Laatste schrijfsels

Half hart

Mijn hart was in stukken
verdeeld in twee
maar ik had jouw helft
dus ik zal daar niet mee

Maar jij vertrok hier
en liet mij alleen
en liet mij achter
met een half hart, niet één

En een half hart dat klopt wel
maar meer doet het niet
het voelt niet meer vreugde
alleen nog verdriet

Het zal verder leven
maar altijd in rouw
want wat het ook doet
het huilt altijd om jou

Mijn hoofd

"Sttt....
Niet nadenken."
zei mijn hoofd
in mijn hoofd
tegen mijn hoofd
voordat het, ongeloofd
volledig van het verstand beroofd
als een kaars werd uitgedoofd
door de drukte in zichzelf.

Nooit meer

Nooit meer samen
nooit meer zijn
nooit meer aanraken
nooit meer fijn

Het beheerst mijn denken
het beheerst mijn hart
het beheerst mijn leven
het beheerst mijn smart

Nooit meer liefde
nooit meer leven
nooit mee knuffelen
nooit meer geven

Het beheerst mijn denken
het beheerst mijn hart
het beheerst mijn leven
het beheerst mijn smart

Nooit meer je stem
of "ik houwe jou"
nooit meer vriendjes
altijd je vrouw
 
Het beheerst mijn denken
het beheerst mijn hart
het beheerst mijn leven
het beheerst mijn smart

Nooit meer jij
samen met mij

Weg

Mijn hart is weg
verstampt
vertrappeld
een bloedend gat in een lege borstkas
huilend om het gemis
een leegte door wat er niet meer is
door wat niet meer zal komen
behalve dan
zo bitterzoet
in mijn wensen en mijn dromen
Mijn hart is weg
bloedeloos
verdwenen
een gapend gat gevuld met pijn
om wat niet had mogen zijn
en wat nooit meer
zal genezen

Mirror

"You'll be fine." I told her.
She shrugged and turned away.
I grabbed her arm.
"You'll. Be. Fine."
Our eyes locked.
Blank stare.
"YOU'LL BE FINE!" I yelled.
I started hitting her.
Hard.
Until my knuckles bled.
"YOU'LL BE FINE! YOU'LL BE FINE!"
My fists started to go numb.
"YOU'LL BE FINE!"
I sank to the floor.
Sobbing.
"You'll be fine." I wispered.
From the shards of broken mirror she looked at me
a thousand times reflected.
She smiled.
That sad smile.
She didn't believe me.

Annemarie en de ontdekking van de Poort der Volledigheid, Deel 2

Druk gebarend stond de gids in het midden van de kelder. Annemarie was niet aan het opletten. Normaal gesproken zou het vooruitzicht van de wijnproeverij aan het eind van de rondleiding haar meer dan enthousiast hebben gemaakt –tenslotte was het drank en haar moeder zou er deze keer niet moeilijk over doen- maar ze leek te diep in gedachten verzonken om er naar uit te kijken.
“Wat ben je stil.” Zijn stem klonk vreemd gedempt in het geroezemoes van de rest van de groep. Ze schrok op en glimlachte even. Dillan had geen verklaring verwacht, hij was al blij dat ze hem de laatste tijd niet meer negeerde, laat staan dat ze hem zou vertellen waar ze mee zat. Hij wilde haar alleen laten weten dat het hem was opgevallen. Ze had het niet altijd even makkelijk, met zo’n warhoofdige, emotionele moeder en die rotza…
Hij onderbrak zijn eigen gedachtengang. Hij werd altijd kwaad als hij aan Joannes ex-man –Annemaries vader- dacht. Zelf had hij zo graag kinderen gewild en zo’n vent kreeg ze bij bosjes en keek er vervolgens nooit meer naar om. Het was zo oneerlijk dat zelfs hij, de nooit kwaad te krijgen Dillan, het voelde kriebelen als hij aan de man dacht. Hij kende Annemarie nog maar drie jaar, waarvan één als haar officiële stiefvader en hoe ijzig ze zich ook tegen hem had gedragen, hij voelde zich meer haar vader dan de man die dat daadwerkelijk was.
Die wilde,koppige, onstuimige Annemarie. Ze leek zo veel op haar moeder met die grote bos rode krullen en die woeste grijze ogen. Het zouden zussen kunnen zijn. Alleen waar Joannes binnenste een waterval aan ongecontroleerde emoties stroomde, zat in Annemarie een stuk staal. Op dit moment werd het wat overschaduwd door de razende hormonen, maar over een paar jaar zou ze een sterkere, evenwichtigere vrouw zijn dan haar moeder ooit zou worden. Had die vent haar toch iets goeds meegeven.
De groep schuifelde verder en hij voelde Joanne tegen hem aangedrukt worden toen ze met zijn tienen door het smalle gangetje naar boven probeerden te komen. Hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar even tegen zich aan. In de schemering zag hij haar tegen hem knipogen. Ze hield van plagen, zijn kleine Joanne. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand die zelf nog zo kinderlijk was alleen een kind op had kunnen voeden, laat staan zo goed. Misschien vergiste hij zich en had niet alleen Annemaries vader staal in zijn binnenste.
Joannes hand gleed in de zijne en kneep even. Terwijl hij terugkneep dacht hij nog even aan Annemarie. Hij besloot niks tegen Joanne te zeggen over haar piekerende dochter. Ze maakte zich al te veel zorgen en het zou de sfeer zeker niet ten goede komen. Hoewel, bedacht hij zich, was deze wel wat verbeterd sinds de laatste keer dat Annemarie het huisje uit was gestormd, nu twee dagen geleden. En sindsdien was ze ook zo rustig. Ze zou toch geen jongen zijn tegengekomen? Veel verstand van tienermeisjes had hij niet, maar je hoorde wel van die verhalen. Hij gluurde over Joannes hoofd naar haar dochter. Nee, ze keek eerder bedachtzaam dan verliefd. Gelukkig, dacht hij. Eén tiener om zich druk over te maken was voor nu wel even voldoende, glimlachte hij bij zichzelf. Wat het ook was, Annemarie zou er wel uitkomen zonder bemoeienis van die ‘lastige stiefvader’.
Hij kneep nogmaals in Joannes hand en volgde haar de zon in

Aëri: Deel 5 Hoofdstuk 4

Ilia gebaarde naar het kookvuur, niet genegen zich boven het geroezemoes verstaanbaar te maken in de angst dat ze nog meer de aandacht zou trekken dan ze al deed. Niet dat dat kon, bedacht ze wrang. Odin gebaarde terug dat ze haar gang kon gaan, waarna ze het grootste gedeelte van haar bepakking loshaakte en aan zijn voeten zette. De buidel om haar hald liet ze hangen, daaruit zou ze voor het eten betalen.
Toen ze terugkeerde had ook Eden zijn weg terug gevonden. Ze overhandigde hem een spies met vis en gaf Odin die van hem. Zowel hij als Ilia hadden een voorkeur opgevat voor het zachte witte vlees van een vogel die ze kip noemden. Zoals elke keer genoot Ilia van de heerlijke kruiden die erop zaten en die thijm en rozemarijn heetten. Odin had hen geleerd deze groene sprieten te herkennen en Ilia was dolblij geweest toen ze een aantal dagen terug een aantal bossen rozemarijn op hun route had gevonden. Nu gebruikte ze het dagelijks om hun eten te kruiden, tot Eden begon de klagen dat de smaak hem begon de vervelen.
Eden leidde hem naar de aangewezen plek, niet verassend gelegen aan de rand van de pleisterplaats. Genietend van haar spies, blij dat ze een keer niet op jacht hoefde of hoefde te koken, nam Ilia de aanwezige handelaren in zich op. Ze probeerde Odins lessen toe te passen: Die korte gedrongen man, met het kaalgeschoren hoofd en het losse gewaad onder het leren vest dat tot op zijn knieën kwam, die moest wel van de Ka-achlai zijn, de woestijnstam. En die man, een stukje verderop, met die gekleurde kraaltjes in zijn gevlochten haren, hoorde tot de Eloch, een stam die zijn oorsprong vond ten zuidwesten van Brassa. Het grootste gedeelte van de verschillende klederdrachten en hoofdtooien herkende ze echter niet. Sommige verschillen zouden waarschijnlijk alleen zichtbaar zijn voor iemand die wist waar hij naar moest kijken.
En terwijl ze bezig was met haar stille oefening, viel haar ineens een groepje teruggetrokken Mense op. Ze waren gekleed in dezelfde gewaden als de man van de Ka-achli, maar hun gezichten waren bedekt en ze misten alle bravoure die alle mannen die ze tot nu toe gezien had eigen was. Eén van hen wierp een schichtige blik op de Aëri, om snel de ogen weer neer te slaan toen een van de verderop zittende mannen een bevel snauwde. Het zien van die donkere ogen met de lange wimpers maakte het Ilia duidelijk: dit waren de vrouwen van de stam.
Ze had ineens geen honger meer. Ze wist dat op het Vasteland de vrouwen ondergeschikt waren, maar ze was er nog niet zo mee geconfronteerd geweest. In de dorpen die ze tot nu toe hadden aangedaan waren vrouwen gewaardeerde leden van de gemeenschap, ze hielpen mee in de gasthuizen en hielden trots hun hoofd omhoog. Maar deze vrouwen, die waren anders. Hoofd gebogen, ogen neergeslagen. Ilia werd er misselijk van. Maar ze zei niks, klemde haar kaken op elkaar en probeerde haar woede door de wind te laten meevoeren. Odin keek over zijn schouder, alsof hij haar gemoed aanvoelde, maar hij zei niks. Hij leek te weten dat ze zichzelf genoeg onder controle had.
“Hier, vlak voor die bomen.” Eden rukte haar uit haar gedachten. Ze nam de plek in zich op. Niet te ver van de grootste drukte van het vuur, maar wel rustig en net buiten de rand van het bladerdak met open zicht op de open hemel. “Mooi.” Odin kon niet anders dan dat beamen. “Goed gedaan.” Eden reageerde slechts met een knikje, maar Ilia zag dat zijn schouders iets ontspanden en een kleine blos kleurde zijn wangen. Een echt compliment van Odin was zeldzaam. En hij had het ook verdiend.
Weer teruggekeerd naar haar oefening, proberend om haar gedachten af te leiden aan het trieste groepje van zoeven, nam ze hun buren op. Niet meer stiekem, Odin was van mening dat ze zo veel mogelijk Mense-gedrag moesten overnemen, maar openlijk, zonder te staren. Een trage, onderzoekende blik langs de kampementjes, zonder de blik te lang op een plek te houden. Het voelde nog steeds vreemd, alsof ze inbreuk maakte op de privacy van anderen, maar het werd steeds gemakkelijker om de nieuwsgierigheid die haar eigen was de vrije teugel te geven. Bovendien, zij werden op dezelfde manier bekeken.
“Ilia,” berispte Odin, “kijken, niet staren.” Ze hoorde hem niet. Haar blik was gedwaald over de eenzame man aan hun rechterkant, die zat te knikkebollen onder de beschutting van de bomen, naar het kampement aan de andere kant. Daar was ze blijven hangen, gefocust op die bekende tent, op die bekende figuur die ervoor zat en bezig was een pannetje boven een vuurtje te hangen. Zijn koperen vingers verkruimelden een gedroogd donker poeder boven het water, zijn geschubde hoofd gloeide rood in de ondergaande zon. Stemmen die achter Ilia vandaan kwamen deden hem opkijken. Zijn zwarte ogen ontmoetten de hare en hielden ze vast. Zijn linkermondhoek krulde omhoog, heel lichtjes maar, tot iets wat een glimlach had kunnen zijn. Zonder het te beseffen glimlachte ze terug. Toen werd ze aangestoten door iemand die langs haar liep en werd het oogcontact verbroken.
“Ilia, als je bent uitgestaard, kan je dan de tent opzetten?” Het was geen vraag, Odin klonk geërgerd en vermoeid. Een blos kroop omhoog langs haar hals en wangen. “Sorry.” Mompelde ze, maar of ze het tegen Odin had of de koperen man was niet duidelijk.

Aëri: Deel 4 Hoofdstuk 4

“Ik wist het. Nee he, ik wist het.”Gedrieën stonden ze aan de rand van een groen veld. Weelderig gras krulde tussen hun klauwen, achter hen bevond zich de rivier, gevuld met kristalhelder, klaterend water en omzoomd door een brede strook bomen, struiken en prachtig gekleurde bloemen. Ademloos van bewondering hadden Ilia en Eden de zoom doorkruist, genietend van elke frisse, geurige ademteug en de vele, vele kleine geluiden die overal vandaan leken te komen. Ze hadden genoten van dit stukje paradijs op aarde.
Nu echter, stonden ze aan de rand van de hel, zo leek het. Het gras, zo fris onder hun voeten, glooide in een langzame beweging naar beneden om in de diepte te eindigen als zielige dorre twijgjes, ondergewaaid door roodbruin zand. En daarna, zo ver als hun verbazingwekkend scherpe ogen konden zien, was er zand, onderbroken door harde plekken gebarsten aarde en afgestorven bomen.
Ilia werd zich plotseling bewust van de hitte. Door de bomen, de wind die de koelte van de rivier met zich meedroeg, had ze niet gemerkt hoe warm het eigenlijk was. Nu drong het door, buiten de verkoelende beschutting van het bladerdak en kijkend naar de zinderende lucht boven de uitgestrekte vlakte. “Amazon.” Fluisterde Eden naast haar, voor eens om woorden verlegen. “Ja, de Woestenij.” Beaamde Odin. Ilia wachtte op de stroom feiten die zou volgen, zoals gewoon wanneer ze iets nieuws zagen, maar die volgde niet. Alleen maar “Ik wist het.”
Ilia draaide zich naar hem toe. “Je wist het? Wat wist je?” Hij keek haar aan, zijn ogen enorme amberen juwelen in zijn grijze gezicht. “Hij slikte. “Dat we hier uit zouden komen. Maar de heren van de wind zijn mijn getuigen, ik hoopte dat ik me vergist had.” Hij sloot zijn ogen en toen hij ze weer opende stonden ze vastberaden. “Kom, we gaan op zoek naar de pleisterplaats. Ik zal jullie alles uitleggen,” onderbrak hij, toen hij zag dat Ilia haar mond open deed, “maar niet met dit… afschuwelijke uitzicht voor me. Eerst een plek om te overnachten, dan het verhaal. Net zoals anders.”
Hoewel dit nauwelijks genoeg was om ze tevreden te stellen, deden de jongelingen er het zwijgen toe. De afgelopen anderhalve zevendag, sinds Odin de verantwoordelijkheid op zich had genomen en dit was gaan behandelen als een echte Tocht, was het zo gegaan; De hele dag reizen, wanneer de tijd het toestond lopend, ander begeleiding van de constante toevoer van weetjes en anekdotes van Odin. In het Gemeenschaps, want hij weigerde om iets anders te spreken. En ‘savonds, in een hostel of rond het kampvuur, volgde stukje bij beetje het verhaal van de Avonturier, die de oneindige moerassen van de Amazon-Woestenij was overgestoken om in het land aan de overkant de meest ongelooflijke avonturen te beleven. Maar dat was honderden jaren geleden, misschien wel duizenden. “De Woestenij is inmiddels opgedroogd.” Had Odin tijdens één van de verhalen gezegd. Maar dit had Ilia nooit verwacht, zoiets doods. Ze was blij dat ze deze troosteloosheid haar rug kon toekeren.
Niet veel later betraden ze de pleisterplaats. Het was vergelijkbaar met wat ze hun eerste dag op het Vasteland waren tegengekomen: Een ruime open plek, volgepakt met Mense, met op regelmatige afstanden de gezamelijke kookvuren. Evenals toen werden de Aëri aangestaard, hun lange gekleurde gestalten duidelijk zichtbaar in de massa in leer gehulde huid.
“Eden, kan jij de kampbeheerder opzoeken? Wij wachten daar.” Oden gebaarde naar het dichtstbijzijnde vuur. Eden keek verrast, verheugd en ietwat angstig tegelijk, voordat hij zijn houding terugvond, knikte en zich waardig door de Mense-menigte begon te banen. Ilia onderdrukte haar teleurstelling. Dit was de eerste verzamelplaats van handelaren die ze tegen waren gekomen sinds die eerste dag en Ilia had gehoopt dat zij deze taak had mogen vervullen. Nu was het Eden die naar de beheer van de verzamelplaats zou gaan om de drie nieuwe bezoekers aan te melden. De beheerder zou hun namen vragen en de reden van hun komst en eventuele handelswaar en zou hun dan een beschikbare plek toewijzen als zij er zelf nog geen hadden gevonden. Een goede kampbeheerder, had Odin gezegd, zorgde ervoor dat bezoekers niet te ver uit de buurt van de kookvuren zaten en wanneer mogelijk in de buurt van handelaren die aanvullende waren hadden, maar geen concurrerende. Het was een lastige baan, die veel organisatietalent vroeg en een diplomatieke instelling. Zelfs de schijn van voortrekkerij zou er voor zorgen dat hij zo snel mogelijk vervangen werd, want wie zou tenslotte handel willen drijven als hij het vermoeden had benadeeld te worden?
Eden zou vragen om een plek aan de buitenrand. Druktes zoals deze maakten Ilia nog steeds onrustig en hoewel hij dat nooit zou toegeven voelde Eden hetzelfde. Zijn vader had geen last meer van het benauwende gevoel, hij was al zo vaak in vergelijkbare kampen geweest dat het hem gewoon was geworden.

Aëri: Deel 3 Hoofdstuk 4

En nu waren ze hier, in een of ander onbekend dorp, met na een week onderweg te zijn nog steeds geen idee van hun uiteindelijke bestemming. Voor Ilia begon de spanning er wel van af te raken. Ze was nog net zo vastberaden als dat ze aan het begin van de reis was geweest, maar de nieuwigheid en spanning was verdrongen door de noodzaak en haar gevoel van verantwoordelijkheid. Ze was gewend geraakt aan die lelijke, kale Mense en hun snauwende manier van praten en hoezeer ze ook genoot van het veranderende landschap en de onbekende dieren, het was niet wat ze van een Wildtocht had verwacht.
“Odin,” begon ze, nadat ze zich voor de nacht in Santorea hadden geïnstalleerd, ”Gaat een Wildtocht altijd zo?” Hij schrok op alsof hij in gedachten verzonken was geweest, net zoals altijd de afgelopen dagen, wanneer ze hem wat wilden vragen. “Hmm? Ilia, dit is geen Wildtocht.” Daarmee leek hij haar antwoord af te doen. In de afgelopen zevendag had hij geen verhalen meer verteld, geen uitleg meer gegeven over de vele onbekendheden en op alle vragen kortaf en bondig antwoord gegeven. Of Eden het had opgemerkt wist Ilia niet, hij was ook stil en broedend, Maar Ilia vond het vervelend en ze moest toegeven dat het haar steeds meer ergerde.
“Jawel. Dit is wel een Wildtocht.” De scherpte in haar stem deed hem opkijken. Vanuit haar ooghoek zag ze dat Eden was opgehouden met het opporren van het kookvuur en naar haar keek. “Bij de wind, Odin! Het mag er dan misschien niet op lijken en het einddoel mag dan wel veranderd zijn, maar dit is nog steeds mijn Wildtocht.” Eden kuchte zachtjes. “Onze Wildtocht.” Corrigeerde ze zich snel, met een zijdelingse blik op de verderopzittende figuur. Verbeeldde ze zich het of zag ze een geamuseerde uitdrukking over zijn gezicht schieten? Als dat zo was, ging het te snel om er zeker van te zijn, maar het gaf haar de moed om verder te praten. “De route is veranderd, maar de Mense toch niet? Of de Oce? Of de dieren die hier rondlopen?” Ze zuchte: “We zijn toch nog steeds op het vasteland, waar zowel Eden als ik nog nooit geweest waren voor we hierheen vertrokken? Waarom zou je dit dan niet als een Wildtocht mogen beschouwen? Ook al is hij een beetje onconventioneel?!”
Ze was steeds harder gaan praten, was nu zelfs een beetje buiten adem. Haar handen trilden. Er volgde een lange, verwachtingsvolle stilte. Een stilte die zo lang duurde dat Ilia begon te denken dat hij haar –in zijn ongetwijfeld aanwezige verontwaardiging- gewoon geen antwoord zou geven. Maar uiteindelijk sprak hij toch. Niet boos. Eerder berouwvol.
“Het spijt me, Ilia. Eden. Je hebt gelijk. Ik ben gewoon zo in gedachten verzonken geweest dat het niet in me opkwam dat jullie, nou ja, jij in ieder geval Eden, opgeleid moeten worden tot handelaar.” Hij haalde zijn schouders op, een typisch Mense gebaar. “Ik vraag me alleen zo hard af waar we heen geleid worden en waarom. En wat ik daar bij kan betekenen. Ik vermoed dat ik weet waar me heen gaan… Maar dat kan gewoon niet, dat…” hij stopte, haalde diep adem, weer zo’n vertoon van on-Aërische emotie, en herpakte zich. ”Vanaf morgen zal ik starten met de Wildtocht, met de verhalen van de avonturier. Maar ik verwacht dat jullie naar me luisteren, maar mijn dagelijkse aanwijzingen, maar zeker ook naar mijn verhalen. Ilia mag dan bepalen waar de tocht heen leid, maar zolang als hij duurt vallen jullie nog steeds onder mijn verantwoordelijkheid.”
Zowel Eden als Ilia knikten. “Mooi. Ik ga slapen. Tot morgen.” Hij liep zonder verder nog wat te zeggen de kamer uit, maar Ilia meende hem in zichzelf te horen mompelen: “De verhalen… Het kan gewoon niet waar zijn… O heren, laat het niet zo zijn.” Een koude rilling liep langs haar rug. Toen merkte ze dat Eden naast haar stond, zijn gezicht weer net zo uitdrukkingsloos als anders. Hij zei niks, maar knikte haar kort toe voordat hij richting de slaapvertrekken verdween.
Nu alleen, legde Ilia haar hoofd in haar handen. Haar vleugels tikten tegen het plafond en ze werd zich bewust van de diepe windstilte buiten. Plotseling werd ze overweldigd door opluchting. Ze had niet beseft hoe erg ze zelf behoefte had aan leiding, aan iemand anders die de verantwoordelijkheid op zich nam, tot zij zelf deze verantwoordelijkheid niet meer had. Huiverend zoog ze de muffe lucht haar longen in, nogmaals. Buiten begon de wind weer op te pakken. Binnen een mum van tijd stond ze buiten en liet ze zich op de koele nachtlucht wegvoeren.

Donkere wolken

“Anja, hoorde je me nou?” Anja schrok op uit haar mijmeringen en staarde haar baas aan. “Sorry, wat zei je?” Hij zuchtte, maar herhaalde zijn vraag niet nog eens. De rest van de afdeling die bij de vergadering aanwezig was, wisselde een paar steelse blikken uit. Niemand zei iets. De pijnlijke stilte bleef nog een paar minuten hangen, voordat de manager besloot door te gaan naar het volgende punt van de vergadering. Anja deed haar best de rest te volgen.
Maar het was zo moeilijk! De dagelijkse werkzaamheden, de vergaderingen, de roddels en beslommeringen in het leven van haar collega’s, wat kon het haar nog schelen?

Ze beschreef het als een wolkje. Niet aan de hemel, maar in haar hoofd. Ze stelde zich voor dat het eruit zou zien als een wolkje in een tekenfilm: Zacht, wit en wollig. Onschuldig. Een beetje ontdeugend. Want dat was het wolkje in haar hoofd ook.
In het begin was hij nog niet zo aanwezig. Af en toe belemmerde hij haar gedachtegang. Dan fluisterde hij snel iets in haar ook, zo zacht dat ze het net niet kon verstaan, en was ze de draad kwijt van wat ze aan het doen was. Op goede dagen kon ze hem wegdrukken, hem negeren of zelfs geloven dat hij er niet was. Maar haar goede dagen werden steeds minder en hoe vermoeider ze werd, hoe lastiger het was het wolkje uit haar hoofd te bannen. Tegenwoordig liet het wolkje zich niet meer tegenhouden. Zijn fluisteringen waren veranderd in luid gebazel en waar zijn woorden voorheen nauwelijks te horen waren geweest, overstemden ze nu haar eigen gedachten.

“…gaan we dus volgende week doen?” Flarden van het gesprek drongen tot Anja door. Ze knikte, ook al had ze de helft niet meegekregen. Het was het antwoord wat van haar verwacht werd, blijkbaar, want niemand keek raar op. Ze sloot haar ogen en ademde zachtjes uit. Even werd de stem haar hele wereld.
Toen ze haar ogen open deed, merkte ze dat de zaal al bijna leeg was. Een enkele treuzelaar aarzelde nog om naar de afdeling terug te lopen en probeerde nog tijd te rekken voordat het werk weer alle aandacht zou opeisen, maar de meesten hadden haar in gedachten verzonken aan de tafel laten zitten. Maar dat was ze tegenwoordig wel gewend. Aan alleen zijn. Met de wolk, altijd met dat wolkje.

Hij schreeuwde tegen haar. Woedend, minachtend, haar uitdagend en geselend met zijn woorden. Continu. Al nachtenlang lag ze wakker, stond, liep, zat ze wakker, met die walgelijke uitspraken die haar gedachten vergiftigden. Nu bonsde haar hoofd en was haar blik wazig. Het feit dat ze haar hoofd nacht na nacht op tegen de muur had gebeukt om het geluid van het wolkje te overstemmen had het er niet beter van gemaakt. En toch, koppig als dat ze was, zat ze hier weer. In dit muffe gebouw waar ze haar werk hoorde uit te voeren, maar nu alleen aanwezig was.

Oh, het lawaai. Gierend, scheurend, kakelend. Beledigend, oorverdovend, gekmakend. Ellenlange tirades die haar wilskracht ontnamen en… “WEES STIL! WEES GODVERDOMME NOU EENS STIL!”

De kakofonie stopte. Geen geluid in haar hoofd behalve haar eigen opluchting. “Anja? Gaat het?” Al haar collega’s staarden naar haar. Een aantal geschrokken, een aantal geïrriteerd, maar het grootste gedeelte alleen maar meewarig. En terwijl zij verder gingen met kun werk en hun gesprekken weer op gang kwamen, begon de wolk mee te praten. En daarna te roepen en daarna te schreeuwen.
Maar het had geholpen. Even maar, maar het had geholpen. Dus schreeuwde ze weer terug. En nog een keer en nog een keer en nog een keer.

Haar stem was schor toen ze haar kwamen halen.
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...