Posts tonen met het label (wedstrijd)inzending. Alle posts tonen
Posts tonen met het label (wedstrijd)inzending. Alle posts tonen

Teruggenomen leven

Had ze me gezien? Ik hoopte het niet, maar ik kon het niet met zekerheid zeggen. De afgelopen weken was ze zich steeds nerveuzer gaan gedragen, steeds opgejaagder. Voor de zekerheid ging ik wat platter op de grond liggen en keek naar haar terwijl ze door haar post bladerde. Het glas in haar voordeur had ze nog niet verduisterd -in tegenstelling tot de rest van haar ramen- en vormde nu nog mijn enige blik in haar privé leven. Ik registreerde de schichtige bewegingen waarmee ze poststuk na poststuk inspecteerde, de manier waarop ze intussen de straat in de gaten hield. Toen besefte ze dat er geen post van mij bij zat. Ze liet de stapel vallen en leunde tegen de muur, haar hand tegen haar keel gedrukt en haar ogen gesloten.

Als een schop in mijn maag, zo voelde het toen ik haar zag tijdens de reünie. Ik herinnerde me plotseling weer mijn angst voor de middelbare school, hoe ik mezelf ’s nachts in slaap huilde voordat zij in mijn ergste nachtmerries verscheen. Ik dacht dat ik alles achter me had gelaten. Blijkbaar had ik me vergist. Ze was naar me toe gekomen en had haar excuses aangeboden. Ze zei dat het gemeen was wat ze vroeger gedaan had, dat ze niet verwachtte dat ik haar vergaf, maar dat ze gewoon “Sorry” wilde zeggen.
Gemeen. Zag ze het zo? Ik wilde haar de littekens laten zien die ze op me had achtergelaten, maar dat deed ik niet. Iedereen keek haar vol bewondering aan, vol trots zelfs. Wat haatte ik haar. Wat was ik jaloers op haar. Wat wilde ik haar wanhopig graag zijn.

Als ik nu in de spiegel keek, zag ik hetzelfde rode haar -het had lang geduurd voordat ik de juiste kleur had gevonden- , dezelfde manier van bewegen, de volle lippen en ietwat schuine ogen. Dat had me veel geld en tijd gekost, maar niemand zou argwaan koesteren. De kleine verschillen zouden niet opvallen, iemand kon niet anders dan veranderen door de vreselijke ervaring van maandenlang achtervolgd en bedreigd worden.

Het was tijd. Ik belde aan. Ze zag me door het glas, toch deed ze open. Ik wist dat ze hetzelfde voelde als ik. Spanning. Ik zag de hare in haar schouders, in de zwarte kringen onder haar ogen, voelde mijn opwinding in mijn maag. Er moest een confrontatie komen, deze situatie vergde te veel. Van ons beiden.
Ze opende haar mond, haar ogen groot toen ze besefte dat ze naar zichzelf keek. Ik gaf haar geen kans om te gillen, stak snel het mes in haar borst, dwong haar daarna zonder moeite haar -mijn- verduisterde woonkamer in. Niemand zou ons zien. Tot morgen, wanneer zij -ik- haar gordijnen zou openen en haar leven verder zou oppakken. Eindelijk zou ik het leven krijgen wat zij me ontzegd had.

-----
Ingezonden voor Short Story van Uitgeverij Nadorst op 5 februari 2010. Helaas niks gewonnen.

Afscheid

Ik snuif nog eens de muffe geur op. Het zal niet de laatste keer zijn dat ik hier ben, maar wel de laatste keer in deze hoedanigheid. Wel de laatste keer met dit pak aan. Mijn ogen dwalen de zaal rond. Het is een gymzaal zoals alle anderen, zich nauwelijks onderscheidend van de andere gymzalen waar ik in getraind heb. Ik sluit mijn ogen en sluit alle indrukken op in mijn herinneringen: het stof op de vloer, de typische geur van mijn dikke pak na een hele les zweten, de vermoeidheid van mijn spieren. Tranen springen in mijn ogen.

Al zolang ik me kan herinneren heb ik vecht- en verdedigingssporten beoefend. Als kleine zesjarige dwerg begon ik met karate, nu bijna twintig jaar geleden. Ik weet niet precies waarom. Ik had met mijn buurmeisje afgesproken dat ik op karate zou gaan als zij op judo ging. Ik geloof niet dat we heel serieus waren, maar mijn ouders overhoorden ons en zo stond ik een paar weken later in een wit pak in een gymzaal. Een verslaving was geboren.

Als kind was ik verlegen, stil, rustig. Een beetje bang voor mensen denk ik. Dat heb ik nu ook nog wel, maar in veel mindere mate. Sporten gaf me zelfvertrouwen. Eigenlijk snap ik niet precies waarom. Ik ben erg competitief. Ik wil in alles de beste zijn, alles wat ik doe moet goed zijn. Ik was niet goed in karate, en ook niet in de vechtsporten die ik daarna kort heb gedaan –kickboksen, aikido- of in de sport die ik tot op heden beoefende, pencak silat.
Ik zeg altijd: Ik heb veel ervaring, maar weinig talent. Dat klopt ook. Ik heb geen killer instinct, geen improvisatievermogen en het eerste wat ik doe als ik schrik is wegrennen van hetgeen me heeft laten schrikken. En toch. Compleet verslaafd.
Verslaafd aan het gevoel controle te hebben over mijn lichaam, de strakke bewegingen. Verslaafd aan die één tot twee uur in de week waarin alle negatieve energie verdween als sneeuw voor de zon. Zonder was ik één brok spanning, geïrriteerd en prikkelbaar. De zomervakanties waren een drama voor mijn ouders. Verslaafd aan de spierpijn en blauwe plekken die ik vol trots droeg. Een verslaving die me door de moeilijkste periodes in mijn leven heeft geloodst, door mijn geestelijke pijn te verdrijven met lichamelijke.

Als een rode draad loopt de sport door mijn jeugd. En ik heb vandaag deze rode draad doorgeknipt. Ik heb er zelf toe besloten, er waren geen nare omstandigheden of onoverkomelijke blessures die me noodzaakten ermee te stoppen. Ik wil het zelf, laat ik dat benadrukken. Ik kreeg de kick niet meer die het voor mij altijd de moeite waard maakte. Het confronteerde me juist meer met mijn onzekerheden dan dat het ze weghaalde. Ik werd me ineens bewust van het feit dat ik nooit veel beter zou worden dan dit. Het goede gevoel dat ik tegenwoordig na de les had, had ik alleen omdat ik trots op mezelf was, omdat ik ondanks al die tegenzin toch van de bank af was gekomen. De voldoening die het sporten zelf me altijd had gegeven, was er niet meer. Dus besloot ik te stoppen.
En toch doet het pijn. Het is zo lang een deel van mijn leven geweest, een deel waar ik dacht nooit zonder te kunnen. Of willen. En toch doe ik dat nu. Het voelt alsof ik mijn jeugd achter me laat. Het valt me een stuk moeilijker dan ik had verwacht.

Ik begraaf mijn neus in mijn pak voordat ik het in mijn sporttas stop. Het ruikt naar warm katoen. Dan loop ik naar de deur, stap de koude buitenlucht in. Nog één maal kijk ik achter me. Dan laat ik de deur los en laat hem dichtvallen.

-----
Inzending voor de Rotterdamse verhalenwedstrijd 2010. Ingezonden op 13 februari 2010. Niks gewonnen.

Geluk per post

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen afzender bij. “Geluk is het mooist wanneer het gedeeld wordt.” Dat was het enige wat erop stond, in mooie, sierlijke krullen. Ze herkende het handschrift niet, maar het moest van een bekende zijn. De afzender had de kaart geadresseerd aan Iza Anders, in plaats van aan Isabella. Alleen vrienden noemden haar Iza.
Op het eerste gezicht was het geen bijzonder kaartje. Het plaatje liet een landschap zien in zwart/wit. Het was er winter; een uitgestrekte sneeuwvlakte, in de verte een houten hutje en een kudde schapen. Geen specifieke kenmerken, de foto had bijna overal gemaakt kunnen zijn.
Toch zou ze het bewaren. Dat wist ze al. Ongeacht wie de afzender was. Geluk is het mooist wanneer het gedeeld wordt. Ze wist als geen ander hoe waar dat was. Het had lang geduurd voordat ze haar leven na het vertrek van Leon weer op de rails had. Maar ze had haar vertrouwen in de mensheid teruggekregen en haar geluk weer gevonden. Alleen had ze niemand om het écht mee te delen. Ze had mensen waar ze van hield. Natuurlijk, dat wel. Maar niet die ene persoon die haar leven weer compleet zou maken. Het kaartje had haar geraakt.
Ze legde het weg, op de stapel post die ze later in de week zou gaan archiveren. Dan zou ze wel kijken wat een goede plek was om het te bewaren.

De foto was veranderd.

Ze dacht eerst dat ze het zich verbeelde. De figuur die achter de kudde schapen stond had ze eerst vast over het hoofd gezien. Zo’n kleine gestalte was makkelijk te missen en ze had het kaartje de eerste keer niet zo uitgebreid bestudeerd. En het was alweer bijna een week geleden. Toch was het raar. Meestal was ze zo opmerkzaam. Ze draaide de beschreven kant naar zich toe. Ze had echt niet goed opgelet, zag ze. Ze meende zich te herinneren dat haar adres er scherp en duidelijk op had gestaan, maar wat ze zag was vaag, hoewel nog goed leesbaar. Zie je wel, dacht ze, waarschijnlijk had ze gewoon een slechte dag gehad.

Toch bleef het knagen. En toen ze een dag later wakker werd, na een nacht vol dromen over verschijnende en verdwijnende gestalten, was het eerste wat ze deed naar de krantenbak lopen. Het kaartje zou er hetzelfde uitzien als de dag ervoor. Ze zou zichzelf op haar kop geven voor haar onopmerkzaamheid en ze zou haar gemoedsrust weer terug hebben. Maar zo ging het niet.

De figuur was dichterbij gekomen.

Iza staarde ongelovig naar het zwart witte prentje. Dat kon niet. Gisteren had de figuur nog achter de kudde gestaan, nu stond hij er voor. Niet dichtbij genoeg om het gezicht te zien, maar Iza meende er door de lichaamsbouw en de houding een man in te herkennen. Wat gebeurde hier?? Zelfs de schapen leken zich verplaatst te hebben!
Geschrokken gooide ze het kaartje van zich af. Het belandde met de foto naar beneden op de tafel. Toen zag ze dat haar adres bijna was verdwenen. Vervaagd tot er niet meer over was dan een aantal vage blauwe lijnen. Aarzelend streek ze er met een vinger overheen. Zelfs de indruk die de pen had achtergelaten was minder geworden. Maar de tekst die de afzender haar had achtergelaten bleef onverminderd helder. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Onwillekeurig glimlachte Iza. Zo’n mooie boodschap. Nog eenmaal keek ze naar het plaatje, naar de gestalte –de man- in de sneeuw, toen legde ze het kaartje terug op de kranten en ging naar haar werk.

Elke dag keek ze er naar, zodra ze was opgestaan en vlak voordat ze naar bed ging. En elke dag kwam de man dichterbij. Ze had zich niet vergist, het was duidelijk een man. En toen ze na een paar dagen zijn gezicht goed kon onderscheiden, bleek het een leuke man te zijn. Donkerharig, een vriendelijk, open gezicht. Iemand die vertrouwen inboezemde.
Ze merkte dat ze ernaar uitkeek om ’s avonds thuis te komen en het kaartje te pakken. Af en toe betrapte ze zich erop dat ze de foto streelde, zich afvragend wat zijn naam zou zijn. Dan legde ze hem snel weg en dwong zichzelf om aan wat anders te denken. Maar hoe dichterbij de man kwam, hoe moeilijker haar gedachten zich lieten wegdrukken. Wat zou er gebeuren als hij niet verder kon? Zou hij door de foto stappen? Zou hij tegen haar gaan praten? Meer en meer dwaalden haar gedachten af.

Tot de ochtend dat hij verdwenen was. Het was weer een lege, vergeelde sneeuwvlakte, met een hutje en een kudde schapen in de verte. Hij was echt weg. Ze was teleurgesteld, verdrietig zelfs. Ze wist niet wat ze nou echt verwacht had, maar ze had op zijn minst verwacht dat er iets zou gebeuren. Niet dat ze op een dag wakker zou worden en de foto weer leeg en onbeschreven was, op de boodschap na. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Ze zuchtte, maakte zich klaar voor haar werk. Na een moment aarzeling stopte ze de kaart in haar tas, misschien zou er in de loop van de dag nog wat veranderen.
Maar de kaart was nog steeds leeg toen ze ging lunchen. En hij was nog steeds leeg toen ze haar spullen pakte om naar huis te gaan. Kwaad gooide ze haar spullen in haar auto. Kwaad op het kaartje, omdat het haar zo in spanning had gehouden. Kwaad op zichzelf, omdat ze zo teleurgesteld was dat er niks was gebeurd. Waarschijnlijk had ze zichzelf gewoon die paar weken lang voor de gek gehouden. Er had nooit een man op gestaan en ze was gek aan het worden. Dat kon niet anders.
Ze was zo in gedachten verzonken dat ze de auto niet zag die van links kwam. De remmen van de andere auto gilden het uit. De hare klonken een paar seconden later. Er volgde geen klap. Verbijsterd staarde Iza naar de bumper van de andere auto, op nog geen centimeter van haar deur. “Is alles goed?! Ik had je niet gezien!" Een geschrokken mannenstem klonk naast haar raam, armen reikten naar de deurklink. Langzaam kwam Iza tot haar positieven en ze hoorde hoe de man vloekte toen hij doorkreeg dat zijn auto de deur blokkeerde. Ze zag hoe de auto naar achteren reed en bevrijdde zichzelf uit haar auto. Nog geen krasje.
“He. Is alles goed?” Een gebruinde hand sloot zich om haar arm. Haar blik ving een paar blauwe ogen. Haar hart stopte even.
Het was hem. De man van de kaart. In levende lijve. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Dus knikte ze. Ja, alles was goed. Een opgeluchte zucht klonk naast haar. Ze schraapte haar keel. “Sorry. Ik had je niet gezien. Ik was… afgeleid.” Door hem. Maar dat wist hij niet. Ze stond hem nog steeds aan te staren. Hij staarde terug, verbaasd, nadenkend. “Ken ik je niet ergens van? Je komt me zo bekend voor.”

Ze draaide de kaart om en om. Van de vergeelde foto op de voorkant naar het ouderwetse handschrift op de andere kant. En weer terug. Er stond geen adres op, het was leeg, op de boodschap na.
“Iza, kom je? Anders komen we te laat.” Martin sloeg zijn arm om haar schouders, drukte haar tegen zich aan. Zijn donkere haren kriebelden haar wang. Voorzichtig haalde hij het kaartje tussen haar vingers vandaan. “Zit je weer met dat kaartje? Wat heb je daar mee?” Ze keek hem aan, bang dat hij haar voor gek zette, zoals Leon dat altijd had gedaan. Maar het enige wat ze in zijn blauwe ogen las was oprechte nieuwsgierigheid. Een glimlach verscheen rond haar lippen. “Niks. Niks meer, in ieder geval. Ik vertel het je nog wel een keer.” Ze drukte een kus op zijn lippen, maakte zich los uit zijn omhelzing. “Ga maar vast. Ik kom er zo aan.”

Nog een paar minuten staarde ze naar de kaart. Ze haalde een keer diep adem, maakte toen haar beslissing. Geluk is het mooist als het gedeeld wordt. Met vaste hand schreef ze een naam en adres op het nu lege gedeelte van de kaart. Ze had haar geluk gevonden. Het was tijd dat het kaartje zijn werk zou voortzetten. Bij iemand anders.
-----
Ook geplaatst op www.ikvertel.nl op 15 januari 2010 & op www.korteverhalen.nl op 16 februari 2010.

Voor eeuwig een middeleeuwer

In het kleine achterbuurtstraatje werd luidruchtig een potje basketbal gespeeld. Carla Genker probeerde een schot op de basket. Ze miste. Plotseling greep een lang slank meisje de bal. Ze droeg niet zoals de meeste meisjes een strak truitje en een rok, maar een jongensachtig t-shirt, een spijkerbroek en een rode pet waar haar donkerblonde haar onderuit golfde. Carla herkende haar meteen. “Samantha, je bent terug.” Lachend draaide Samantha van Berken zich om. “Natuurlijk, wat moet je zonder mij beginnen?” De twee hartsvriendinnen vielen elkaar om de hals. Het was een jaar geleden dat ze elkaar gezien hadden. Samantha werd door haar moeder het huis uitgestuurd, omdat ze tijdens een flinke vechtpartij de neus van een jongen had gebroken. Haar moeder vond dit te veel, het was al de derde keer. Ze kon naar haar tante.
Carla’s vriend Thomas en zijn broer Simon seinden “Time-out”. Lang stonden ze voor Samantha gewoon te kijken. De andere kinderen waren stil. Eindelijk zei Simon: “Welkom thuis, zusje.” Hij sloeg een arm om de schouders van zijn jongere zus. Alles was vergeten en vergeven.

In zijn werkplaats bevestigde Prof. Herman von Dragner de laatste draadjes aan elkaar. Zijn tijdmachine was klaar, na drie lange jaren werken. Er was alleen nog één probleem: wie moest hem uitproberen? Hij piekerde en dacht, peinsde en zocht, tot hij het antwoord vond.
Het moest iemand zijn waar niemand wat om gaf, een weeskind of een kind uit de sloppenwijken. Dus ging hij naar de achterbuurten van de grote stad. Meteen vond hij wat hij zocht, een viertal tieners stond tegenover een paar grote jongens van rond de achttien. Ze scholden dat het een lieve lust was. De jongste van de vier, een meisje met een rode pet en een jongens t-shirt rende weg en kwam even later terug met een levensgrote buldog. De hond gromde tegen de jongens, die er meteen vandoor gingen. Lachend keken de kinderen ze na. “Goed gedacht. Maar ik zal deze hond maar snel weer terugbrengen Samantha, want zijn eigenaar komt er al aan.” Samantha keek om. Een man met een boos gezicht stormde op haar af. “Bedankt voor de tip, Simon.” Snel liet ze de hond los en rende met haar vrienden mee een andere steeg in. De man foeterde nog na. “Stomme achterbuurters. Voor mij part vliegen ze terug naar de Middeleeuwen, dan heb ik er tenminste geen last van.” Prof. Von Dragner grinnikte, dat was hij nou net van plan.

Een paar dagen later liet de professor een grote machine op een plein zetten in de buurt van de woonplaats van Carla en Samantha. Hij had ze twee dagen lang van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in de gaten gehouden en wist precies waar ze kwamen om te basketballen of te voetballen. Hij dacht dat ze vandaag op dit plein zouden komen en als ze de tijdmachine zouden zien zouden ze vast wel een kijkje in het indrukwekkende glazen hok nemen. En dan… kon de reis beginnen.

Hij had gelijk, niet lang daarna renden ze gevieren over het plein. Ze stopten meteen toen ze de reusachtige machine zagen. “Kom, we gaan kijken.” Simon was ongelooflijk nieuwsgierig. Samantha was even nieuwsgierig, maar evengoed ook heel verbaasd. “Wat is dat? Zullen we een kijkje in dat glazen hokje nemen?” Thomas krabde in zijn blonde haar, hoe moest hij nou weten wat dat voor iets was. “Geen idee wat dat is.” Zei hij daarom maar, “het lijkt wel een uitvergrote telefooncel. Zullen we naar binnen gaan?” Carla zuchtte: “Jongens, jullie vallen in herhaling.” Toen wat zachter: “Ga alsjeblieft niet naar binnen, ik vertrouw het niet helemaal.” Als antwoord werd ze hartelijk uitgelachen. Samantha trok haar mee het hok in, de jongens volgden.
Prof. Von Dragner zag alles opgelucht aan. Alles ging volgens plan. Toen hij zag dat ze allemaal in de tijdmachine zaten, schoot hij uit zijn schuilplaats vandaan en klapte de zware ijzeren deur dicht. Gelijk keek iedereen naar achteren. Samantha bonsde woedend op het kogelvrije glas, Carla raakte helemaal in paniek en werd door Simon en Thomas gekalmeerd. “Laat ons eruit!” riep Simon, maar de professor hoorde niets. Hij was te druk bezig de datum in te stellen. Toen hij klaar was zei hij: “Koppen dicht en luisteren.” Alsof er een toverwoord was gezegd werd het stil. Carla hield op met huilen. Samantha stopte met schelden. Thomas ging vol afwachting staan. “Ik ben professor Herman von Dragner en dit is mijn nieuwe uitvinding. Het is een tijdmachine. Jullie zijn mijn proefkonijnen. Ik stuur jullie naar de Middeleeuwen, naar 1634. Om zeven uur haal ik jullie weer terug.”
Toen hij was uitgesproken zakte Samantha verbaasd naast Carla neer. Simon wou wat zeggen maar de professor had ze al weg geflitst. Ik hoop maar dat mijn experiment lukt anders kunnen er nog rare dingen gaan gebeuren.

Een paar seconden later vielen de vier vrienden op de grond. Zodra ze opstonden, zagen ze al dat dit een middeleeuws dorp was. Langs een breed zandpad stonden kleine met hout of leem gebouwde huisjes, allen met een rieten dak. Dat was het enige wat ze konden zien want ze werden door allerlei dorpelingen omringd. Thomas, de oudje, krabbelde omhoog en vroeg aan een oudere vrouw: “Mevrouw waar zijn we?” In plaats van antwoord te geven, deed ze een stap achteruit en gilde angstig: “Help, ze komen me halen, red me van deze duivels!” Samantha keek Carla aan en proestte het uit. We worden aangezien voor duivels, of in ieder geval voor heksen of tovenaars, dacht ze vermaakt, maar schrok toen iedereen boos naar hen toeliep. Bang keek Simon van de een naar de ander. Ze waren allemaal bang om door deze dorpelingen te worden gedood. Toen riep dezelfde oude vrouw iets, waardoor iedereen vol verwachting naar haar keek. “Zijn jullie gek geworden?! Dit zijn heksen, tovenaars, duivels, kijk uit, ze kunnen je zo betoveren.” Is ze de spot met ons aan het drijven? Dacht Carla. Maar nee, meteen gingen de mensen bij hun vandaan. Het viertal aarzelde geen moment om weg te komen. Ze renden recht het rietveld in en bleven net zo lang doorrennen tot de op een open plek aankwamen aan een groot meer. Daar lieten ze zich vermoeid in het lange gras vallen. “Broers, volgens mij ben ik nog nooit zo bang geweest.” Beaamde Samantha. Carla gaf haar meteen gelijk. “Nee zeker niet. Het is maar goed dat ze bang voor ons waren, al was ik volgens mij nog banger. “ Simon snoof. “Aanstellers.” Mompelde hij, maar hij zag nog bleek van schrik.

In het steegje zat prof. Von Dragner wanhopig naast zijn tijdmachine. Zijn kapotte tijdmachine. De last in het glazen hok was te groot geweest, de machine was half gesmolten en daardoor onherstelbaar beschadigd. De kinderen zouden nooit meer terug naar huis kunnen en hij zou opnieuw drie jaar aan zijn tijdmachine moeten werken. Dat laatste vond hij zelf nog het ergste, wat konden hem die kinderen nou schelen? Hij kende ze nauwelijks.

Toen ze een paar minuten aan het water hadden gezeten, zei Carla: “Weet je, als ik eerlijk ben –en dat ben ik- zou ik het helemaal niet erg vinden als ik hier de rest van mijn leven zou moeten blijven.” Ongelovig werd ze aangestaard. “Kijk nou niet zo verbaasd! Hebben jullie nog niet opgemerkt dat het hier zo ongerept is, zo rustig, zo… zo… Nou ja, heel anders dan in die rokerige stad.” Samantha keek naar Thomas en tikte met haar vingers tegen haar voorhoofd. Die is gek, leek ze te denken. Maar Thomas keek bedenkelijk. “Ik ben het eigenlijk wel met Carla eens,” zei hij langzaam. “Ze…” Zijn zin werd afgebroken door een afgrijselijk gegil.
Simon rende al op het geluid af. Hij wenkte en snel kwamen de anderen dichterbij. In een grote plas drijfzand, lag een kleine jongen te spartelen en te gillen. Het zachte zand zoog hem steeds verder naar beneden.
“Niet bewegen, anders zak je alleen maar sneller naar beneden!” riep Samantha hem toe. Ze wist niet of hij haar begreep, in ieder geval werd hij een stuk rustiger. Ondertussen had Simon een dikke tak te pakken gekregen en schoof hem naar het jongetje. De tak was te kort. Boos vloekte Thomas. "“Shit, te kort. Ik zoek wel een langere.” En gelijk stoof hij weg. Samantha vond het te lang duren en reikte het kind haar hand. Ze leunde steeds verder naar voren. Toen hij eindelijk haar hand te pakken had gekregen, trok ze hem aan de kant. Juichend en met wild zwaaiende armen nam Carla het kind over, tegelijkertijd sloeg ze Samantha, die luid gillend in het koude drijfzand viel. Snel wist Carla haar weer op de kant te helpen. Simon zat huilend van het lachen naast de kant het eveneens lachende jongetje te drogen. Thomas kwam aanlopen en zei droog: “Oh nee he, heeft Samantha weer eens geprobeerd iemand te redden?” Nu lag echt iedereen dubbel van het lachen. “Kom, we gaan terug naar het dorp, die professor zou ons toch weer terug halen.” Zei Simon.
Met bibberende knieeen kwamen ze het dorp binnen, maar er was geen mens te zien, dus snel gingen ze op dezelfde plek staan als waar ze terecht waren gekomen. Ze wachtten een kwartier, half uur, er gebeurde niks. Moedeloos liepen ze terug naar het water. “Volgens mij is die stomme machine kapot.” Dacht iemand. Een andere dacht: “Nee, die professor is ons gewoon vergeten terug te halen.” Dat was Carla, altijd optimistisch.
Het kleine jongetje was nu niet meer alleen, zagen ze. Een jonge vrouw stond bij hem. Het kind wees naar hen. Met een vrolijke glimlach kwam de vrouw op de vrienden af. “Dank u wel, vreemdelingen. Ik ben u zeer dankbaar dat u mijn zoontje heeft gered. Als ik iets voor u terug kan doen, zeg het mij dan.” Ze had een vreemd accent, er klonken Duitse woorden doorheen.
Carla, Simon en Samantha begrepen er niks van, maar Thomas die even op school had gezeten, verstond het wel. “We zijn op doorreis, hebben een lange reis achter de rug en kunnen niet meer terug naar huis, dus als we een paar dagen bij u mogen logeren zouden we dat zeer op prijs stellen.” Ze vrouw knikte. “Och, arme kinderen. Niet meer terug naar huis. Als jullie willen kunnen jullie in een leeg huisje bij ons in het dorp komen wonen.” Thomas vertaalde het voor zijn broer, zus en vriendin. Dolgelukkig vielen ze elkaar om de hals. Ze waren dan wel voor eeuwig een middeleeuwer, maar ze hadden weer een thuis.


-----
Dit is er eentje uit de hele oude doos. Naast jeugdsentiment ook mijn eerst gepubliceerde verhaal, dus toch best wel trots op. Geplaatst in de verhalenbundel Kinderboekenweek SGL 1997 met als thema de Tijdmachine.

Een mooie dag

Ik sluit mijn ogen. De wind streelt mijn gezicht en mijn haren wapperen achter me aan. Dan beweeg ik naar achteren. De donkere strengen vliegen terug mijn gezicht in, zorgen ervoor dat ik niks zie als ik mijn ogen weer open doen. En weer naar voren. Steeds hoger en hoger. Ik lach hardop, het is zo lang geleden dat ik heb geschommeld, lijkt het. Waarschijnlijk was het nog vorige week op het schoolplein, maar in mijn zes-jarige geest lijkt dat al een eeuwigheid geleden.
Ik voel de handen van mijn broer die me duwen, steeds harder, tot hij in mijn oor lacht: "Ik kan niet meer Lianne!" Toch blijft hij doorduwen. De geur van pasgemaaid gras vult de lucht, ondanks de late zomerzon krijg ik kippenvel op mijn benen. "Nu! Springen!" Ik blijf zitten. Ik durf niet. Straks val ik, of kom ik verkeerd terecht. Het moment gaat voorbij en ik zwiep weer naar achter. Marco blijft duwen. “Kom op Lianne, je kan het wel!” Hij gelooft in mij. Ik vertrouw op hem. Dus op het hoogste punt schuif ik van het zitje af. Even lijk ik te zweven.
Ik rol over de grond, bijna de bosjes in. Geen schoonheidsprijs voor deze landing. Marco komt naar me toelopen. "En?" vraag ik. "Ik was verder he?" Ik zie het al aan zijn gezicht. Ik steek mijn tong uit. "Ik sprong lekker verder! Zie je wel!" En nog terwijl ik overeind krabbel, duikt hij op me en begint me te kietelen. Ik gier het uit van het lachen. Hijgend en giechelend laat hij zich naast me vallen, zonder zich te bekommeren om de groene vlekken die hij daardoor in zijn nieuwe shirt krijgt. Mama zal boos op hem worden, hij is al tien, hij mag zijn kleren niet meer vies maken. Het lijkt hem niet uit te maken, want hij blijft gewoon liggen.
We liggen daar nog lang, in het gras. Pas als het donker wordt en mama roept ons naar binnen, staan we met tegenzin op. Hand in hand lopen we naar huis. Mijn broer, mijn beste vriend.

Een dun straaltje zon prikt in mijn linkeroog. Daardoor besef ik dat ik net gedroomd heb. Dat kon ook niet anders, mijn broer is er al jaren niet meer. Ik rek me uit, probeer dat heerlijke gevoel van kind zijn -van bij mijn broer zijn- nog even vast te houden. Uiteindelijk kan ik het niet langer uitstellen en glij ik tussen de lakens vandaan. Als ik de gordijnen open, blijkt de straat te baden in het zonlicht. De rode en gele bladeren die de stoep bedekken lijken te gloeien. Ik voel de warmte door het glas. Dan valt mijn oog op het grasveldje tegenover mijn huis...
Twee kinderen zijn bij de schommel. Het meisje zit erop. Ze zal een jaar of zes zijn denk ik. Haar donkeren haren wapperen achter haar aan, terwijl de jongen haar uit alle macht duwt. Hun gegil van plezier vult de hele straat. Ik kan een glimlach niet tegenhouden. Het wordt een mooie dag vandaag.

-----
Geplaatst op www.ikvertel.nl op 5 november 2009. Half februari 2010 de 4e plaats behaald bij de ikvertel.nl Schrijversprijs van kwartaal 4! Gewonnen: Een oorkonde :)

Lastig Parket

Ik ben flexibel, dacht ze, maar niet zó flexibel. Ze dacht even na. Nou ja, eigenlijk wel, maar ze gaf er de voorkeur aan níet zo flexibel te zijn. Daar ging haar slipje van dwars zitten. Dus liep ze weg. Hij heeft haar nooit meer gezien.