Ongeluk per post

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen afzender bij. “Laat me leven!” Dat was het enige wat erop stond, in hoekige, schokkerige letters. Ze herkende het handschrift niet, maar het was waarschijnlijk niet van één van haar vrienden. De afzender had de kaart geadresseerd aan Isabella Anders. Haar vrienden noemden haar Iza.
Op het eerste gezicht was het geen bijzonder kaartje. Het plaatje liet een landschap zien in zwart/wit. Het was er winter; een uitgestrekte sneeuwvlakte, in de verte een houten hutje en een kudde schapen. Geen specifieke kenmerken, de foto had bijna overal gemaakt kunnen zijn.
Toch zou ze het bewaren. Dat wist ze al. Ongeacht wie de afzender was. Laat me leven! Ze kon zich er als geen ander mee identificeren. Zoals haar leven er nu uit zag, werd ze geleefd. Door haar werk, haar ouders aan wiens verwachtingen ze nooit zou kunnen voldoen, door haar eigen schuldgevoel. Ze moest perfect zijn, zo perfect als haar zus. Ana was een aantal jaar geleden overleden. Een auto-ongeluk. Iza had achter het stuur gezeten, maar ze had het aanstormende busje niet meer kunnen ontwijken. Het was haar schuld dat Ana er niet meer was. Dat vond zij, haar ouders ook. Het minste wat ze kon doen was er voor zorgen dat haar zus voort zou leven. Nu leefde ze het perfecte leven van Ana. En ze was doodongelukkig.
Het kaartje had haar geraakt. Ze legde het weg, op de stapel post die ze later in de week zou gaan archiveren. Dan zou ze wel kijken wat een goede plek was om het te bewaren.

De foto was veranderd.

Ze dacht eerst dat ze het zich verbeelde. De figuur die achter de kudde schapen stond had ze eerst vast over het hoofd gezien. Zo’n kleine gestalte was makkelijk te missen en ze had het kaartje de eerste keer niet zo uitgebreid bestudeerd. En het was alweer bijna een week geleden. Toch was het raar. Meestal was ze zo opmerkzaam. Ze draaide de beschreven kant naar zich toe. Ze had echt niet goed opgelet, zag ze. Ze meende zich te herinneren dat haar adres er scherp en duidelijk op had gestaan, maar wat ze zag was vaag, hoewel nog goed leesbaar. Zie je wel, dacht ze, waarschijnlijk had ze gewoon een slechte dag gehad.

Toch bleef het knagen. En toen ze een dag later wakker werd, na een nacht vol nachtmerries over verschijnende en verdwijnende gestalten, was het eerste wat ze deed naar de krantenbak lopen. Het kaartje zou er hetzelfde uitzien als de dag ervoor. Ze zou zichzelf op haar kop geven voor haar onopmerkzaamheid en ze zou haar gemoedsrust weer terug hebben. Maar zo ging het niet.

De figuur was dichterbij gekomen.

Iza staarde ongelovig naar het zwart/witte prentje. Dat kon niet. Gisteren had de figuur nog achter de kudde gestaan, nu stond hij er voor. Niet dichtbij genoeg om het gezicht te zien, maar Iza meende er door de lichaamsbouw en de houding een vrouw in te herkennen. Wat gebeurde hier?? Zelfs de schapen leken zich verplaatst te hebben!
Geschrokken gooide ze het kaartje van zich af. Het belandde met de foto naar beneden op de tafel. Toen zag ze dat haar adres bijna was verdwenen. Vervaagd tot er niet meer over was dan een aantal vage roodbruine lijnen. Aarzelend streek ze er met een vinger overheen. Ze huiverde, alsof ze over oud bloed wreef. Zelfs de indruk die de pen had achtergelaten was minder geworden. Maar de tekst die de afzender haar had achtergelaten bleef onverminderd helder. Laat me leven!
Iza balde haar vuist. Kon ze dat maar! Maar dit leven maakt het schuldgevoel tenminste dragelijk. Nog eenmaal keek ze naar het plaatje, naar de gestalte –de vrouw?– in de sneeuw, en even wenste ze dat zij die vrouw kon zijn. Vrij. Toen legde ze het kaartje terug op de kranten en ging naar haar werk.

Elke dag keek ze er naar, zodra ze was opgestaan en vlak voordat ze naar bed ging. En elke dag kwam de vrouw dichterbij. De vrouw biologeerde Iza. Als ze lang naar de kaart staarde meende ze haar te kunnen zien bewegen. Maar hoe dichter ze bij kwam, hoe meer Iza er zeker van was dat haar eerste indruk niet goed was geweest. Deze vrouw was niet vrij, niet gelukkig. Het verbaasde haar dan ook niet dat ze na een aantal dagen haar eigen gezicht herkende. Niet het gezicht wat ze in de spiegel zag, maar haar ware gezicht. Getergd, verwrongen tot een afschuwelijk masker van haat en wanhoop.
Ze was begonnen de kaart mee te nemen naar haar werk. Elke vrije minuut keek ze er naar, de tergend langzame bewegingen van haar werkelijke zelf volgend. Tot ze besloot zich ziek te melden. Ze kon toch niet anders? Ze moest weten wat de Iza op de kaart zou doen als ze eenmaal de rand had bereikt. Zou ze de foto uit stappen? Tegen haar gaan praten? Al haar gedachten draaiden om de vrouw op de kaart. Dus liet ze de telefoon gaan, negeerde ze de deurbel. Ze vergat zelfs te eten. Haar vingers bleven de kaart om en om draaien, tot ze rauw en bloederig waren van de scherpe randen. De kaart bleef smetteloos.

En toen was de vrouw verdwenen. Ze was zo dichtbij geweest. Maar Iza kon niet meer. Ze was zo moe en in een onbewaakt ogenblik waren haar ogen toch dichtgevallen. Toen ze weer open had gedaan was ze weg. Het was weer een lege, vergeelde sneeuwvlakte, met een hutje en een kudde schapen in de verte. Nee! Nee, dat kon niet! Ze hijgde, haar borstkas zwoegde op en neer, haar hart leek zich een weg naar buiten te willen hameren. Het was bijna te veel voor haar verzwakte lichaam. Waar was ze?!
Op dat moment ging de bel. Zou dat haar zijn? Zou ze echt de kaart uit gekomen zijn om haar te bezoeken? Ze rende naar de deur. Haar ouders. Ze leken te schrikken van wat ze zagen. Ze waagde een blik in de spiegel naast de deur. Verward haar, zwarte kringen onder haar ogen, een uitgemergeld, in paniek verwrongen gezicht. Haar adem stokte. Dat was haar! De vrouw van het kaartje. Haar moeder kuchte. “Isabella, laat ons erin. Het is koud.” Gehoorzaam als altijd deed ze de deur verder open. Deze keer was het niet makkelijk. Alles in haar schreeuwde dat ze de deur weer dicht moest gooien. Voordat ze naar de woonkamer liep keer ze nogmaals naar de spiegel. Haar spiegelbeeld schreeuwde haar toe: Laat me leven! Alleen Iza kon het horen.
Haar moeder stond met een afkeurend gezicht om zich heen te kijken. “En wat is er met jou aan de hand? Ik hoorde dat je ziek was? Wat heb je nu weer? En haal eens even wat koffie voor mij en je vader.” Iza sjokte naar de keuken. Weer dat knagende gevoel, die woede. Maar ze zette de koffie, zoals haar verteld werd, zoals Ana dat zou doen.
“Wat een rotzooi. Ik heb haar toch beter geleerd dan dit.” Ze hoorde haar moeder vanuit de woonkamer tegen haar vader. “Waarom moet ze nou zo zijn? Waarom kan ze nou niet zo zijn als Ana? Waarom was zij niet..” De stem van haar moeder stierf weg toen ze merkte dat Iza de kamer in was gekomen. “Waarom was ik niet… wat?” Haar stem kraakte van het wekenlang niet praten. Haar moeder kromp ineen, maar sloeg haar ogen niet neer.
“Nou? Wat wilde je zeggen? Zeg het dan!!! Je laat het me keer op keer merken dat ik te min voor je ben! Wees nou eens een keer niet zo laf en zeg het in mijn gezicht. Waarom ben ik niet… WAT??” “DOOD!!” Het woord hing in de lucht, verstikte de atmosfeer in de kamer. “Je kan nooit zo worden als zij! Jij had degene moeten zijn die dood ging, niet Ana. En ik haat je daarom.”

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Haar bloederige handen lieten geen afdrukken achter op het karton. Haar ogen waren gericht op de lichamen voor zich. Ze zag het keukenmes nog uit de borst van haar moeder steken, haar vingerafdrukken rond het heft.
Laat me leven! De woorden hadden een eindeloze litanie in haar hoofd gevormd. Haar moeder haatte haar. Ze had zo haar best gedaan, het had niet geholpen. Nu had ze haar leven teruggepakt.
Ze reageerde niet toen ze van de lichamen werd weggetrokken, trok zich niks aan van de commotie om zich heen, de politieagenten die haar probeerden te ondervragen. Het kaartje glipte uit haar handen, in de plas bloed voor haar voeten. Voordat ze naar buiten werd gesleurd, zag ze bloedrode lijnen naast de boodschap verschijnen. Een adres. Ze deed geen moeite om het kaartje terug te krijgen. Laat me leven! Iemand zou het zien, zien dat het voor iemand was bedoeld en het op de post doen. Het kaartje zou zijn weg vervolgen.
-----
Ook geplaatst op www.korteverhalen.nl op 1 februari 2010

0 meningen. Geef ook je mening!:

Een reactie plaatsen

Opbouwende kritiek en tips zijn altijd welkom!