervan.
Maar haar opluchting duurde niet lang. Het kamp was opgezet, ze hadden gegeten. Het was tijd voor het verhaal.
Lange tijd was het stil rond het kleine vuurtje. Het was zo warm dat het niet nodig was om de temperatuur te verbeteren en vanwege het nachtzicht van de Aëri ook overbodig om beter te kunnen zien, maar Ilia was blij met de hallas die erboven hing te pruttelen en het huiselijke gevoel dat het knapperende hout haar gaf. Het leek de koude angst die om Odin heen hing dragelijker te maken. Een angst die hoe langer de stilte duurde haar steeds benauwder maakte. Haar ogen schoten nog even langs het Oci kamp, maar daar besteedden ze geen aandacht aan het bedrukte groepje. Ze zaten met hun rug naar haar toe, druk discussiërend en gebarend naar een uitgerold stuk leer dat voor ze lag. Een kaart?
Eden tikte haar aan en toe ze hem aankeek zag ze de frons tussen zijn ogen. Ze dacht eerst dat hij haar stiekeme blik had opgemerkt, maar toen besefte ze dat zijn bezorgde blik op Odin was gericht. Toen pas zag ze dat Odin diep in gedachten verzonken in de vlammetjes staarde, zachtjes met zijn hoofd schuddend. “Odin.” Zei ze. Ze moest het herhalen voor ze zijn aandacht had. Ze durfde het bijna niet te vragen. “Het verhaal?”
“Ja. Het verhaal.” Het kwam eruit als een lange zucht. “Vandaag niet het verhaal van de Avonturier. Vandaag een voorspelling die eeuwen geleden door een van onze zieners gedaan is.” Ilia keek hem strak aan. “Een voorspelling?” onderbrak ze hem. “Zouden we daar niet al iets over gehoord moeten hebben van de geschiedverhalers?” Odin maakte een geïrriteerd geluid bij de onderbreking. Ilia had er direct spijt van. Hij was duidelijk niet in de stemming om haar nieuwsgierigheid te tollereren. Ze sloeg haar ogen neer. “Sorry. Ga alsjeblieft verder.” “Dank je.” Het sarcasme was niet te missen. “Deze voorspelling ging niet specifiek over de Aëri en werd gedaan tegen een handelaar die de ziener haar spleetmos kwam brengen. Ze snoof de geur op, draaide haar ogen weg en greep hem was. “De aarde zal vergaan. Zij zal ze tot zich roepen en door groen en grijs en brandend rood zullen zij moeten luisteren anders is alles verloren.” De handelaar vertelde dit aan de gemeenschapsraad, maar de voorspelling werd afgedaan als een vage droom van een dementerende zieneres. De handelaar, we hebben geen idee meer wie zijn naam was, geloofde de oude vrouw, zijn moeder. Hij vertelde het verhaal door aan zijn zoon, die het weer door verhaalde aan de volgende handelaren. Nu is het een verhaal wat alleen bekend is onder de reizigers. Hoeveel er echt van waar is weet ik niet. Na al die tijd van overlevering kan het langzaam maar zeker veranderd zijn. Maar al die voortekenen rondom jou, Ilia…” Zijn stem dwaalde af. “De lange winters die we hebben. De droogte waar de kustgebieden de laatste jaren mee te maken hebben. Ik hoor verhalen over de binnenlanden van de Mense, waar de aarde barst en vuurspuwt. Het kan haast geen toeval zijn. Ik denk dat de voospelling uitkomt. En dat jij, Ilia, één van degenen bent die geroepen wordt.”
Een doodse stilte daalde neer. Het was intussen donker geworden en het geroezemoes va het kamp was verstild. Ook het kamp van de Oci was leeg, het vuur gedoofd tot wat gloeiende sintels.
“ “Door groen en grijs en brandend rood” Door brandend rood?!” Begrip daagde in Edens ogen. “Moeten we dat oversteken?” Hij wees naar de plek waar de bomen het verschrikkelijke uitzicht op de Amazon verborgen. Zijn stel klonk schril. Maar hij vroeg het niet aan Odin. Hij keek naar Ilia. Ze durfde hem niet aan te kijken, de naakte paniek in zijn ogen maakte haar misselijk. “Ilia?” Hij klonk bijna smekend. Met tegenzin keek ze hem aan. Hij zag het in haar ogen, ze was net zo bang voor het vooruitzicht. Maar ze kon niet anders. Ze wist het al toen ze de rode vlakte voor het eerst zag. “Het wijst me er naartoe Eden.” Ze fluisterde het bijna. “Ik voel het roepen in mijn botten.” Eden vloekte eenmaal. Hard. Niks voor Eden, maar Ilia vermoede dat hij anders in huilen uit was gebarsten. En dat was helemaal onacceptabel. De rode vlakte boezemde hem een bijna onredelijke angst in. “Wie roept je dan? Ik geloof mijn vader. Ik vertrouw op zijn oordeel en volg hem als hij dat nodig vind. Maar ik kan dat… dat… ding niet oversteken… niet met al die vage informatie! Waarom? Wie roept je?!” Hij was opgestaan en ijsbeerde geheel onkarakteristiek voor Ilia heen en weer. Na een tijdje, toe Ilia geen antwoord gaf, zonk hij met een zucht weer neer op zijn plek, zij geagiteerdheid verdwenen als sneeuw voor de zon. In plaats daarvan leek hij uitgeblust en leeggelopen. Ilia kon hem geen antwoord geven. Ze had geen antwoorden, ze wist het zelf ook niet. In plaats daarvan volgde ze haar gevoel.
 Ze had het nooit gedaan als ze thuis waren, het protocol had het nooit toegestaan. Zelfs een paar weken geleden had ze zich niet kunnen voorstellen dat ze dit zou doen, maar er was veel veranderd. Ze omhelsde hem. En hij liet het toe. Ze bleven nog lang zo zitten tot ze een voor een opstonden en zich terugtrokken in de tent. Ilia lag nog lang waker, luisterend naar de ijle wind die door het kamp trok en zich aanpaste aan het trillen in haar botten.

 Het duurde twee dagen voordat Odin een karavaan had gevonden die de Woestenij over zou steken en die bereid was om de drie reizigers mee te nemen. Vooral Ilia, of eigenlijk Ilia’s uiterlijk, bleek moeilijkheden te veroorzaken. Ilia weigerde eerst, natuurlijk, maar alleen de Ka-achli zouden op korte termijn vertrekken en deze zouden geen ongeklede vrouw in hun midden toelaten. Als ze zich volgens hun gebruiken zou kleden –en met de expliciete eis dat ‘de vrouw’ hun regels zou volgen- zouden ze over een halve zevendag vertrekken. Ilia weigerde. Ze zag de blikken nog voor zich waarmee de onderworpen vrouwen van de Ka-achli de wereld bekeken en de rillingen liepen langs haar rug. “Kunnen we niet gewoon vliegen Odin? Dat gaat veel sneller.” Odin schudde zijn hoofd. “De Woestenij is zo uitgebreid dat we er zelfs vliegend meerdere dagen over zouden doen. In die hitte? We zouden na een halve dag vliegen in die volle zon al zijn uitgedroogd. Het is een gevaarlijke plek, niet alleen vanwege het klimaat. Er woedden heftige stammenoorlogen. De Ka-achli zijn nomaden. De Woestenij is hun thuis. We maken de beste kans met hun.” Ilia sputterde nog wat tegen. “Ilia, wees redelijk. We hebben geen andere keus.” Dus stemde ze toe. Ze beloofde Odin zich in te houden. “Zweer het Ilia. Het is een hard volk, compleet tegengesteld aan wat jij kent. Beloof het me!” Ze beloofde het.

Mooie dromen

Er waren eens
een man en vrouw
ze zaten samen op een bankje
voeten in het rulle zand
Hij kneep zijn ogen samen
 en staarde langs het strand
de zon glinsterde
op haar witte haren
Zijn rollator op de promenade
aan haar voeten lag haar stok
Haar hand
zo broos en breekbaar
lag in de zijne
gerimpeld en zo groot
en zo keken ze samen
naar het avondrood
Hij gaf haar een kneepje
en zij kneep hem terug
en zonder wat te zeggen
strompelden ze
hand in hand
naar hun huisje terug

Gekkenhuis

Het gromt er, het rommelt
het piept er, het kraakt
er wordt wat af gemopperd
gegiecheld en gepraat
Er wordt heftig in gevreeen
er wordt ruzie in gemaakt
het scheldt, het ramt, het knottert
en daarna weer goed gemaakt
Er wordt gelachen en gehuild
gekieteld tot in tranen
er wordt over nagedacht
toekomstplannen te beramen
Er woont geluk, en leven
het snuffelt er, het pluist
het verliest nooit zijn wilde haren
ons mooie gekkenhuis

Mijn hoofd

"Sttt....
Niet nadenken."
zei mijn hoofd
in mijn hoofd
tegen mijn hoofd
voordat het, ongeloofd
volledig van het verstand beroofd
als een kaars werd uitgedoofd
door de drukte in zichzelf.

Annemarie en de ontdekking van de Poort der Volledigheid, Deel 2

Druk gebarend stond de gids in het midden van de kelder. Annemarie was niet aan het opletten. Normaal gesproken zou het vooruitzicht van de wijnproeverij aan het eind van de rondleiding haar meer dan enthousiast hebben gemaakt –tenslotte was het drank en haar moeder zou er deze keer niet moeilijk over doen- maar ze leek te diep in gedachten verzonken om er naar uit te kijken.
“Wat ben je stil.” Zijn stem klonk vreemd gedempt in het geroezemoes van de rest van de groep. Ze schrok op en glimlachte even. Dillan had geen verklaring verwacht, hij was al blij dat ze hem de laatste tijd niet meer negeerde, laat staan dat ze hem zou vertellen waar ze mee zat. Hij wilde haar alleen laten weten dat het hem was opgevallen. Ze had het niet altijd even makkelijk, met zo’n warhoofdige, emotionele moeder en die rotza…
Hij onderbrak zijn eigen gedachtengang. Hij werd altijd kwaad als hij aan Joannes ex-man –Annemaries vader- dacht. Zelf had hij zo graag kinderen gewild en zo’n vent kreeg ze bij bosjes en keek er vervolgens nooit meer naar om. Het was zo oneerlijk dat zelfs hij, de nooit kwaad te krijgen Dillan, het voelde kriebelen als hij aan de man dacht. Hij kende Annemarie nog maar drie jaar, waarvan één als haar officiële stiefvader en hoe ijzig ze zich ook tegen hem had gedragen, hij voelde zich meer haar vader dan de man die dat daadwerkelijk was.
Die wilde,koppige, onstuimige Annemarie. Ze leek zo veel op haar moeder met die grote bos rode krullen en die woeste grijze ogen. Het zouden zussen kunnen zijn. Alleen waar Joannes binnenste een waterval aan ongecontroleerde emoties stroomde, zat in Annemarie een stuk staal. Op dit moment werd het wat overschaduwd door de razende hormonen, maar over een paar jaar zou ze een sterkere, evenwichtigere vrouw zijn dan haar moeder ooit zou worden. Had die vent haar toch iets goeds meegeven.
De groep schuifelde verder en hij voelde Joanne tegen hem aangedrukt worden toen ze met zijn tienen door het smalle gangetje naar boven probeerden te komen. Hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar even tegen zich aan. In de schemering zag hij haar tegen hem knipogen. Ze hield van plagen, zijn kleine Joanne. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand die zelf nog zo kinderlijk was alleen een kind op had kunnen voeden, laat staan zo goed. Misschien vergiste hij zich en had niet alleen Annemaries vader staal in zijn binnenste.
Joannes hand gleed in de zijne en kneep even. Terwijl hij terugkneep dacht hij nog even aan Annemarie. Hij besloot niks tegen Joanne te zeggen over haar piekerende dochter. Ze maakte zich al te veel zorgen en het zou de sfeer zeker niet ten goede komen. Hoewel, bedacht hij zich, was deze wel wat verbeterd sinds de laatste keer dat Annemarie het huisje uit was gestormd, nu twee dagen geleden. En sindsdien was ze ook zo rustig. Ze zou toch geen jongen zijn tegengekomen? Veel verstand van tienermeisjes had hij niet, maar je hoorde wel van die verhalen. Hij gluurde over Joannes hoofd naar haar dochter. Nee, ze keek eerder bedachtzaam dan verliefd. Gelukkig, dacht hij. Eén tiener om zich druk over te maken was voor nu wel even voldoende, glimlachte hij bij zichzelf. Wat het ook was, Annemarie zou er wel uitkomen zonder bemoeienis van die ‘lastige stiefvader’.
Hij kneep nogmaals in Joannes hand en volgde haar de zon in

Aëri: Deel 5 Hoofdstuk 4

Ilia gebaarde naar het kookvuur, niet genegen zich boven het geroezemoes verstaanbaar te maken in de angst dat ze nog meer de aandacht zou trekken dan ze al deed. Niet dat dat kon, bedacht ze wrang. Odin gebaarde terug dat ze haar gang kon gaan, waarna ze het grootste gedeelte van haar bepakking loshaakte en aan zijn voeten zette. De buidel om haar hald liet ze hangen, daaruit zou ze voor het eten betalen.
Toen ze terugkeerde had ook Eden zijn weg terug gevonden. Ze overhandigde hem een spies met vis en gaf Odin die van hem. Zowel hij als Ilia hadden een voorkeur opgevat voor het zachte witte vlees van een vogel die ze kip noemden. Zoals elke keer genoot Ilia van de heerlijke kruiden die erop zaten en die thijm en rozemarijn heetten. Odin had hen geleerd deze groene sprieten te herkennen en Ilia was dolblij geweest toen ze een aantal dagen terug een aantal bossen rozemarijn op hun route had gevonden. Nu gebruikte ze het dagelijks om hun eten te kruiden, tot Eden begon de klagen dat de smaak hem begon de vervelen.
Eden leidde hem naar de aangewezen plek, niet verassend gelegen aan de rand van de pleisterplaats. Genietend van haar spies, blij dat ze een keer niet op jacht hoefde of hoefde te koken, nam Ilia de aanwezige handelaren in zich op. Ze probeerde Odins lessen toe te passen: Die korte gedrongen man, met het kaalgeschoren hoofd en het losse gewaad onder het leren vest dat tot op zijn knieën kwam, die moest wel van de Ka-achlai zijn, de woestijnstam. En die man, een stukje verderop, met die gekleurde kraaltjes in zijn gevlochten haren, hoorde tot de Eloch, een stam die zijn oorsprong vond ten zuidwesten van Brassa. Het grootste gedeelte van de verschillende klederdrachten en hoofdtooien herkende ze echter niet. Sommige verschillen zouden waarschijnlijk alleen zichtbaar zijn voor iemand die wist waar hij naar moest kijken.
En terwijl ze bezig was met haar stille oefening, viel haar ineens een groepje teruggetrokken Mense op. Ze waren gekleed in dezelfde gewaden als de man van de Ka-achli, maar hun gezichten waren bedekt en ze misten alle bravoure die alle mannen die ze tot nu toe gezien had eigen was. Eén van hen wierp een schichtige blik op de Aëri, om snel de ogen weer neer te slaan toen een van de verderop zittende mannen een bevel snauwde. Het zien van die donkere ogen met de lange wimpers maakte het Ilia duidelijk: dit waren de vrouwen van de stam.
Ze had ineens geen honger meer. Ze wist dat op het Vasteland de vrouwen ondergeschikt waren, maar ze was er nog niet zo mee geconfronteerd geweest. In de dorpen die ze tot nu toe hadden aangedaan waren vrouwen gewaardeerde leden van de gemeenschap, ze hielpen mee in de gasthuizen en hielden trots hun hoofd omhoog. Maar deze vrouwen, die waren anders. Hoofd gebogen, ogen neergeslagen. Ilia werd er misselijk van. Maar ze zei niks, klemde haar kaken op elkaar en probeerde haar woede door de wind te laten meevoeren. Odin keek over zijn schouder, alsof hij haar gemoed aanvoelde, maar hij zei niks. Hij leek te weten dat ze zichzelf genoeg onder controle had.
“Hier, vlak voor die bomen.” Eden rukte haar uit haar gedachten. Ze nam de plek in zich op. Niet te ver van de grootste drukte van het vuur, maar wel rustig en net buiten de rand van het bladerdak met open zicht op de open hemel. “Mooi.” Odin kon niet anders dan dat beamen. “Goed gedaan.” Eden reageerde slechts met een knikje, maar Ilia zag dat zijn schouders iets ontspanden en een kleine blos kleurde zijn wangen. Een echt compliment van Odin was zeldzaam. En hij had het ook verdiend.
Weer teruggekeerd naar haar oefening, proberend om haar gedachten af te leiden aan het trieste groepje van zoeven, nam ze hun buren op. Niet meer stiekem, Odin was van mening dat ze zo veel mogelijk Mense-gedrag moesten overnemen, maar openlijk, zonder te staren. Een trage, onderzoekende blik langs de kampementjes, zonder de blik te lang op een plek te houden. Het voelde nog steeds vreemd, alsof ze inbreuk maakte op de privacy van anderen, maar het werd steeds gemakkelijker om de nieuwsgierigheid die haar eigen was de vrije teugel te geven. Bovendien, zij werden op dezelfde manier bekeken.
“Ilia,” berispte Odin, “kijken, niet staren.” Ze hoorde hem niet. Haar blik was gedwaald over de eenzame man aan hun rechterkant, die zat te knikkebollen onder de beschutting van de bomen, naar het kampement aan de andere kant. Daar was ze blijven hangen, gefocust op die bekende tent, op die bekende figuur die ervoor zat en bezig was een pannetje boven een vuurtje te hangen. Zijn koperen vingers verkruimelden een gedroogd donker poeder boven het water, zijn geschubde hoofd gloeide rood in de ondergaande zon. Stemmen die achter Ilia vandaan kwamen deden hem opkijken. Zijn zwarte ogen ontmoetten de hare en hielden ze vast. Zijn linkermondhoek krulde omhoog, heel lichtjes maar, tot iets wat een glimlach had kunnen zijn. Zonder het te beseffen glimlachte ze terug. Toen werd ze aangestoten door iemand die langs haar liep en werd het oogcontact verbroken.
“Ilia, als je bent uitgestaard, kan je dan de tent opzetten?” Het was geen vraag, Odin klonk geërgerd en vermoeid. Een blos kroop omhoog langs haar hals en wangen. “Sorry.” Mompelde ze, maar of ze het tegen Odin had of de koperen man was niet duidelijk.