Posts tonen met het label Kort verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kort verhaal. Alle posts tonen

Een echte dame

De restjes bloed bleven onder de randen van haar keurig gemanicureerde nagels zichtbaar. Ze had haar handen al zo’n vijf keer gewassen. Pas na de derde keer had ze al de stroperige rode vloeistof uit de geplooide huid van haar knokkels gekregen, alles wat nu nog restte waren die randjes.

Niet dat het bloed zelf haar tegenstond. Dat absoluut niet. Het monster waar het van afkomstig was, had gekregen wat hem toe kwam. Maar een dame ziet er altijd onberispelijk uit. Tegenwoordig was dat een ouderwetse opvatting, maar zo was ze opgevoed en daar zou ze naar leven totdat ze door haar Schepper naar huis zou worden geroepen. Een dame had geen bloed onder haar nagels.

Vanuit haar luie stoel achter het raam had ze een prachtig uitzicht op de straat. Op haar leeftijd kwam ze niet zo vaak meer buiten –hoogstens om wat kleine boodschappen te doen, wanneer de huishoudelijke hulp iets was vergeten-, maar vanaf deze plek kon ze alles heerlijk in de gaten houden. Het getik van haar breipennen werd overstemd door de ambulance die met gillende sirenes stopte voor het huis van haar buren. Niet lang daarvoor had ze vanuit haar kleine knusse badkamertje al iemand de longen uit haar lijf horen gillen. Ze was te druk met het wassen van haar handen om te gaan kijken wat er aan de hand was, maar in gedachten had ze de vrouw een standje gegeven. Echte dames hielden altijd het hoofd koel, met wat voor situatie ze ook geconfronteerd werden. Goed, ze wist dat echte dames geen oordeel vellen over de vrouwen met het zwakkere gestel, die moeite hebben om zich correct te gedragen op moeilijke momenten. Die geef je advies, geen standje. Maar ze wist precies welk tafereel de gillende vrouw tegen was gekomen, dus ze vond dat ze in dit geval wel enigszins mocht oordelen. En een standje was hier wel op zijn plaats. Dames gillen niet vanwege een beetje bloed. Zeker niet wanneer dit afkomstig is van zo’n verderfelijk wezen. Ach, de opvoeding van tegenwoordig was toch zo anders dan vroeger.

Neem die lieve vrouw van hiernaast dan. Prachtige jongedame, heel gastvrij, het was altijd zo fijn als zij eens op de koffie kwam. Niet dat ze het eens was met de manier waarop de buurvrouw haar leven leidde. Nee zeg, absoluut niet. Wat was er toch gebeurt met de tijd dat vrouwen nog echt voor hun gezin zorgden? Een dienstbaar leven met een gelukkige man en gezonde, beschaafde kinderen, dat was het hoogst haalbare. Zij had daar zelf ook altijd naar geleefd totdat haar man zo’n 7 jaar terug plotseling overleed. Niemand had het zien aankomen. Behalve zij natuurlijk. In de jaren na zijn pensioen had hij zijn activiteiten buitenshuis steeds meer verruild voor de luie stoel voor het raam, haar favoriete plekje voordat hij zich die ging toe-eigenen. Van de strenge, maar rechtvaardige en actieve man die hij voorheen geweest was, veranderde hij steeds meer in een knorrige oude man die niks anders te doen had dan zijn zorgzame vrouw het leven zuur maken. Ze sloeg een kruisje en vroeg om vergiffenis voor haar nare gedachten. Maar, zo dacht ze daarna, zo was het nou eenmaal. Hij had het haar niet makkelijk gemaakt. Er was altijd wel een probleem. Een tafel die ze was vergeten af te stoffen, een stuk vlees wat te lang of juist te kort had gekookt, het geluid van haar breipennen die hem op zijn zenuwen werkte. Er lag altijd wel een vervelende opmerking op de loer. Zij had haar leven besteed aan het zijn van een dame, maar haar man was in zijn laatste paar jaar afgegleden tot iets wat geen heer meer was. Zelfs dienstbare dames laten niet over zich heen lopen. Dus hoewel het voor de rest van de wereld een volledige verassing was dat haar man op een dag naar zijn borst greep en al overleden was voor de ambulance ter plaatste was, had zij het al zien aan komen. Zijn eten had hem de laatste tijd al zo raar gesmaakt. Iedereen was zo lief geweest voor de recente weduwe, ze had zich gekoesterd in alle aandacht. Niemand had gemerkt dat de medicijnen die hij de afgelopen jaren steeds meer moest slikken voor zijn hartklachten bijna volledig op waren, ookal zou hij nog voor een half jaar voorraad moeten hebben.

Steeds meer mensen verzamelden zich voor het huis van de buren, zo veel dat ze haar het zicht op de straat ontnomen. Veel mensen die ze helemaal niet kenden. Ramptoeristen, snoof ze minachtend. Vreselijk dat soort mensen, die hadden hier helemaal niks te zoeken. Gelukkig vond de politie die net ter plaatse was gekomen dat ook en werd de mensenmenigte gevraagd weg te gaan. En net op dat moment kwam de buurvrouw thuis. Ze zag haar praten met de agent die de wacht hield voor de deur. Hij wilde haar niet binnenlaten. Ze begon te huilen en te schreeuwen. Zo hard dat ze het binnen kon horen. “Ik wil mijn zoon zien! Waar is mijn zoon?!” Even voelde ze een steek van medelijden, die ze daarna snel de kop in drukte. Zelf had ze ook een kind verloren, een lief jongetje van nog geen jaar oud. Haar oogappel. Op een dag had ze hem levenloos in zijn bedje gevonden, het ding waarvan iedereen beweerde dat het haar dochter was stond in een hoek van de kamer met grote ogen naar hem te staren. De officiële doodsoorzaak was wiegendood. Zij had wel beter geweten. Dat ding, dat monster in de gedaante van een achttien maanden oud meisje, dat was de oorzaak geweest. Ze wist niet hoe, of waarom, maar daar was ze heilig van overtuigd. Ze had nooit het gevoel gehad dat het kind van haar was, hoe zeer ze dat ook had geprobeerd. De weerzin die ze al voelde sinds dat ding uit haar gekomen was, was die dag omgeslagen in haat. Ze had het haar man verteld natuurlijk. Maar hij had haar gevoel afgedaan als het verhaal van een overspannen vrouw. Ze was tenslotte net haar zoontje verloren. Uiteraard vond hij dat ook vreselijk, maar het jongetjes was al vanaf zijn geboorte ziekelijk, dus het was geen enorme schok geweest. Gehoorzaam als ze was, had ze haar gevoelens weggestopt en was ze verder gegaan met haar leven. Zelfs toen het kleine meisje een paar maanden later in de achtertuin was gevonden, verstrikt en gestikt in de touwen van de schommel, hield ze haar hoofd omhoog en ging door alsof er niks gebeurt was. Een echte dame. Niemand zag haar glimlachen als ze dacht aan het monster wat er nu niet meer was. Niemand kwam aan haar gezin.

Ze was trots op wat ze gedaan had. Ze had niet alleen haar gezin verder leed bespaart, maar ook de wereld. Als het monster de kans had gekregen om verder te groeien, had het nog meer kwaad kunnen aanrichten. Daar had ze geen enkele twijfel over. Ze had het kwaad op tijd de kop in gedrukt. Omdat niemand haar had geloofd had ze het zelf moeten doen, maar in noodgevallen kon een dame wel haar eigen boontjes doppen. “Nee! Samuel, nee!” Het geschreeuw kwam nu van binnen het huis. Helaas, de buurvrouw had helaas niet de kracht gehad om te doen wat er gedaan moest worden. Ze weet het aan de losse moraal van tegenwoordig. Vrouwen hoorden niet te werken. Zo zag je maar weer dat ze daardoor de belangrijke dingen in het leven van hun gezin over het hoofd zagen. Als ze thuis was gebleven zoals een goede vrouw had betaamd dan had ze jaren geleden al gezien dat het kind een gevaar vormde. Het woord “kind” gebruikte ze hier natuurlijk losjes, het was niet te ontkennen dat dit monsterlijke wezen alleen maar het uiterlijk van een kind had aangenomen. Maar de buurvrouw was te vaak van huis om het kwaad in de ogen op te merken. Of misschien was ze te naïef. Ze was in ieder geval niet sterk genoeg om er iets aan te doen.

Lang had ze het aan moeten zien, hoe het monster jaar naar jaar verder groeide tot ze het niet langer kon aanzien. Hij had zich ontpopt tot de leider van de buurt, met zijn koude ogen hield hij alles in de gaten. Waar hij kwam sneuvelden ruiten door voetballen, werden plantjes uit tuinen ontworteld waar hij doorheen was gestampt en volwassenen die er iets van durfden te zeggen kregen een grote mond. “Ach buurvrouw, het is gewoon een normale jongen van tien. Die doen dat soort dingen nu eenmaal.” In haar tijd hadden ze dat soort dingen helemaal niet gedaan. Kinderen werden opgevoed om respect te hebben voor ouderen. Tegenwoordig was het normaal dat ze zonder de consequenties ervan te voelen de spullen van anderen konden vernielen. Maar wat hij deed ging het normale voorbij. Ze voelde het kwaad in hem elk jaar sterker worden. Een dame bemoeide zich niet met de zaken van een ander, maar ze had het niet meer aan kunnen zien en had de buurvrouw het afgelopen jaar meerdere malen gewaarschuwd dat het ding waarvan zij dacht dat het haar zoon was een demon in de onschuldige gedaante van een kind was. Eerst had ze daarom gelachen, daarna vooral geërgerd gekeken. De laatste keer was ze kwaad opgestaan en weggelopen. Ze had wel gemerkt het dat het ding veel minder in de buurt van haar huis zijn verdorven spellen speelde. Misschien was er toch een deel van haar waarschuwing op de juiste plek geland.

Maar het was te laat geweest. Twee weken terug –op de elfde verjaardag van het wezen- had ze het kwaad zich volledig zien ontpoppen. Het had de kinderen uit de buurt om zich heen verzameld, ze kon ze door de opengewerkte schutting die hun tuinen scheidde duidelijk zien, en was bezig om een lieveheersbeestje vakkundig van zijn vleugels te ontdoen. Hij lachte hardop om het kleine beestje dat van hem weg probeerde te komen. Nog even en hij zou zijn kwaad verder uitbreiden tot hij niet meer tegen te houden zou zijn. Het was tijd dat zij zelf het heft in handen nam.

En dat had ze gedaan. Het was niet zo geraffineerd als dat ze het eerste monster had weggewerkt, of de man die van een heer zo ver was afgleden dat hij haar perfecte leventje in de war gooide. Laat staan dat het zo schoon was als dat ze haar tweelingzus haar lesje had laten leren, de les dat je nooit je familie ten schande maakte door zwanger te worden van een getrouwde man. Haar ouders waren er kapot van geweest toen ze het briefje hadden gevonden waarin stond dat ze haar familie niet langer wilde kwetsen, dat ze spijt had en haar leven ging beteren. Ze hadden nog een zoektocht op touw gezet om haar terug te halen, maar ze hadden haar nooit meer terug gevonden. Alleen zij wist dat haar zus niet vrijwillig was vertrokken en nooit zou terugkeren.

Dit was niet schoon. Ook niet onopvallend. Aan de ene kant vond ze dat vervelend. Haar leven lang had ze geleefd om schoon te maken, te poetsen, op te ruimen, de perfecte huisvrouw te zijn. Het irriteerde haar dat ze nu, met waarschijnlijk de laatste goede daad die ze in dit leven zou doen, zo’n rommel moest achterlaten. Maar ze was gewoon te oud om het op een andere manier te doen. En ze zou tot het einde doen wat er gedaan moest worden. Dames haakten niet af als het moeilijk werd.

Het was makkelijk geweest om het huis binnen te komen. Ze kende de oppas al jaren en het had niet veel moeite gekost om haar even voor een boodschapje naar de winkel te laten gaan. Het ding had haar voor niks meer dan een onschuldige oude vrouw aangezien en had zich in eerste instantie makkelijk laten vangen. Maar haar reumatische handen trilden te erg om een nette rechte snee te kunnen maken en ze had niet veel kracht meer, dus het wezen had zich uit haar greep kunnen bevrijden voordat ze de kans had gekregen zijn slagader door te snijden. Toen ze hem eenmaal weer te pakken had gekregen had het bloed overal gezeten en had hij met zijn geschreeuw waarschijnlijk de halve buurt gewaarschuwd. Ze was dan ook niet verbaasd geweest dat, toen ze zich oprichtte om het resultaat van haar werk te bekijken, het jongetje wat zich zijn beste vriendje noemde door het raam naar binnen gluurde. Hij had haar nu rode rok en nette blouse in ogenschouw genomen en toen zijn geschokte blik naar het simpele keukenmes in haar hand laten gaan voordat hij er vandoor ging. Ze had het mes afgewassen en teruggestopt in het daarvoor bestemde vakje in het messenblok en daarna was ze naar huis gelopen.

Het had allemaal langer geduurd dan ze had gewild, maar ze had na de daad even moeten gaan zitten om op adem te komen. Ze vervloekte stilletjes haar oude lichaam. Al die onwaardige kwaaltjes. Ze had nog mazzel dat ze zichzelf kon douchen en haar plas kon ophouden. Ze had van haar huishoudelijke hulp gehoord dat er genoeg ouderen van haar leeftijd waren die zelfs dat niet meer konden. Dan had ze het toch echt wel getroffen. Het duurde misschien langer dan het vroeger gedaan zou hebben, maar uiteindelijk had ze zich snel genoeg kunnen wassen en omkleden om de hele commotie die zich daarna ontvouwde te kunnen zien. Ze had zelfs nog een paar pennen kunnen breien voordat het hele circus voor haar deur stond.

De buurvrouw was nog steeds aan het schreeuwen, hoewel er nu weinig samenhangends meer uitkwam. Ze hing huilend in de armen van de buurman, die intussen ook vanaf zijn werk was thuisgekomen. Ze had die man daar helemaal niet mee lastig moeten vallen, vond ze. Hij had al genoeg aan zijn hoofd als belangrijkste kostwinnaar. Maar ja, tegenwoordig had je geen echte dames meer. Haar deurbel ging. Ze had niet anders verwacht. Ze wist al jaren dat de rest van de wereld de dingen niet zo zag als zij. Dat had ze geaccepteerd. Nogmaals ging de deurbel, gevolgd door geklop op het raam. Het was tijd om de consequenties van haar daad onder ogen te zien. Het was niet wat ze wilde, maar als ze ten onder zou gaan, zou ze dat doen met hooggehouden hoofd. Ze opende de deur met een glimlach en liet de rechercheur die voor haar deur stond om haar te arresteren binnen. Ze bood hem zelfs nog koffie aan, met een plakje cake natuurlijk. Niemand zou ooit beweren dat zij geen dame was geweest.

Donkere wolken

“Anja, hoorde je me nou?” Anja schrok op uit haar mijmeringen en staarde haar baas aan. “Sorry, wat zei je?” Hij zuchtte, maar herhaalde zijn vraag niet nog eens. De rest van de afdeling die bij de vergadering aanwezig was, wisselde een paar steelse blikken uit. Niemand zei iets. De pijnlijke stilte bleef nog een paar minuten hangen, voordat de manager besloot door te gaan naar het volgende punt van de vergadering. Anja deed haar best de rest te volgen.
Maar het was zo moeilijk! De dagelijkse werkzaamheden, de vergaderingen, de roddels en beslommeringen in het leven van haar collega’s, wat kon het haar nog schelen?

Ze beschreef het als een wolkje. Niet aan de hemel, maar in haar hoofd. Ze stelde zich voor dat het eruit zou zien als een wolkje in een tekenfilm: Zacht, wit en wollig. Onschuldig. Een beetje ontdeugend. Want dat was het wolkje in haar hoofd ook.
In het begin was hij nog niet zo aanwezig. Af en toe belemmerde hij haar gedachtegang. Dan fluisterde hij snel iets in haar ook, zo zacht dat ze het net niet kon verstaan, en was ze de draad kwijt van wat ze aan het doen was. Op goede dagen kon ze hem wegdrukken, hem negeren of zelfs geloven dat hij er niet was. Maar haar goede dagen werden steeds minder en hoe vermoeider ze werd, hoe lastiger het was het wolkje uit haar hoofd te bannen. Tegenwoordig liet het wolkje zich niet meer tegenhouden. Zijn fluisteringen waren veranderd in luid gebazel en waar zijn woorden voorheen nauwelijks te horen waren geweest, overstemden ze nu haar eigen gedachten.

“…gaan we dus volgende week doen?” Flarden van het gesprek drongen tot Anja door. Ze knikte, ook al had ze de helft niet meegekregen. Het was het antwoord wat van haar verwacht werd, blijkbaar, want niemand keek raar op. Ze sloot haar ogen en ademde zachtjes uit. Even werd de stem haar hele wereld.
Toen ze haar ogen open deed, merkte ze dat de zaal al bijna leeg was. Een enkele treuzelaar aarzelde nog om naar de afdeling terug te lopen en probeerde nog tijd te rekken voordat het werk weer alle aandacht zou opeisen, maar de meesten hadden haar in gedachten verzonken aan de tafel laten zitten. Maar dat was ze tegenwoordig wel gewend. Aan alleen zijn. Met de wolk, altijd met dat wolkje.

Hij schreeuwde tegen haar. Woedend, minachtend, haar uitdagend en geselend met zijn woorden. Continu. Al nachtenlang lag ze wakker, stond, liep, zat ze wakker, met die walgelijke uitspraken die haar gedachten vergiftigden. Nu bonsde haar hoofd en was haar blik wazig. Het feit dat ze haar hoofd nacht na nacht op tegen de muur had gebeukt om het geluid van het wolkje te overstemmen had het er niet beter van gemaakt. En toch, koppig als dat ze was, zat ze hier weer. In dit muffe gebouw waar ze haar werk hoorde uit te voeren, maar nu alleen aanwezig was.

Oh, het lawaai. Gierend, scheurend, kakelend. Beledigend, oorverdovend, gekmakend. Ellenlange tirades die haar wilskracht ontnamen en… “WEES STIL! WEES GODVERDOMME NOU EENS STIL!”

De kakofonie stopte. Geen geluid in haar hoofd behalve haar eigen opluchting. “Anja? Gaat het?” Al haar collega’s staarden naar haar. Een aantal geschrokken, een aantal geïrriteerd, maar het grootste gedeelte alleen maar meewarig. En terwijl zij verder gingen met kun werk en hun gesprekken weer op gang kwamen, begon de wolk mee te praten. En daarna te roepen en daarna te schreeuwen.
Maar het had geholpen. Even maar, maar het had geholpen. Dus schreeuwde ze weer terug. En nog een keer en nog een keer en nog een keer.

Haar stem was schor toen ze haar kwamen halen.

Teruggenomen leven

Had ze me gezien? Ik hoopte het niet, maar ik kon het niet met zekerheid zeggen. De afgelopen weken was ze zich steeds nerveuzer gaan gedragen, steeds opgejaagder. Voor de zekerheid ging ik wat platter op de grond liggen en keek naar haar terwijl ze door haar post bladerde. Het glas in haar voordeur had ze nog niet verduisterd -in tegenstelling tot de rest van haar ramen- en vormde nu nog mijn enige blik in haar privé leven. Ik registreerde de schichtige bewegingen waarmee ze poststuk na poststuk inspecteerde, de manier waarop ze intussen de straat in de gaten hield. Toen besefte ze dat er geen post van mij bij zat. Ze liet de stapel vallen en leunde tegen de muur, haar hand tegen haar keel gedrukt en haar ogen gesloten.

Als een schop in mijn maag, zo voelde het toen ik haar zag tijdens de reünie. Ik herinnerde me plotseling weer mijn angst voor de middelbare school, hoe ik mezelf ’s nachts in slaap huilde voordat zij in mijn ergste nachtmerries verscheen. Ik dacht dat ik alles achter me had gelaten. Blijkbaar had ik me vergist. Ze was naar me toe gekomen en had haar excuses aangeboden. Ze zei dat het gemeen was wat ze vroeger gedaan had, dat ze niet verwachtte dat ik haar vergaf, maar dat ze gewoon “Sorry” wilde zeggen.
Gemeen. Zag ze het zo? Ik wilde haar de littekens laten zien die ze op me had achtergelaten, maar dat deed ik niet. Iedereen keek haar vol bewondering aan, vol trots zelfs. Wat haatte ik haar. Wat was ik jaloers op haar. Wat wilde ik haar wanhopig graag zijn.

Als ik nu in de spiegel keek, zag ik hetzelfde rode haar -het had lang geduurd voordat ik de juiste kleur had gevonden- , dezelfde manier van bewegen, de volle lippen en ietwat schuine ogen. Dat had me veel geld en tijd gekost, maar niemand zou argwaan koesteren. De kleine verschillen zouden niet opvallen, iemand kon niet anders dan veranderen door de vreselijke ervaring van maandenlang achtervolgd en bedreigd worden.

Het was tijd. Ik belde aan. Ze zag me door het glas, toch deed ze open. Ik wist dat ze hetzelfde voelde als ik. Spanning. Ik zag de hare in haar schouders, in de zwarte kringen onder haar ogen, voelde mijn opwinding in mijn maag. Er moest een confrontatie komen, deze situatie vergde te veel. Van ons beiden.
Ze opende haar mond, haar ogen groot toen ze besefte dat ze naar zichzelf keek. Ik gaf haar geen kans om te gillen, stak snel het mes in haar borst, dwong haar daarna zonder moeite haar -mijn- verduisterde woonkamer in. Niemand zou ons zien. Tot morgen, wanneer zij -ik- haar gordijnen zou openen en haar leven verder zou oppakken. Eindelijk zou ik het leven krijgen wat zij me ontzegd had.

-----
Ingezonden voor Short Story van Uitgeverij Nadorst op 5 februari 2010. Helaas niks gewonnen.

Afscheid

Ik snuif nog eens de muffe geur op. Het zal niet de laatste keer zijn dat ik hier ben, maar wel de laatste keer in deze hoedanigheid. Wel de laatste keer met dit pak aan. Mijn ogen dwalen de zaal rond. Het is een gymzaal zoals alle anderen, zich nauwelijks onderscheidend van de andere gymzalen waar ik in getraind heb. Ik sluit mijn ogen en sluit alle indrukken op in mijn herinneringen: het stof op de vloer, de typische geur van mijn dikke pak na een hele les zweten, de vermoeidheid van mijn spieren. Tranen springen in mijn ogen.

Al zolang ik me kan herinneren heb ik vecht- en verdedigingssporten beoefend. Als kleine zesjarige dwerg begon ik met karate, nu bijna twintig jaar geleden. Ik weet niet precies waarom. Ik had met mijn buurmeisje afgesproken dat ik op karate zou gaan als zij op judo ging. Ik geloof niet dat we heel serieus waren, maar mijn ouders overhoorden ons en zo stond ik een paar weken later in een wit pak in een gymzaal. Een verslaving was geboren.

Als kind was ik verlegen, stil, rustig. Een beetje bang voor mensen denk ik. Dat heb ik nu ook nog wel, maar in veel mindere mate. Sporten gaf me zelfvertrouwen. Eigenlijk snap ik niet precies waarom. Ik ben erg competitief. Ik wil in alles de beste zijn, alles wat ik doe moet goed zijn. Ik was niet goed in karate, en ook niet in de vechtsporten die ik daarna kort heb gedaan –kickboksen, aikido- of in de sport die ik tot op heden beoefende, pencak silat.
Ik zeg altijd: Ik heb veel ervaring, maar weinig talent. Dat klopt ook. Ik heb geen killer instinct, geen improvisatievermogen en het eerste wat ik doe als ik schrik is wegrennen van hetgeen me heeft laten schrikken. En toch. Compleet verslaafd.
Verslaafd aan het gevoel controle te hebben over mijn lichaam, de strakke bewegingen. Verslaafd aan die één tot twee uur in de week waarin alle negatieve energie verdween als sneeuw voor de zon. Zonder was ik één brok spanning, geïrriteerd en prikkelbaar. De zomervakanties waren een drama voor mijn ouders. Verslaafd aan de spierpijn en blauwe plekken die ik vol trots droeg. Een verslaving die me door de moeilijkste periodes in mijn leven heeft geloodst, door mijn geestelijke pijn te verdrijven met lichamelijke.

Als een rode draad loopt de sport door mijn jeugd. En ik heb vandaag deze rode draad doorgeknipt. Ik heb er zelf toe besloten, er waren geen nare omstandigheden of onoverkomelijke blessures die me noodzaakten ermee te stoppen. Ik wil het zelf, laat ik dat benadrukken. Ik kreeg de kick niet meer die het voor mij altijd de moeite waard maakte. Het confronteerde me juist meer met mijn onzekerheden dan dat het ze weghaalde. Ik werd me ineens bewust van het feit dat ik nooit veel beter zou worden dan dit. Het goede gevoel dat ik tegenwoordig na de les had, had ik alleen omdat ik trots op mezelf was, omdat ik ondanks al die tegenzin toch van de bank af was gekomen. De voldoening die het sporten zelf me altijd had gegeven, was er niet meer. Dus besloot ik te stoppen.
En toch doet het pijn. Het is zo lang een deel van mijn leven geweest, een deel waar ik dacht nooit zonder te kunnen. Of willen. En toch doe ik dat nu. Het voelt alsof ik mijn jeugd achter me laat. Het valt me een stuk moeilijker dan ik had verwacht.

Ik begraaf mijn neus in mijn pak voordat ik het in mijn sporttas stop. Het ruikt naar warm katoen. Dan loop ik naar de deur, stap de koude buitenlucht in. Nog één maal kijk ik achter me. Dan laat ik de deur los en laat hem dichtvallen.

-----
Inzending voor de Rotterdamse verhalenwedstrijd 2010. Ingezonden op 13 februari 2010. Niks gewonnen.

Nachtmerrie

Daar lag ik. Daar op die tafel, in die kist. Ik stond er naast, liet mijn handen over het gezicht gaan, nog een laatste kus. De mensen om me heen namen afscheid van hun zoon, hun oom, hun neef, hun beste vriend, ik nam afscheid van mijzelf. Want zonder hem zou er geen ik meer zijn. De persoon die deze zaal zou verlaten zou nooit meer dezelfde zijn als de persoon die de zaal binnen was gekomen. Een halve ik is geen ik.
Dus ik wilde niet weggaan. Dus ik stond daar tot iedereen weg was en wij de enige twee waren die hun plekje in de grote ruimte in beslag namen. Je had een mooi afscheid gehad. Je was geliefd geweest, mensen hadden vol lof over je gesproken. Nu sloot de begrafenisondernemer langzaam je kist, samen met drie anderen tilde hij je op en bracht je eerbiedig naar je laatste rustplaats. Ik wilde je niet zien verdwijnen, mijn toekomst langzaam de grond in zien zakken. Zo sterk was ik niet. Ik wist niet eens of ik sterk genoeg was om een toekomst zonder jou in te gaan, afgesneden van mijn betere helft. Maar ik zou daar blijven staan. Ik zou net zo lang bij je blijven tot het niet meer kon en dan nog zou ik je nooit verlaten.
Het vullen van het gat duurde lang, de gasten druppelden weg. Weer was ik alleen. Mijn ouders hadden nog geprobeerd om me mee te trekken, ik heb geen idee waarheen. Maar ik kon niet weg. Dus bleef ik staan. Tot ik niet meer kon staan en op mijn knieën zakte. Ik kon mezelf niet hier achterlaten. Het begon te regenen, de grond onder me werd modder, de tranen die ik zo lang had ingehouden stroomden vrijelijk en verborgen door de striemende regen over mijn wangen.

Huilend werd ik wakker. Onmiddellijk tastte ik naast me. Maar ik voelde niks, de plek naast me was leeg. Ik begon in paniek te raken. Toen voelde ik de dekens opengeslagen worden en een warm lichaam naast me kruipen. Hij was er nog. Hij leefde nog. Mijn ergste nachtmerrie was op tijd afgewend en gebleven wat het was, niets meer dan een nachtmerrie.

Ongeluk per post

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen afzender bij. “Laat me leven!” Dat was het enige wat erop stond, in hoekige, schokkerige letters. Ze herkende het handschrift niet, maar het was waarschijnlijk niet van één van haar vrienden. De afzender had de kaart geadresseerd aan Isabella Anders. Haar vrienden noemden haar Iza.
Op het eerste gezicht was het geen bijzonder kaartje. Het plaatje liet een landschap zien in zwart/wit. Het was er winter; een uitgestrekte sneeuwvlakte, in de verte een houten hutje en een kudde schapen. Geen specifieke kenmerken, de foto had bijna overal gemaakt kunnen zijn.
Toch zou ze het bewaren. Dat wist ze al. Ongeacht wie de afzender was. Laat me leven! Ze kon zich er als geen ander mee identificeren. Zoals haar leven er nu uit zag, werd ze geleefd. Door haar werk, haar ouders aan wiens verwachtingen ze nooit zou kunnen voldoen, door haar eigen schuldgevoel. Ze moest perfect zijn, zo perfect als haar zus. Ana was een aantal jaar geleden overleden. Een auto-ongeluk. Iza had achter het stuur gezeten, maar ze had het aanstormende busje niet meer kunnen ontwijken. Het was haar schuld dat Ana er niet meer was. Dat vond zij, haar ouders ook. Het minste wat ze kon doen was er voor zorgen dat haar zus voort zou leven. Nu leefde ze het perfecte leven van Ana. En ze was doodongelukkig.
Het kaartje had haar geraakt. Ze legde het weg, op de stapel post die ze later in de week zou gaan archiveren. Dan zou ze wel kijken wat een goede plek was om het te bewaren.

De foto was veranderd.

Ze dacht eerst dat ze het zich verbeelde. De figuur die achter de kudde schapen stond had ze eerst vast over het hoofd gezien. Zo’n kleine gestalte was makkelijk te missen en ze had het kaartje de eerste keer niet zo uitgebreid bestudeerd. En het was alweer bijna een week geleden. Toch was het raar. Meestal was ze zo opmerkzaam. Ze draaide de beschreven kant naar zich toe. Ze had echt niet goed opgelet, zag ze. Ze meende zich te herinneren dat haar adres er scherp en duidelijk op had gestaan, maar wat ze zag was vaag, hoewel nog goed leesbaar. Zie je wel, dacht ze, waarschijnlijk had ze gewoon een slechte dag gehad.

Toch bleef het knagen. En toen ze een dag later wakker werd, na een nacht vol nachtmerries over verschijnende en verdwijnende gestalten, was het eerste wat ze deed naar de krantenbak lopen. Het kaartje zou er hetzelfde uitzien als de dag ervoor. Ze zou zichzelf op haar kop geven voor haar onopmerkzaamheid en ze zou haar gemoedsrust weer terug hebben. Maar zo ging het niet.

De figuur was dichterbij gekomen.

Iza staarde ongelovig naar het zwart/witte prentje. Dat kon niet. Gisteren had de figuur nog achter de kudde gestaan, nu stond hij er voor. Niet dichtbij genoeg om het gezicht te zien, maar Iza meende er door de lichaamsbouw en de houding een vrouw in te herkennen. Wat gebeurde hier?? Zelfs de schapen leken zich verplaatst te hebben!
Geschrokken gooide ze het kaartje van zich af. Het belandde met de foto naar beneden op de tafel. Toen zag ze dat haar adres bijna was verdwenen. Vervaagd tot er niet meer over was dan een aantal vage roodbruine lijnen. Aarzelend streek ze er met een vinger overheen. Ze huiverde, alsof ze over oud bloed wreef. Zelfs de indruk die de pen had achtergelaten was minder geworden. Maar de tekst die de afzender haar had achtergelaten bleef onverminderd helder. Laat me leven!
Iza balde haar vuist. Kon ze dat maar! Maar dit leven maakt het schuldgevoel tenminste dragelijk. Nog eenmaal keek ze naar het plaatje, naar de gestalte –de vrouw?– in de sneeuw, en even wenste ze dat zij die vrouw kon zijn. Vrij. Toen legde ze het kaartje terug op de kranten en ging naar haar werk.

Elke dag keek ze er naar, zodra ze was opgestaan en vlak voordat ze naar bed ging. En elke dag kwam de vrouw dichterbij. De vrouw biologeerde Iza. Als ze lang naar de kaart staarde meende ze haar te kunnen zien bewegen. Maar hoe dichter ze bij kwam, hoe meer Iza er zeker van was dat haar eerste indruk niet goed was geweest. Deze vrouw was niet vrij, niet gelukkig. Het verbaasde haar dan ook niet dat ze na een aantal dagen haar eigen gezicht herkende. Niet het gezicht wat ze in de spiegel zag, maar haar ware gezicht. Getergd, verwrongen tot een afschuwelijk masker van haat en wanhoop.
Ze was begonnen de kaart mee te nemen naar haar werk. Elke vrije minuut keek ze er naar, de tergend langzame bewegingen van haar werkelijke zelf volgend. Tot ze besloot zich ziek te melden. Ze kon toch niet anders? Ze moest weten wat de Iza op de kaart zou doen als ze eenmaal de rand had bereikt. Zou ze de foto uit stappen? Tegen haar gaan praten? Al haar gedachten draaiden om de vrouw op de kaart. Dus liet ze de telefoon gaan, negeerde ze de deurbel. Ze vergat zelfs te eten. Haar vingers bleven de kaart om en om draaien, tot ze rauw en bloederig waren van de scherpe randen. De kaart bleef smetteloos.

En toen was de vrouw verdwenen. Ze was zo dichtbij geweest. Maar Iza kon niet meer. Ze was zo moe en in een onbewaakt ogenblik waren haar ogen toch dichtgevallen. Toen ze weer open had gedaan was ze weg. Het was weer een lege, vergeelde sneeuwvlakte, met een hutje en een kudde schapen in de verte. Nee! Nee, dat kon niet! Ze hijgde, haar borstkas zwoegde op en neer, haar hart leek zich een weg naar buiten te willen hameren. Het was bijna te veel voor haar verzwakte lichaam. Waar was ze?!
Op dat moment ging de bel. Zou dat haar zijn? Zou ze echt de kaart uit gekomen zijn om haar te bezoeken? Ze rende naar de deur. Haar ouders. Ze leken te schrikken van wat ze zagen. Ze waagde een blik in de spiegel naast de deur. Verward haar, zwarte kringen onder haar ogen, een uitgemergeld, in paniek verwrongen gezicht. Haar adem stokte. Dat was haar! De vrouw van het kaartje. Haar moeder kuchte. “Isabella, laat ons erin. Het is koud.” Gehoorzaam als altijd deed ze de deur verder open. Deze keer was het niet makkelijk. Alles in haar schreeuwde dat ze de deur weer dicht moest gooien. Voordat ze naar de woonkamer liep keer ze nogmaals naar de spiegel. Haar spiegelbeeld schreeuwde haar toe: Laat me leven! Alleen Iza kon het horen.
Haar moeder stond met een afkeurend gezicht om zich heen te kijken. “En wat is er met jou aan de hand? Ik hoorde dat je ziek was? Wat heb je nu weer? En haal eens even wat koffie voor mij en je vader.” Iza sjokte naar de keuken. Weer dat knagende gevoel, die woede. Maar ze zette de koffie, zoals haar verteld werd, zoals Ana dat zou doen.
“Wat een rotzooi. Ik heb haar toch beter geleerd dan dit.” Ze hoorde haar moeder vanuit de woonkamer tegen haar vader. “Waarom moet ze nou zo zijn? Waarom kan ze nou niet zo zijn als Ana? Waarom was zij niet..” De stem van haar moeder stierf weg toen ze merkte dat Iza de kamer in was gekomen. “Waarom was ik niet… wat?” Haar stem kraakte van het wekenlang niet praten. Haar moeder kromp ineen, maar sloeg haar ogen niet neer.
“Nou? Wat wilde je zeggen? Zeg het dan!!! Je laat het me keer op keer merken dat ik te min voor je ben! Wees nou eens een keer niet zo laf en zeg het in mijn gezicht. Waarom ben ik niet… WAT??” “DOOD!!” Het woord hing in de lucht, verstikte de atmosfeer in de kamer. “Je kan nooit zo worden als zij! Jij had degene moeten zijn die dood ging, niet Ana. En ik haat je daarom.”

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Haar bloederige handen lieten geen afdrukken achter op het karton. Haar ogen waren gericht op de lichamen voor zich. Ze zag het keukenmes nog uit de borst van haar moeder steken, haar vingerafdrukken rond het heft.
Laat me leven! De woorden hadden een eindeloze litanie in haar hoofd gevormd. Haar moeder haatte haar. Ze had zo haar best gedaan, het had niet geholpen. Nu had ze haar leven teruggepakt.
Ze reageerde niet toen ze van de lichamen werd weggetrokken, trok zich niks aan van de commotie om zich heen, de politieagenten die haar probeerden te ondervragen. Het kaartje glipte uit haar handen, in de plas bloed voor haar voeten. Voordat ze naar buiten werd gesleurd, zag ze bloedrode lijnen naast de boodschap verschijnen. Een adres. Ze deed geen moeite om het kaartje terug te krijgen. Laat me leven! Iemand zou het zien, zien dat het voor iemand was bedoeld en het op de post doen. Het kaartje zou zijn weg vervolgen.
-----
Ook geplaatst op www.korteverhalen.nl op 1 februari 2010

Geluk per post

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen afzender bij. “Geluk is het mooist wanneer het gedeeld wordt.” Dat was het enige wat erop stond, in mooie, sierlijke krullen. Ze herkende het handschrift niet, maar het moest van een bekende zijn. De afzender had de kaart geadresseerd aan Iza Anders, in plaats van aan Isabella. Alleen vrienden noemden haar Iza.
Op het eerste gezicht was het geen bijzonder kaartje. Het plaatje liet een landschap zien in zwart/wit. Het was er winter; een uitgestrekte sneeuwvlakte, in de verte een houten hutje en een kudde schapen. Geen specifieke kenmerken, de foto had bijna overal gemaakt kunnen zijn.
Toch zou ze het bewaren. Dat wist ze al. Ongeacht wie de afzender was. Geluk is het mooist wanneer het gedeeld wordt. Ze wist als geen ander hoe waar dat was. Het had lang geduurd voordat ze haar leven na het vertrek van Leon weer op de rails had. Maar ze had haar vertrouwen in de mensheid teruggekregen en haar geluk weer gevonden. Alleen had ze niemand om het écht mee te delen. Ze had mensen waar ze van hield. Natuurlijk, dat wel. Maar niet die ene persoon die haar leven weer compleet zou maken. Het kaartje had haar geraakt.
Ze legde het weg, op de stapel post die ze later in de week zou gaan archiveren. Dan zou ze wel kijken wat een goede plek was om het te bewaren.

De foto was veranderd.

Ze dacht eerst dat ze het zich verbeelde. De figuur die achter de kudde schapen stond had ze eerst vast over het hoofd gezien. Zo’n kleine gestalte was makkelijk te missen en ze had het kaartje de eerste keer niet zo uitgebreid bestudeerd. En het was alweer bijna een week geleden. Toch was het raar. Meestal was ze zo opmerkzaam. Ze draaide de beschreven kant naar zich toe. Ze had echt niet goed opgelet, zag ze. Ze meende zich te herinneren dat haar adres er scherp en duidelijk op had gestaan, maar wat ze zag was vaag, hoewel nog goed leesbaar. Zie je wel, dacht ze, waarschijnlijk had ze gewoon een slechte dag gehad.

Toch bleef het knagen. En toen ze een dag later wakker werd, na een nacht vol dromen over verschijnende en verdwijnende gestalten, was het eerste wat ze deed naar de krantenbak lopen. Het kaartje zou er hetzelfde uitzien als de dag ervoor. Ze zou zichzelf op haar kop geven voor haar onopmerkzaamheid en ze zou haar gemoedsrust weer terug hebben. Maar zo ging het niet.

De figuur was dichterbij gekomen.

Iza staarde ongelovig naar het zwart witte prentje. Dat kon niet. Gisteren had de figuur nog achter de kudde gestaan, nu stond hij er voor. Niet dichtbij genoeg om het gezicht te zien, maar Iza meende er door de lichaamsbouw en de houding een man in te herkennen. Wat gebeurde hier?? Zelfs de schapen leken zich verplaatst te hebben!
Geschrokken gooide ze het kaartje van zich af. Het belandde met de foto naar beneden op de tafel. Toen zag ze dat haar adres bijna was verdwenen. Vervaagd tot er niet meer over was dan een aantal vage blauwe lijnen. Aarzelend streek ze er met een vinger overheen. Zelfs de indruk die de pen had achtergelaten was minder geworden. Maar de tekst die de afzender haar had achtergelaten bleef onverminderd helder. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Onwillekeurig glimlachte Iza. Zo’n mooie boodschap. Nog eenmaal keek ze naar het plaatje, naar de gestalte –de man- in de sneeuw, toen legde ze het kaartje terug op de kranten en ging naar haar werk.

Elke dag keek ze er naar, zodra ze was opgestaan en vlak voordat ze naar bed ging. En elke dag kwam de man dichterbij. Ze had zich niet vergist, het was duidelijk een man. En toen ze na een paar dagen zijn gezicht goed kon onderscheiden, bleek het een leuke man te zijn. Donkerharig, een vriendelijk, open gezicht. Iemand die vertrouwen inboezemde.
Ze merkte dat ze ernaar uitkeek om ’s avonds thuis te komen en het kaartje te pakken. Af en toe betrapte ze zich erop dat ze de foto streelde, zich afvragend wat zijn naam zou zijn. Dan legde ze hem snel weg en dwong zichzelf om aan wat anders te denken. Maar hoe dichterbij de man kwam, hoe moeilijker haar gedachten zich lieten wegdrukken. Wat zou er gebeuren als hij niet verder kon? Zou hij door de foto stappen? Zou hij tegen haar gaan praten? Meer en meer dwaalden haar gedachten af.

Tot de ochtend dat hij verdwenen was. Het was weer een lege, vergeelde sneeuwvlakte, met een hutje en een kudde schapen in de verte. Hij was echt weg. Ze was teleurgesteld, verdrietig zelfs. Ze wist niet wat ze nou echt verwacht had, maar ze had op zijn minst verwacht dat er iets zou gebeuren. Niet dat ze op een dag wakker zou worden en de foto weer leeg en onbeschreven was, op de boodschap na. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Ze zuchtte, maakte zich klaar voor haar werk. Na een moment aarzeling stopte ze de kaart in haar tas, misschien zou er in de loop van de dag nog wat veranderen.
Maar de kaart was nog steeds leeg toen ze ging lunchen. En hij was nog steeds leeg toen ze haar spullen pakte om naar huis te gaan. Kwaad gooide ze haar spullen in haar auto. Kwaad op het kaartje, omdat het haar zo in spanning had gehouden. Kwaad op zichzelf, omdat ze zo teleurgesteld was dat er niks was gebeurd. Waarschijnlijk had ze zichzelf gewoon die paar weken lang voor de gek gehouden. Er had nooit een man op gestaan en ze was gek aan het worden. Dat kon niet anders.
Ze was zo in gedachten verzonken dat ze de auto niet zag die van links kwam. De remmen van de andere auto gilden het uit. De hare klonken een paar seconden later. Er volgde geen klap. Verbijsterd staarde Iza naar de bumper van de andere auto, op nog geen centimeter van haar deur. “Is alles goed?! Ik had je niet gezien!" Een geschrokken mannenstem klonk naast haar raam, armen reikten naar de deurklink. Langzaam kwam Iza tot haar positieven en ze hoorde hoe de man vloekte toen hij doorkreeg dat zijn auto de deur blokkeerde. Ze zag hoe de auto naar achteren reed en bevrijdde zichzelf uit haar auto. Nog geen krasje.
“He. Is alles goed?” Een gebruinde hand sloot zich om haar arm. Haar blik ving een paar blauwe ogen. Haar hart stopte even.
Het was hem. De man van de kaart. In levende lijve. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Dus knikte ze. Ja, alles was goed. Een opgeluchte zucht klonk naast haar. Ze schraapte haar keel. “Sorry. Ik had je niet gezien. Ik was… afgeleid.” Door hem. Maar dat wist hij niet. Ze stond hem nog steeds aan te staren. Hij staarde terug, verbaasd, nadenkend. “Ken ik je niet ergens van? Je komt me zo bekend voor.”

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen adres op, het was leeg, op de boodschap na.
“Iza, kom je? Anders komen we te laat.” Martin sloeg zijn arm om haar schouders, drukte haar tegen zich aan. Zijn donkere haren kriebelden haar wang. Voorzichtig haalde hij het kaartje tussen haar vingers vandaan. “Zit je weer met dat kaartje? Wat heb je daar mee?” Ze keek hem aan, bang dat hij haar voor gek zette, zoals Leon dat altijd had gedaan. Maar het enige wat ze in zijn blauwe ogen las was oprechte nieuwsgierigheid. Een glimlach verscheen rond haar lippen. “Niks. Niks meer, in ieder geval. Ik vertel het je nog wel een keer.” Ze drukte een kus op zijn lippen, maakte zich los uit zijn omhelzing. “Ga maar vast. Ik kom er zo aan.”

Nog een paar minuten staarde ze naar de kaart. Ze haalde een keer diep adem, maakte toen haar beslissing. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Met vaste hand schreef ze een naam en adres op het nu lege gedeelte van de kaart. Ze had haar geluk gevonden. Het was tijd dat het kaartje zijn werk zou voortzetten. Bij iemand anders.
-----
Ook geplaatst op www.ikvertel.nl op 15 januari 2010 & op www.korteverhalen.nl op 16 februari 2010.

Verbonden in bloed

De klap komt hard aan. Niet lichamelijk, het was met de platte hand en hij had lang niet al zijn kracht erin gelegd. De klap was nauwelijks vergelijkbaar met de vuistslagen die ik de afgelopen paar jaar te voortduren had gehad. Licht als een veertje bijna. Alsof hij een vlieg wegwuifde. Dát deed zo’n pijn. De vanzelfsprekendheid waarmee hij me sloeg. Hij hoefde al lang niet meer in woede uit te barsten om me op mijn plaats te zetten. Hij hoefde zich niet meer uit te putten in excuses. Ik zou toch niks terug doen, ik zou toch niet weglopen, mijn wereld bestond toch alleen maar uit hem. Dat dacht hij. En het ergste was dat hij gelijk had.
Mijn neus begint te bloeden. Heel lichtjes, maar als hij het zou zien zouden er meer klappen volgen. Snel veeg ik de paar druppels weg. Ze vormen een veeg op de rug van mijn hand. In een vlaag van verstandsverbijstering haal ik mijn tong over mijn hand. Het smaak zout, het maak me misselijk en geeft me een onverklaarbaar gevoel van macht. Mijn bloed. Dit zou niet van hem zijn, dit was van mij. Ik moest bezig zijn met mijn verstand verliezen.
Plotseling staat ze daar. Mijn moeder. Naast de bank, waar Adam zit. Ik kan niet anders dan staren. Ze is al jaren dood. Gedood door haar man, mijn zogenaamde vader. Niet officieel natuurlijk, dan was het moord geweest. Haar lichaam kon het jarenlange misbruik gewoon niet meer aan en ze stierf van wanhoop. Dat weet ik, want zo zou ik ook sterven. Maar nu staat ze daar. Ze kijkt niet eens naar mij. Ze kijkt naar Adam. Haat ligt in haar blik. Ook dat herken ik. Hoe vaak heb ik niet naar hem gekeken met dezelfde blik in mijn ogen als hij het niet zag? Diezelfde moordlust? Ik weet het niet eens. Ik heb er nooit naar gehandeld. Dat zou ik ook nooit doen. Ik hou van hem. Ik ben zwak. Zoals mijn moeder voor mij. Zoals de dochter die ik in me draag na mij zou zijn. Zwakke vrouwen baren zwakke vrouwen. Mijn vader zei dat altijd tegen mijn moeder. Ze baarde hem niet de zoon die hij wilde, alleen zwakke meisjes die nog stierven voordat ze geboren waren. En mij.
“Wat sta je te staren? Sta je weer te dromen?” Adams stem rukt me naar het heden. Hij is niet kwaad, nog niet, geïrriteerd alleen maar. Snel sla ik mijn ogen neer, mompel een excuus. Hij negeert me. Ik proef nog mijn bloed op mijn tong. Ik gluur nog even naar de schim naast de bank. Ze verdwijnt langzaam. Als ze weg is, is ook de smaak van bloed uit mijn mond verdwenen.

“Sorry! Het spijt me! Je hebt gelijk. Ik zal het beter doen. Echt!” Ik sta in de hoek van de keuken. Zijn bord eten staat nog op tafel, het aangebrande stukje kip lijkt me uit te lachen. Ik probeer zijn klappen op de vangen op mijn schouder en mijn heup. Mijn armen liggen beschermend over mijn buik. Ze proberen het groeiende leven zo veel mogelijk tegen dit geweld te beschermen, maar het is moeilijk. Het liefst had ik hem mijn rug toegekeerd, mijn buik beschermd door de twee muren, maar dat zou zijn woede alleen maar aanwakkeren. Je keert je man niet je rug toe. Nooit. De laatste tijd is het erger. Zijn woede frequenter, zijn klappen harder. Mijn ribben krijgen geen tijd meer om te helen. Elke ademhaling doen pijn.
Mijn vreugde over mijn zwangerschap werd niet gedeeld. Weer een mond om te voeden en we hebben het al zo krap. Hoe kon ik zo stom zijn? Daar had ik niet over nagedacht. Ik hoopte dat het met een kind, ons kind, beter zou worden. Dat op zijn minst mijn eenzaamheid zou worden verlicht. Ik had niet nagedacht. Hij heeft gelijk. Ik ben egoïstisch. Hij wilde dat ik het wel liet halen, maar het was te laat. Hij gelooft dat ik het al langer wist, dat ik expres zo lang gewacht had. Ik had het moeten weten, hij had het onmogelijk kunnen zien aan dat vette lijf van mij. Ook hierin heeft hij gelijk. Ik wil mijn dochter niet verliezen. Onbewust moet ik geweten hebben dat dat zou gebeuren als ik het hem vertelde. Hij dreigde weg te gaan, maar ik heb hem gesmeekt bij te blijven. Hij is mijn alles, het enige wat ik heb. Zelfs deze klappen zijn voor mijn eigen bestwil. Ik haat het, en ik haat hem erom, maar hij heeft gelijk. Ik had nooit zijn eten moeten laten aanbranden. Waarom krijg ik het nooit goed?
Mijn schouder brand van pijn. Ik verdraai wat, in de hoop de pijn te verminderen, in de hoop dat het snel ophoudt. Maar zijn vuist schiet uit en raakt vol mijn kaak. Bloed vult mijn mond, ik heb op mijn tong gebeten.
Ze is duidelijker dan laatst, lijkt nu bijna een vaste vorm te hebben. Ze schreeuwt tegen Adam. Ik hoor haar niet, haar gillen zijn geluidloos. Ze gebaart dat hij op moet houden. Ze is in dood dapperder dan ze bij leven is geweest. Maar het heeft geen zin. Hij ziet haar niet. Dan geeft ze hem een duw. En hij struikelt. Hij struikelt! Ze heeft hem geduwd en hij struikelde. Verward kijkt hij om zich heen.
Hij is afgeleid nu. Hij drentelt terug naar de tafel, kijkt vol walging naar het vlees op zijn bord. Als laatste gebaar smijt hij het bord naar mijn hoofd. Ik kan het ternauwernood ontwijken. Mijn moeder duwt hem weer. Zie ik angst in zijn ogen voordat hij wegstampt?

Mijn bloed roept haar op. Ik heb het getest. Zodra mijn bloed mijn tong raakt is ze weer bij me. Stiekem maak ik ’s nachts dunne sneden in mijn armen en lik het bloed op. Adam merkt dat toch niet. Tegenwoordig is mijn lijf nog wanstaltiger dan anders, mijn buik is enorm gegroeid, hij raakt me met geen vinger meer aan. Het gevoel van mijn moeders armen om me heen geeft me de kracht om de dag door te komen. Ze beschermt me tijdens Adams ergste woedeuitbarstingen. En mijn dochter. Nog twee maanden, dan kan ik haar in mijn armen houden. Dan kan hij haar zien. Dan zal hij wel overstag gaan.
Met moeite waggel ik de trap af. Als ik in de woonkamer kom zie ik Adam zitten. Dat kan niet. Het is midden op de dag, hij hoort aan het werk te zijn. De bekende spanning neemt weer bezit van me. De spanning die er alleen maar is wanneer hij thuis is. Pas dan zie ik zijn houding. Ineengedoken, zijn hoofd in zijn handen. Wanhopig bijna. In een vlaag van helderheid besef ik wat er gebeurd is. Ontslagen. Het zat er al weken aan te komen.
Hij merkt niet dat ik er ben. Even lijkt hij weer op de man die ik leerde kennen. Liefde bloeit in me op. Dit is de man waar ik voor gekozen heb. Zonder nadenken loop ik op hem af en leg mijn hand in zijn nek.

Ik wilde hem alleen maar troosten. Verder niet. Waarom ziet hij dat niet? Ik kan nauwelijks helder denken. Eerst probeerde ik nog te voorkomen dat het bloed uit mijn neus het tapijt zou bevuilen, nu kan ik nauwelijks nog bewegen. Zijn voet belandt in mijn buik. Expres? De pijn is erger dan ooit. Het voelt alsof ik uiteen wordt gescheurd, het bloed stroomt in een golf langs mijn benen. In de verte hoor ik Adam vloeken. Ik kan alleen maar naar het bloed staren. Ik weet het al. Het leven in me is niet meer. Hij heeft mijn dochter vermoord.
Ik kijk naar het bloed. Het vormt een plas om me heen, het zit op mijn benen, plakt aan mijn handen. Mama, ik heb je nodig. Ik lik mijn handen schoon, lik het bloed van de vloer. Mama, waar ben je? Adam vloekt nogmaals, vol walging. Hij schopt me uit de weg van het bloed. Maar het is al te laat. Mijn moeder is er al. Het was genoeg.
Ook hij ziet haar nu. Doodsangst. Zo heb ik hem nog nooit gezien. Mijn moeders handen liggen om zijn keel, haar spookhanden laten geen afdrukken achter. Ik voel geen verlies. Hij gaat naar een betere plaats, dat weet ik. Deze wereld was nog niet klaar voor hem.
Ze hurkt naast me. Ik voel haar liefde, haar trots dat ze me eindelijk heeft kunnen beschermen. “Neem me mee mama. Ik heb niks meer.” Het is maar een fluistering, meer kan ik niet opbrengen. Maar ze begrijpt me. Haar handen strijken langs mijn gezicht, leggen zich om mijn keel. De druk voelt zijdezacht, de naderende duisternis als een verlossing. Ik ga naar mijn moeder, naar mijn dochter. Dit is onze kans om gelukkig te zijn. Samen.
-----
Ook geplaatst op http://www.korteverhalen.nl/ op 9 januari 2010

Voor eeuwig een middeleeuwer

In het kleine achterbuurtstraatje werd luidruchtig een potje basketbal gespeeld. Carla Genker probeerde een schot op de basket. Ze miste. Plotseling greep een lang slank meisje de bal. Ze droeg niet zoals de meeste meisjes een strak truitje en een rok, maar een jongensachtig t-shirt, een spijkerbroek en een rode pet waar haar donkerblonde haar onderuit golfde. Carla herkende haar meteen. “Samantha, je bent terug.” Lachend draaide Samantha van Berken zich om. “Natuurlijk, wat moet je zonder mij beginnen?” De twee hartsvriendinnen vielen elkaar om de hals. Het was een jaar geleden dat ze elkaar gezien hadden. Samantha werd door haar moeder het huis uitgestuurd, omdat ze tijdens een flinke vechtpartij de neus van een jongen had gebroken. Haar moeder vond dit te veel, het was al de derde keer. Ze kon naar haar tante.
Carla’s vriend Thomas en zijn broer Simon seinden “Time-out”. Lang stonden ze voor Samantha gewoon te kijken. De andere kinderen waren stil. Eindelijk zei Simon: “Welkom thuis, zusje.” Hij sloeg een arm om de schouders van zijn jongere zus. Alles was vergeten en vergeven.

In zijn werkplaats bevestigde Prof. Herman von Dragner de laatste draadjes aan elkaar. Zijn tijdmachine was klaar, na drie lange jaren werken. Er was alleen nog één probleem: wie moest hem uitproberen? Hij piekerde en dacht, peinsde en zocht, tot hij het antwoord vond.
Het moest iemand zijn waar niemand wat om gaf, een weeskind of een kind uit de sloppenwijken. Dus ging hij naar de achterbuurten van de grote stad. Meteen vond hij wat hij zocht, een viertal tieners stond tegenover een paar grote jongens van rond de achttien. Ze scholden dat het een lieve lust was. De jongste van de vier, een meisje met een rode pet en een jongens t-shirt rende weg en kwam even later terug met een levensgrote buldog. De hond gromde tegen de jongens, die er meteen vandoor gingen. Lachend keken de kinderen ze na. “Goed gedacht. Maar ik zal deze hond maar snel weer terugbrengen Samantha, want zijn eigenaar komt er al aan.” Samantha keek om. Een man met een boos gezicht stormde op haar af. “Bedankt voor de tip, Simon.” Snel liet ze de hond los en rende met haar vrienden mee een andere steeg in. De man foeterde nog na. “Stomme achterbuurters. Voor mij part vliegen ze terug naar de Middeleeuwen, dan heb ik er tenminste geen last van.” Prof. Von Dragner grinnikte, dat was hij nou net van plan.

Een paar dagen later liet de professor een grote machine op een plein zetten in de buurt van de woonplaats van Carla en Samantha. Hij had ze twee dagen lang van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in de gaten gehouden en wist precies waar ze kwamen om te basketballen of te voetballen. Hij dacht dat ze vandaag op dit plein zouden komen en als ze de tijdmachine zouden zien zouden ze vast wel een kijkje in het indrukwekkende glazen hok nemen. En dan… kon de reis beginnen.

Hij had gelijk, niet lang daarna renden ze gevieren over het plein. Ze stopten meteen toen ze de reusachtige machine zagen. “Kom, we gaan kijken.” Simon was ongelooflijk nieuwsgierig. Samantha was even nieuwsgierig, maar evengoed ook heel verbaasd. “Wat is dat? Zullen we een kijkje in dat glazen hokje nemen?” Thomas krabde in zijn blonde haar, hoe moest hij nou weten wat dat voor iets was. “Geen idee wat dat is.” Zei hij daarom maar, “het lijkt wel een uitvergrote telefooncel. Zullen we naar binnen gaan?” Carla zuchtte: “Jongens, jullie vallen in herhaling.” Toen wat zachter: “Ga alsjeblieft niet naar binnen, ik vertrouw het niet helemaal.” Als antwoord werd ze hartelijk uitgelachen. Samantha trok haar mee het hok in, de jongens volgden.
Prof. Von Dragner zag alles opgelucht aan. Alles ging volgens plan. Toen hij zag dat ze allemaal in de tijdmachine zaten, schoot hij uit zijn schuilplaats vandaan en klapte de zware ijzeren deur dicht. Gelijk keek iedereen naar achteren. Samantha bonsde woedend op het kogelvrije glas, Carla raakte helemaal in paniek en werd door Simon en Thomas gekalmeerd. “Laat ons eruit!” riep Simon, maar de professor hoorde niets. Hij was te druk bezig de datum in te stellen. Toen hij klaar was zei hij: “Koppen dicht en luisteren.” Alsof er een toverwoord was gezegd werd het stil. Carla hield op met huilen. Samantha stopte met schelden. Thomas ging vol afwachting staan. “Ik ben professor Herman von Dragner en dit is mijn nieuwe uitvinding. Het is een tijdmachine. Jullie zijn mijn proefkonijnen. Ik stuur jullie naar de Middeleeuwen, naar 1634. Om zeven uur haal ik jullie weer terug.”
Toen hij was uitgesproken zakte Samantha verbaasd naast Carla neer. Simon wou wat zeggen maar de professor had ze al weg geflitst. Ik hoop maar dat mijn experiment lukt anders kunnen er nog rare dingen gaan gebeuren.

Een paar seconden later vielen de vier vrienden op de grond. Zodra ze opstonden, zagen ze al dat dit een middeleeuws dorp was. Langs een breed zandpad stonden kleine met hout of leem gebouwde huisjes, allen met een rieten dak. Dat was het enige wat ze konden zien want ze werden door allerlei dorpelingen omringd. Thomas, de oudje, krabbelde omhoog en vroeg aan een oudere vrouw: “Mevrouw waar zijn we?” In plaats van antwoord te geven, deed ze een stap achteruit en gilde angstig: “Help, ze komen me halen, red me van deze duivels!” Samantha keek Carla aan en proestte het uit. We worden aangezien voor duivels, of in ieder geval voor heksen of tovenaars, dacht ze vermaakt, maar schrok toen iedereen boos naar hen toeliep. Bang keek Simon van de een naar de ander. Ze waren allemaal bang om door deze dorpelingen te worden gedood. Toen riep dezelfde oude vrouw iets, waardoor iedereen vol verwachting naar haar keek. “Zijn jullie gek geworden?! Dit zijn heksen, tovenaars, duivels, kijk uit, ze kunnen je zo betoveren.” Is ze de spot met ons aan het drijven? Dacht Carla. Maar nee, meteen gingen de mensen bij hun vandaan. Het viertal aarzelde geen moment om weg te komen. Ze renden recht het rietveld in en bleven net zo lang doorrennen tot de op een open plek aankwamen aan een groot meer. Daar lieten ze zich vermoeid in het lange gras vallen. “Broers, volgens mij ben ik nog nooit zo bang geweest.” Beaamde Samantha. Carla gaf haar meteen gelijk. “Nee zeker niet. Het is maar goed dat ze bang voor ons waren, al was ik volgens mij nog banger. “ Simon snoof. “Aanstellers.” Mompelde hij, maar hij zag nog bleek van schrik.

In het steegje zat prof. Von Dragner wanhopig naast zijn tijdmachine. Zijn kapotte tijdmachine. De last in het glazen hok was te groot geweest, de machine was half gesmolten en daardoor onherstelbaar beschadigd. De kinderen zouden nooit meer terug naar huis kunnen en hij zou opnieuw drie jaar aan zijn tijdmachine moeten werken. Dat laatste vond hij zelf nog het ergste, wat konden hem die kinderen nou schelen? Hij kende ze nauwelijks.

Toen ze een paar minuten aan het water hadden gezeten, zei Carla: “Weet je, als ik eerlijk ben –en dat ben ik- zou ik het helemaal niet erg vinden als ik hier de rest van mijn leven zou moeten blijven.” Ongelovig werd ze aangestaard. “Kijk nou niet zo verbaasd! Hebben jullie nog niet opgemerkt dat het hier zo ongerept is, zo rustig, zo… zo… Nou ja, heel anders dan in die rokerige stad.” Samantha keek naar Thomas en tikte met haar vingers tegen haar voorhoofd. Die is gek, leek ze te denken. Maar Thomas keek bedenkelijk. “Ik ben het eigenlijk wel met Carla eens,” zei hij langzaam. “Ze…” Zijn zin werd afgebroken door een afgrijselijk gegil.
Simon rende al op het geluid af. Hij wenkte en snel kwamen de anderen dichterbij. In een grote plas drijfzand, lag een kleine jongen te spartelen en te gillen. Het zachte zand zoog hem steeds verder naar beneden.
“Niet bewegen, anders zak je alleen maar sneller naar beneden!” riep Samantha hem toe. Ze wist niet of hij haar begreep, in ieder geval werd hij een stuk rustiger. Ondertussen had Simon een dikke tak te pakken gekregen en schoof hem naar het jongetje. De tak was te kort. Boos vloekte Thomas. "“Shit, te kort. Ik zoek wel een langere.” En gelijk stoof hij weg. Samantha vond het te lang duren en reikte het kind haar hand. Ze leunde steeds verder naar voren. Toen hij eindelijk haar hand te pakken had gekregen, trok ze hem aan de kant. Juichend en met wild zwaaiende armen nam Carla het kind over, tegelijkertijd sloeg ze Samantha, die luid gillend in het koude drijfzand viel. Snel wist Carla haar weer op de kant te helpen. Simon zat huilend van het lachen naast de kant het eveneens lachende jongetje te drogen. Thomas kwam aanlopen en zei droog: “Oh nee he, heeft Samantha weer eens geprobeerd iemand te redden?” Nu lag echt iedereen dubbel van het lachen. “Kom, we gaan terug naar het dorp, die professor zou ons toch weer terug halen.” Zei Simon.
Met bibberende knieeen kwamen ze het dorp binnen, maar er was geen mens te zien, dus snel gingen ze op dezelfde plek staan als waar ze terecht waren gekomen. Ze wachtten een kwartier, half uur, er gebeurde niks. Moedeloos liepen ze terug naar het water. “Volgens mij is die stomme machine kapot.” Dacht iemand. Een andere dacht: “Nee, die professor is ons gewoon vergeten terug te halen.” Dat was Carla, altijd optimistisch.
Het kleine jongetje was nu niet meer alleen, zagen ze. Een jonge vrouw stond bij hem. Het kind wees naar hen. Met een vrolijke glimlach kwam de vrouw op de vrienden af. “Dank u wel, vreemdelingen. Ik ben u zeer dankbaar dat u mijn zoontje heeft gered. Als ik iets voor u terug kan doen, zeg het mij dan.” Ze had een vreemd accent, er klonken Duitse woorden doorheen.
Carla, Simon en Samantha begrepen er niks van, maar Thomas die even op school had gezeten, verstond het wel. “We zijn op doorreis, hebben een lange reis achter de rug en kunnen niet meer terug naar huis, dus als we een paar dagen bij u mogen logeren zouden we dat zeer op prijs stellen.” Ze vrouw knikte. “Och, arme kinderen. Niet meer terug naar huis. Als jullie willen kunnen jullie in een leeg huisje bij ons in het dorp komen wonen.” Thomas vertaalde het voor zijn broer, zus en vriendin. Dolgelukkig vielen ze elkaar om de hals. Ze waren dan wel voor eeuwig een middeleeuwer, maar ze hadden weer een thuis.


-----
Dit is er eentje uit de hele oude doos. Naast jeugdsentiment ook mijn eerst gepubliceerde verhaal, dus toch best wel trots op. Geplaatst in de verhalenbundel Kinderboekenweek SGL 1997 met als thema de Tijdmachine.

Een mooie dag

Ik sluit mijn ogen. De wind streelt mijn gezicht en mijn haren wapperen achter me aan. Dan beweeg ik naar achteren. De donkere strengen vliegen terug mijn gezicht in, zorgen ervoor dat ik niks zie als ik mijn ogen weer open doen. En weer naar voren. Steeds hoger en hoger. Ik lach hardop, het is zo lang geleden dat ik heb geschommeld, lijkt het. Waarschijnlijk was het nog vorige week op het schoolplein, maar in mijn zes-jarige geest lijkt dat al een eeuwigheid geleden.
Ik voel de handen van mijn broer die me duwen, steeds harder, tot hij in mijn oor lacht: "Ik kan niet meer Lianne!" Toch blijft hij doorduwen. De geur van pasgemaaid gras vult de lucht, ondanks de late zomerzon krijg ik kippenvel op mijn benen. "Nu! Springen!" Ik blijf zitten. Ik durf niet. Straks val ik, of kom ik verkeerd terecht. Het moment gaat voorbij en ik zwiep weer naar achter. Marco blijft duwen. “Kom op Lianne, je kan het wel!” Hij gelooft in mij. Ik vertrouw op hem. Dus op het hoogste punt schuif ik van het zitje af. Even lijk ik te zweven.
Ik rol over de grond, bijna de bosjes in. Geen schoonheidsprijs voor deze landing. Marco komt naar me toelopen. "En?" vraag ik. "Ik was verder he?" Ik zie het al aan zijn gezicht. Ik steek mijn tong uit. "Ik sprong lekker verder! Zie je wel!" En nog terwijl ik overeind krabbel, duikt hij op me en begint me te kietelen. Ik gier het uit van het lachen. Hijgend en giechelend laat hij zich naast me vallen, zonder zich te bekommeren om de groene vlekken die hij daardoor in zijn nieuwe shirt krijgt. Mama zal boos op hem worden, hij is al tien, hij mag zijn kleren niet meer vies maken. Het lijkt hem niet uit te maken, want hij blijft gewoon liggen.
We liggen daar nog lang, in het gras. Pas als het donker wordt en mama roept ons naar binnen, staan we met tegenzin op. Hand in hand lopen we naar huis. Mijn broer, mijn beste vriend.

Een dun straaltje zon prikt in mijn linkeroog. Daardoor besef ik dat ik net gedroomd heb. Dat kon ook niet anders, mijn broer is er al jaren niet meer. Ik rek me uit, probeer dat heerlijke gevoel van kind zijn -van bij mijn broer zijn- nog even vast te houden. Uiteindelijk kan ik het niet langer uitstellen en glij ik tussen de lakens vandaan. Als ik de gordijnen open, blijkt de straat te baden in het zonlicht. De rode en gele bladeren die de stoep bedekken lijken te gloeien. Ik voel de warmte door het glas. Dan valt mijn oog op het grasveldje tegenover mijn huis...
Twee kinderen zijn bij de schommel. Het meisje zit erop. Ze zal een jaar of zes zijn denk ik. Haar donkeren haren wapperen achter haar aan, terwijl de jongen haar uit alle macht duwt. Hun gegil van plezier vult de hele straat. Ik kan een glimlach niet tegenhouden. Het wordt een mooie dag vandaag.

-----
Geplaatst op www.ikvertel.nl op 5 november 2009. Half februari 2010 de 4e plaats behaald bij de ikvertel.nl Schrijversprijs van kwartaal 4! Gewonnen: Een oorkonde :)

Eeuwig op de vlucht

De geur maakte haar misselijk. Zwaar en ijzerig hing hij in het vertrek en maakte de sfeer nog meer morbide. En dat zei wel iets, vond ze, kijkend naar het kapotgeslagen lijk dat voor haar lag. Het was onherkenbaar en toch herkende ze het uit duizenden. Elke haar, elk deel van zijn lichaam, zelfs zijn handen die nu gebroken waren en geen enkele gelijkenis meer toonden met de sterke vuisten uit haar herinnering. Zelfs met haar ogen dicht zag ze hem.

John, hou op!

Geschrokken vlogen haar ogen open, ze besefte dat ze haar armen al in afweer had opgegeven. De kamer was leeg. Geen bloed, geen lijk. Het simpele behang op de muren was nog steeds gebroken wit, de vloer nog steeds hetzelfde blauwe linoleum. Er werd door het kleine raampje naar binnen gegluurd om te kijken of ze zichzelf niks had aangedaan. Ze had dus weer geschreeuwd. Ze had zichzelf zo vaak voorgehouden dat ze dat niet moest doen. Als ze niet schreeuwde, zouden ze haar misschien laten gaan. Misschien zouden ze dan geloven dat het niet zij was die gek was. Zij was de enige die echt kon zien. De rest van de wereld was blind. Waarom zouden ze haar anders opsluiten in dit deprimerende gat, waar ze nooit van hem kon vluchten?

Ze heeft waanbeelden. Ze gelooft dat hij nog steeds achter haar aan zit.
Jezus, ze is echt compleet doorgedraaid.


De woorden echoën nog na in haar hoofd. Haar beste vriendinnen, zelfs zij. Ze wisten toch hoe bang ze voor hem was. En toch hadden ze haar niet geholpen. Nee, in plaats daarvan hadden ze haar hier opgesloten.

Elle, wat is er?!
Laat hem me met rust laten! Hij wil me vermoorden!
Lieverd, doe eens rustig. Waarom zou hij je willen vermoorden? Je zei vorige week nog dat hij je had verlaten. Is hij teruggekomen?
Hij had me verlaten, ik had er voor gezorgd dat hij me had verlaten. Hij kon me niks meer doen. Toch?? Ik heb zo hard geslagen als ik kon, echt. Al dat bloed… Waarom laat hij me niet met RUST!!??? ZIE JE HEM DAN NIET??? Hij zou niet… al dat bloed… al dat bloed…


Ze hadden het niet begrepen. Hij was niet dood. Ze had ze vertrouwd, haar vriendinnen. Ze had ze meegenomen naar het verlaten industrieterrein waar hij haar leven had willen beëindigen. Ze had niet anders gekund dan terugvechten. Maar hij had gewonnen. Waarom zagen ze dat niet?? Die lege huls, dat gebroken omhulsels wat daar nog lag… dat was hem niet. Hij was hier! Waarom zagen ze dat niet?

Trut! Ik vermoord je! Je zal nooit van me af zijn!

Hij stond achter haar, handen opgeheven om haar manieren te leren, de gebroken vingers hingen naar beneden. Zijn bloederige grijns liet de stompjes van zijn tanden zien waar ze hem met die baksteen had geslagen.

Er kwam niks. Behalve na een paar minuten het gezicht achter het raampje. Ze had toch weer gegild. De muren van haar kleine kamertje in de kliniek waren nog steeds gebroken wit, de vloeren nog steeds hetzelfde blauwe linoleum. Alleen zij zag het bloed.